(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Oud Holland"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



► 




rsati^ ^ 



1>J 

I 

■Of 



DJ 

/ 

'01 



OUD-HOLLAND 



1907. 



OUD-HOLLAND 



VOOR DE 



Geschiedenis der Nederlandsche Künsi, 
Letterkunde, Nijverheid, enz. 



•ONDER REDACTIE VAN 



D». A. B R E D 1 U S 

DiritUur Ma lut Kmmkl. XM^tt wm ScUUtrgtn U 't Gravmkagt. 



E. W. MOES 

Diritttmr van 't R'^ki PrmUniaimtt U Amtttrdam. 

Vijfentwintigste Jaargang 1907. 



Gedrukt en uitgegeven door 

(U BOEK: KUNST- EN HANDELSDRUKKERIJ 

vlk GEBROEDERS B/NGER, 

Warmoesstraat 174. — AMSTERDAM 1907. 



« 



▼I INHOUD VAN DEN VIJFENTWINTIGSTEN JAARGANG. 

Bladz. 

Italië en de Nederlanden (II), studies door Dr. J. A. F. O r b a a n. De ge- 
leerden 114 

Schilderijen in 1651 voor Karl Güstav Graf von Wrangel te 's Graven- 

HAGE aangekocht, medegedeeld door OlafGranberg 132 

MiCHIEL SWEERTS ALS SCHILDER, PROEVE VAN EEN BIOGRAFIE EN EEN CATALOGUS 

VAN ZIJN SCHILDERIJEN, door Dr. W. Martin {Met vier prenten) . . . . 133 

Een Westfriesche Roland, door Dr. J. H u i z i n g a 157 

De Gouverneur-Generaal Hendrick Brouwer, door Mr. J. E. H e e r e s {Met 

een prent) 174» 217 

Iets over de jeugd van Gabriel Metsu, door Dr. A. B r e d i u s {Met vijf 

fac'Similes) 197 

ZU EINEM PORTRAIT VON ANTH. VAN DVCK IN DER GEMALDEGALERIE IN CaSSEL, 

von Dr. E. Waldmann {Met twee prenten) 204 

Waardschatting van schilderijen in de xvii^ eeuw, door Dr. A. B r e d i u s 242 
Nog iets over Jacob van Geel, door Dr. A. B r e d i u s 247 



PRENTEN EN FAC-SIMILES. 



Bladz. 

Handteekening van Jan Anton van der Baren 17 

• 

De Tiburtijnsche Sibylla verkondigt aan Keizer Augustus de Geboorte van Christus. 

Schilderij van Dirck Bouts tegenover 28 

Fragmenten van het grafmonument van Goert van Reede en zijne echtgenoote, door 

Jacob Colyn de Nole, in de kerk te Amerongen (Twee prenten) . tegenover 52 
Schoorsteenfriezen te Kampen en in het Utrechtsche Museum, door Jacob Colyn 

de Nole tegenover 54 

Portretten van Juliaen de Brouckere en Elysabette Canneel, 1584 . . „ 62 

Aanbidding der Koningen. Schets naar een verloren schilderij 63 

Reynier Engelen als Sergeant van het vendel van Frans Banning Cock, 16421 en 

als Pastoor te Outewaal, 1660 tegenover 68 

Portret van Daniël Mytens y, 83 

Portret van Michiel Sweerts „ 133 

Heer en knecht, door Michiel Sweerts „ 146 

De schilderswerkplaats, door Michiel Sweerts ^ 148 

Het gevoel, de smaak en het gehoor, door Michiel Sweerts . , . . „ 152 

Handteekening van Gabriël Metsu 198 

Twee handteekeningen van Jacques Metsu 198 

n n n Gabriël Metsu 201 

Portret van Joost de Hcrtoghe, Gravure van Jacobus Neeffs . • . . tegenover 205 
Portretten van Joost de Hertoghe en van zijn echtgenoote Anna van Cracsbeke 

tegenover 206 

David Mytens en zijn gezin „ 211 

Handteekening van Isaac Mytens 213 

Portret van Hendrick Brouwer tegenover 217. 



SYMON BOSBOOM 



DOOR 

A. W. WEISSMAN. 



N zijn „Geschiedenis van de Beeldende Kunsten in de Neder- 
landen" is Christiaan Kramh over Svmon Bosboom tamelijk 
uitvoerig. 

„Het is meer dan zeker", zoo zegt bij, „dat Daniël 
Stalpert, die met deze zoi^ [voor de uitvoering van het 
Amsterdamsche Stadhuis] belast was, onzen Bosboom een 
groot aandeel gegeven heeft aan al, wat betreft de bouwkundige versieringen, 
die den vorm van dat groote ligchaam bekleeden, en dusdanig zuiver in de lijnen^ 
naar de toen zoo streng heerschende bouwkundige orden zijn uitgevoerd, dat 
men tot op heden ze nog met innige bewondering aanschouwt. Deze handen- 
arbeid, die, onder zijne Inding, door de steenhouwers in de keten en op de 
steigers moest verrigt worden, werd echter toen niet aangemerkt als een onaf- 
scheidelijk deel uit te maken van wat het geheel — hoe goed ook door 
VAN Campen op het papier ontworpen — toch dgenlijk in nature eerst verwezen- 
lijken moest Bij dit alles is het mij voorgekomen, dat er, door naijver, eene 
planmatige miskenning bestond, om BOSBOOM als zoodanig niet in de eer, die 
hem waarlijk toekwam te doen deelen." 

Ond-HeUand, 1907. 1 



SYMON BOSBOOM. 



Deze laatste veronderstelling is in de eerste plaats gegrond op wat 
CORNELIS DE Bl£ in zijn jyGulden Cabinet", dat in 1661 te Antwerpen bet licht 



^aer den grooten constbarenden gheest SlMON BOSBOOM een groote 
ghetuygben van gbeeft, als te sien is aen alle sijn Beelden, die van hem ghe* 
sneden ende aan het nieuw Stadts-huys van Amsterdam te vinden sijn, waer in 
uytghestort is alle de aenghename ende uyterste volmaecktheyt, die een Beeldt- 
snijder in houdt ofte steen can voortbrengben/* 

^'t Is waer, dat SiMON Bosboom niet alleen de eer en mach toegeschreven 
worden van allen den Steenen beelden, Parcquementen, Ovale formen, Lx>of-- 
wercken, Phistonen, Balusters, Pillaren en sulckdanige ontallijcke bijwercken die 
daer te sien sijn, ghemaeckt te hebben, daer Aertus Quellinus met zijne 
Neven oock den lof en roem van draghen/* 

De Bie besluit zijne mededeelingen met het volgend gedicht: 

yWat wondre wonderhejt en isser niet te sien 

Aen d'Amstels schoon Stadt-huys, daer Bosboom en Quêllien 

De boochste edelhejt van Leevei en Natuer 

Bewesen hebben naer de Konst, door hun Sculptuer 

In witten marber-steen, waerin niet en ontbreeckt 

Als dat elck Beeldt den sin van Const niet uyt en spreeckt, 

Die jedereen bewijst waerdoor het al, te mael 

(Soo elleck leven had) schijnt eene Godensael. 

Wat cost Natura self aen Bosboom gheven meer 

Als de onsterilyckheidt van d'hoochste lof end' eer 

Die Fama schencken can aen y e mand van verstandt, 

£n maeckt den Gheest en Konst vermaert door 't heele Landt.'* 



SyiAon Bosboom wordt hier gelijk gesteld met Artus Quellinus „en 
zijn neven", waaronder dus ook Rombout Verhulst moet hebben behoord^ 
daar deze verschillende beeldwerken van het Stadhuis heeft gemaakt, gelijk zijn 
voorletters, die hij er op plaatste, bewijzen. 

In zijn „Amsterdamsch Stadhuis'* betoogt A. W. Kroon, dat DE BiE 
vergeet „één enkel bewijs tot staving van zijn bewering aan te voeren, en er 
aan zijne woorden derhalve zeer weinig vertrouwen mag worden geschonken". 

Om te kunnen nagaan, wie gelijk heeft, moeten wij de stukken raad- 
plegen. In de eerste plaats dient dan onderzocht te worden, wie aan het hoofd 
der werkplaats gestaan heeft, waaruit de beeld- en steenhouwwerken van het 
Stadhuis zijn voortgekomen. 

Met dit onderzoek heeft reeds Kroon zich beziggehouden, doch het is 



SYMON BOSBOOM. 8 

zonderling, dat hij daarbij minder nauwkeurig te werk is gegaan» dan anders 
:rijn gewoonte was, en dus tot verkeerde gevolgtrekkingen is gekomen. 

In het boek der besluiten van den Oud-Raad komt 27 November 1647 
het volgende voor. 

„Mede voorgedraghen sijnde, dewijl de Stadt groot ende sware wercken 
van hartsteen voor handen hadde, ofi men niet nodigh soud achten de Stadt te 
versien van een bequaem meester steenhouwer ofte knechti die niemant anders 
ten dienste sal mogen staen ende alles wat tot des Stadts steenhouwerij behoort 
getrouwelijck waernemen, sijn de Heeren Burgermeesteren gheautoriseert naer 
«en bequaem persoon te vernemen ende met deselve te contracteeren op een 
seecker tractement van acht ofte thien hondert gulden jaerlijx". 

Dit besluit wordt door KROON op blz. 141 van zijn werk vermeld. Dan 
vervolgt hij: ,,Later werd deze zaak andermaal besproken en toen vastgesteld, 
dat Burgemeesteren de bevoegdheid zouden hebben om het tractement van den 
Mr. Steenhouwer te verhoogen tot op 1200 gulden 's jaers (Resol. van Burg. en 
Oudb. 29 Nov. 1647, fol. 255.) De titularis, die op dezen tijd voorkomt in de 
Stadsrekeningen is Willem de Keyser, wiens bezoldiging bedroeg iioo gl. 
per jaar (Stadsrekening van 1651, onder Wedden.)*' 

Deze mededeeling is, wat haar eerste deel betreft, onjuist, daar er 29 No- 
vember 1647 geen vergadering van den Oud-Raad is gehouden, en het boek der 
besluiten slechts 215 bladzijden heeft. 

Maar de schrijver zag over het hoofd een besluit van Thesaurieren van 
'3 December 1647, dat zegt: „Willem de Kêyser is aengenomen tot Stadts 
Mr. Steenhouwer, op een wedde van 1000 gl. en 100 gl. extraordinaris, voor 
•dat hij der Stadt sal ten dienste staen in de teyckenkonst." 

Deze laatste woorden zijn veelzeggend, daar zij bewijzen, dat Willem 
DE Keyser meer is geweest, dan andere meester-steenhouwers, en dat hij, even 
als zijn vader Hendrick, de „patronen", gelijk men de detailteekeningen toen 
noemde, heeft vervaardigd. 

Hendrick de Keyser, die in 1621 overleed, werd opgevolgd als stads- 
steenhouwer door zijn oudsten zoon PlETER DE KEYSER, die tot 1645 het ambt 
vervulde, maar toen ontslagen werd, naar het schijnt omdat hij de stad meer 
loon in rekening bracht, dan hij aan de werklieden betaalde. Als welgesteld 
tnan leefde hij tot 1676. 

Zijn broeder WiLLEM, in 1603 geboren, was mede beeldhouwer en in zijn 
jonge jaren, omstreeks 1625, naar Engeland vertrokken, doch in 1640, wegens 
den staatkundigen toestand van dat land, naar Amsterdam teruggekeerd, waar 
hij zich als beeldhouwer vestigde. 



4 SYMON BOSBOOM. 

Hij was een uitmuntend kunstenaar, maar een slecht financier. Bij Jacob 
VAN Campen stond hij in hooge gunst, wat wel het best daaruit blijkt, dat hij 
waardig gekeurd werd Pieter Post te vervangen, die anders van Campens 
rechterhand was, doch die na 1647 voor dezen meester geen teekenwerk meer 
verricht heeft. Er kan geen twijfel aan bestaan of Willem de Keyser is het 
geweest, aan wien het detailleeren van het Stadhuis werd toevertrouwd. Ook 
de uitvoering der steenhouwwerken, voor zoover die niet aan QUELLINUS en zijn 
^even^' werden opgedragen, is onder zijn toezicht, misschien wel gedeeltelijk 
door zijn vaardige handen, geschied. Wij zullen later zien, waarom WlLLEM^S 
naam in vergetelheid is geraakt. 

Er kan geen twijfel aan bestaan of Thesaurieren, die met PiETER DE 
Keyser, wat eerlijkheid betreft, slechte ervaringen hadden gehad, zijn slechts 
op uitdrukkelijk verlangen van van Campen er toe overgegaan, Willem, die 
als mensch in geen besten naam stond, tot stads-steenhouwer aan te stellen. 

Aanvankelijk waren de heeren met Willem de Keyser zeer ingenomen, 
daar hij tot 1653 telkens /200 als „extra-ordinaris** ontving. 

Wie destijds als „onder-meester-steenhouwer*' werd aangesteld, blijkt niet 
Maar het boek der besluiten van Thesaurieren zegt: „Daniël Hillebran dts , 
steenhouwer, is den i6en Augustus 1650 tot onder-mr-steenhouwer aengenomen 
op een tractement van 700 gl. 'sjaers, boven 100 gl. voor huyshuyr, sullende de 
voorschreven 100 gl. voor huyshuyr soo langhe duyren tot tijt toe dat de voorn. 
Daniel Hillebrandts sal comen te wonen in stadtswooningh, daer de weduwe 
van den overleden onder-mr.-steenhouwer tegenwoordigh is in wonende.*' 

Hillebrandts werd i September 1650 beëedigd, doch stierf reeds kort 
daarna. Willem de Keyser beval toen als onder-steenhouwer aan Symqn Bos- 
boom, dien hij misschien al in Engeland gekend had. 

Thesaurieren teekenden omtrent Bosboom het volgende aan. 

y,Op de nevenstaende instructie is Symon Bosboom, steenhouwer, aen- 
ghenomen tot onder meester-steenhouwer, op ghelijck tractement en conditie 
als Daniël Hillebrandtsz. zijn leven genoten heeft gehadt den 30 Decem- 
ber 1650." 

^en 22 February 165 1 is de voorschreven Symon Bosboom in sijn dienst 
getreden en heeft op dito op deze instructie aen Heeren Burgemeesteren sijn 
behoorlijcke eedt gedaen." 

j^Dito. Bosboom sijnde vant begin sijns diensts gaen woonen in het 
stadtshuys, van welck hem alsdoen een camer die sijn voorsaet meer hadt 
beseten, is affgenomen tot gebruyck van den meesterknecht Hein Jansz, is hem 



SYMON BOSBOOM. 5 

bij Burgemrn. daervppr jaerlijcx toegeleit dertig gulden in voege dat hij alle jaer 
sal ontfangen dezelve 30 gl. ende 700 gl, voor sijn tractement. Den 21 Novem- 
ber 1652." 

Bosboom was reeds bijna twee jaar als ondersteenhouwer werkzaam, toen 
hij dit gunstbewijs ontving. Het besluit had terugwerkende kracht. 

Waarom werd Bosbqom dus bedacht? Al vermelden de stukken het niet, 
waarschijnlijk omdat hij de heeren had ingelicht omtrent malversati^n, door 
Willem de Keyser begaan. Althans 20 Februari 1653 werd Willem de 
KeyseRi y,overtuigt van faulte begaen door 't veranderep van reekeningen 
en 't ontfangen van loonen van volck, die niet gewrocht hebben, sijn dienst 
opgesegd."' 

Het is eigenaardig, dat de niet zeer eervolle wijze, waarop Willem de 
Keyser den dienst der stad moest verlaten, Jacob van Campen niet weer- 
houden heeft, hem voor de uitvoering der grafteekenen van Tromp te Delft en 
VAN Galen te Amsterdam te gebruiken. Misschien was het wel aan vanCam- 
pen's voorspraak te danken, dat 12 December 1653 ^aen Willem de Keyser, 
geweesen stadssteenhouwer, !| jaer tractement werd toegelegt.'' 

Dat DE Keyser aan Symon Bosboom, die 27 Juni 1653 als zijn opvolger 
beêedigd werd, zijn ontslag weet, is wel te begrijpen. Den 5 September 1656 
bracht hij bij acte, door den notaris WILLEM VAN VLIET opgemaakt* op zijn 
beurt een aanklacht tegen Bosboom wegens malversati^n ter kennis van Burge- 
meesteren. 

Wel bereikte DE Keyser daardoor niet, dat Bosboom ontslagen werd, 
maar dat er voor de beschuldiging, als zou BOSBOOM de knechts gedwongen 
hebben, hem iedere week / i. — van hun loon af te staan, toch wel grond be- 
stond, zou men willen opmaken uit het feit, dat de Oudraad, die tot dusverre 
op de jaarlijksche verzoeken om een y^extra-ordinaris'' gunstig had beschikt, 
20 December 1656 besloot : ^alsnogh af te slaen het versoeck van S. Bosboom 
om eene extraordinaris toelage van 150 gulden*" 

In 1058 kwam BOSBOOM nog eens met zulk een verzoek ^op grond van 
zijn veelvoudige extra ordinaris besoignes" en y^dewijl hij in drie jaren niets had 
genoten" voor ieder jaar / 150, dus / 450 in het geheel te mogen ontvangen. 
Maar ook dit verzoek werd door den Oudraad y^afgeslagen." 

Hij moest het zonder y^extra-ordinaris'* stellen tot zijn dood, in het begin 
van 1662. Zijn opvolger was de vermaarde schilder THOMAS DE KEYSER, die 
in 1640 zijn oorspronkelijk vak van steenhouwer weder was gaan beoefenen. 

Welk is nu het aandeel geweest, dat BOSBOOM in den bouw van het 
Stadhuis gehad heeft ? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten wij 



6 SYMON BOSBOOM. 

nagaan, boever het gebouw gevorderd was, toen bij zijn ambt aanvaardde en 
toen bij stierf. 

In 1653 was de voornaamste verdieping van bet gebouw in boofdzaak 
gereed, want toen werd besloten, dat men ^iwegens de schaersbeyt van de finantitfn 
op de tbesaurie" de tweede verdieping zou weglaten. BOSBOOMS werkzaambeid 
beeft zicb dus tot de tweede verdieping, die later tocb uitgevoerd is, moeten bepalen. 

En wanneer men in aanmerking neemt, dat Qu£LLINUS, blijkens de reke-* 
ningen, in 1656 en 1657 bet beeldbouwwerk der beide groote frontons heeft 
uitgevoerd, wat waarschijnlijk wel zal zijn geschied, nadat eerst bet marmer ter 
plaatse was gebracht, dan moet toen de tweede verdieping reeds op hoogte zijn 
geweest. Die tweede verdieping is, wat baar versiering aangaat, overigens zeer 
pover bedeeld geworden. Van buiten ziet men althans nog Korinthische pilasters 
-en festoenen, maar van binnen bleef zij geheel zonder ornament. BOSBOOM 
heeft dus al zeer weinig gelegenheid gehad, zijn kunstenaarsgaven, zoo hij ze 
bezat, te toonen. De toren van het stadhuis is door zijn opvolger, Thomas de 
Keyser, uitgevoerd. 

£r zijn echter feiten, die aan de bekwaamheid van BoSBOOM doen twij« 
f elen. Zoolang Willem de Keyser aan het hoofd der steenhouwerij stond, komen 
in de rekeningen van QuELLlNUS geen posten voor wegens modellen, voor die 
steenhouwerij gemaakt. Maar in 1653, als DE Keyser zijn ontslag heeft ge- 
kregen, boetseert QüELLINüS festoenen en kapiteelversieringen „voor de stadts- 
5teenhouwerij'*, een werk dat hij later voortzet. Die modellen zijn ten deele zóó 
nauwkeurig omschreven, dat men de beeldhouwwerken aan de bovenste verdie- 
ping van het Stadhuis als daarnaar uitgevoerd herkent. 

En toen Jacob van Campen in 1657 gestorven was, wendde men zich 
tiiet tot Symon Bosboom ter verkrijging van een ontwerp voor de nog onvol- 
tooide groote krijgsraadkamer, doch belastte Pi ETER PosT met dit werk. 

Dit alles in aanmerking nemende moeten wij wel tot het besluit komen, 
-dat DE BlE, door BOSBOOM met Qüellinus op één lijn te stellen, 's mans ver- 
diensten ver beeft overschat. In het „Gulden Cabinet" geeft DE BieBosboom's 
portret, naar een schilderij van Nicolaas van Helt Stockade doorPiETERDE 
Jode gegraveerd. Daaronder staat : ^SlMON Bosboom, natif d'Emden en Tan 
16 14, fut bon architecte et tailleur de pierre; il a esté employé au service du 
très-illustre Prince-Electeur de Brandenburch". 

Wij leeren hieruit dus, dat Bosboom in 1614 te Emden geboren is en in 
dienst van den Keurvorst van Brandenburg is geweest. Daar hij van 1650 tot 
zijn dood in 1662 te Amsterdam in stadsdienst is geweest, zoo moet zijn werk- 
zaamheid in Brandenburg vóór dien tijd vallen. 



SYMON BOSBOOM. 7 

Bosboom is het incest bekend door zijn boek: „Cort onderwijs van de 
vijf Colommen, uyt den scherpzinnigen Vincent Schamozzy getrocken", dat in 
1670 bij JüSTUS Danckerts het licht zag, en dikwijls is herdrukt. 

Het werk verscheen dus acht jaren na den dood van den schrijveri en 
schijnt door BOSBOOM als een „Nieujaers-gifte" voor zijn in de voorrede genoemde 
^dispipelen JACOB BOSBOOM van Embden, PlETER Bellert van Nieumegen, 
Willem Tessinck van Middelburg, Mathys Breedam van Vollenhove, Jan 
Potter van Amstelredam, Jacques Willems van Feluy en Dirck Wichman 
van Nuetelen" bedoeld te zijn, wien hij misschien afschriften van zijn hand heeft 
doen toekomen. Een dier afschriften zou dan door Danckerts voor zijn uitgaaf 
gebruikt kunnen zijn. 

Danckerts plaatste het portret van Bosboom op den titel, met het vol- 
gend gedicht daaronder. 

Toi al/e nijdige en vuylspreeckende lasteraers. 

Komt, schenders, die u macht weleer ontfinght van onder, 

Met ijsselyck geschreeuw, of rasen als de Donder 

Beschouwt hier vrij mijn werck, *t is voor u niet beschaemt, 

Want Schelders blijven hier gemeenlijck soo befaemt 

Dat sij uyt enckel haet mij schenden en bekneevlen. 

Omdat ick besich ben eenighe donckre neevlen 

Te lichten voor mijn volck, soo wenschen sy die stanck 

Uyt d'helsche Acheron te schencken in mijn Dranck. 

Dit Satyrlick ghebroet en kan niet anders dencken 

Als hoe men eer en faem van goede Luy mach krencken : 

De helse raserny in haere Hersnen woont, 

Sy sullen na haer doen oock eeuwigh sijn beloont. 

Dwingh uw Tongh. 

Of dit vers van BOSBOOM zelf is, dan wel of Danckerts het heeft laten 
maken blijft onzeker. Er blijkt echter wel uit, dat BOSBOOM, te recht of te 
onrecht, zich als een miskend man beschouwde. 

Ik vermoed, dat de uitgave van dit werk bezorgd is door DiRCK Bos- 
BOOM, een zoon van Symon, die plaatsnijder was, en die den 9 April 1678^ 
dertig jaar oud, met Jannetje Jansz. te Amsterdam in ondertrouw werd op- 
genomen. 

Door dit „Cort onderwijs", dat' nog zelfs in Kramm's tijd, omstreeks 
1860 dus» ^alom in ons vaderland was verspreid als het handboek van eiken 

* 

werkman" heeft Symon Bosboom groote vermaardheid gekregen. 

Doch ik meen, te hebben aangetoond, dat hij als kunstenaar slechts van 



8 SYMON BOSBOOM. 

weinig beteekenis is geweest, en dat Krahm heeft gedwaald, toea hij BosboOH 
als den meester noemde, die JACOB VAN Caupens denkbeelden heeft uitgewerkt 
en verwezenlijkt. Die eer komt aan den genialen WILLEM DE Kevser toe. En 
wanneer de weinig eervolle wijze, waarop deze den dienst der stad moest ver- 
laten, ons verklaart, waarom zijn tijdgenooten zijn naam hebben verzwegen, dan 
mag dit toch voor ons geen reden zijn, om hem niet te ericennen als den 
kunstenaar die met Quellvn en zijn helpers in de eerste plaats verdient 
genoemd te worden onder de medewerkers aan „*^s werelts achtste wonder". 

Voor nadere bijzonderheden omtrent WiLLEM DE Kevser verwijs tk 
naar wat in den jaargang 1904 van dit tijdschrift werd med^edeeld. 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN 



VON 

ALEX. HAJDECKI. 
III. 



N ann&hernd chronologischer Reihenfolge wie die eiazelnen 
niederlandischen Kanstter in Wien in meinen Quellen 
zum ersten Male genannt werden, ïst hier noch nach- 
zutragen der Maler 

VOLCKARD AdRIAN VAN LiER. 

Zum ersten Male taucht er hier im Jare 165 1 aui 

in dem nachfolgenden Trauungsdokumente der St. Ste- 

phans Pfarrkirchc: 

„Ao 1651 cop. est 30, Juli, Der Edie und [dieses durchstrichen] kunst- 

reiche Herr Nicolaus Cramer, ein Goldschmidt aus Ostfriesland von Essens 

gebtlrtig, Magdalenam, des ehrenvesten und kunstreichen SiMON Schnitzers, 

Biii^ers und Goldschmtds allhie Wittïb. Testes: Volkhert v. Lier, Maller, 

Georg Gerber b. Goldschmid." 

Im nAchsten Jahre 1652 stirbt ihm am 14. April in seiner Wohnuug beim 
Heiligenkreuzer Hof sein ein halb Jahre alter Sohn Johannes, und er wird bei 
Omd'/foUtmd, 1907. 2 



10 DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 

dieser Gelegenheit in den Sterbe-Protokollen ^ays. Cammermahler Volckuarth 
VON Lyer" genannt. 

lm Jahre 1676 beirathet am 26 Mai ^der kunstreiche VOLCKARD Adrian 
DE LiERy ein Mahler und Wittiber, Johannam, Wittwe nach dem Schulmeister 
MiCHAEL WiNTERHOLLER^' — und verschwindet hiermit aus meiner Evidenz. 

In derselben Zeit lebt in Wien auch ein ^Parrockenmacher*' MARTIN 
DE Lier „aus Niederland gebürtig*'. 

D£ Harde. 

lm Jahre 1667 beirathet am 31 Juli j^der Wobledel- und gestrenge Herr 
Franciscus de Harde, Kays. Cammer-Jubilir, von Antorffin Niederland gebürtig, 
Theresiam Berthalin, des wohledel und gestrengen Herrn Antoni Bertali, 
Kays. Capellmeisters Tochten Testes: Bonaventüra Santo, Hyeronimus 
Joanelli." (St Stephan.) — Er war seit 1658 bei Hof angestellt, denn nach 
seinem 1677 erfolgten Ableben bewirbt sich sein Sohn Wilhelm DE HardE 
um den Hof- und Cammer-Juwelier-Dienst, wobei er auf die i9-j£dirigen „Meriten" 
seines Vaters hinweist. Er wurde mittels Kais. Resolution vom 13 Novemb. 
1677 zum y,Hof- und Cammer-Juvelir" jedoch ohne Besoldung aufgenommen. 

Er heirathete sodann hier am 17 Mai 1678, und aus dem Trauungsdoku- 
ment in der Michaeler Pfarre ist zu ersehen, dass er noch in Antwerpen geboren 
wurde, und sein Vater mit dem zweiten Vornamen Wilhelm geheissen haben muss: 

„Der wohledle gestrenge Herr Wilhelb DE Hardi, aus Antorffin Nieder- 
land geb., des wohledlen Herrn WiLÖELMB DE Hardi seelig. R. K. M. Hof- 
Camer Jubeliers Sohn, Theresiam Franceschinin, Test: Joes Adamus Sutter 

DE ROSENFELDT." 

CORNELIUS MEYSSENS. 

Seit Juli 1673 wohnte er in Wien im BARTOLOTTl-schen Haus beim 
Stubenthor, wo ihm sein halbjsUiriges kind JOSEPH starb. In den nachfolgenden 
drei Jahren starben ihm wieder unmündige Kinder, und auch seine Gattin muss 
um diese Zeit gestorben sein, denn er beirathet wieder in der Schottenpfarre 
am 28 Februar 1677: yiDer Edle und Kunstreiche Herr CorneliüS Meysens, 
Hoff-Kupferstecher, Wittiber, aus Antwerpia in Brabant gebürtig, weyland des 
JOANNis Meyssens seeligen und Annae ehelicher Sohn, Jungfrau Annam 
Catharinam Westhausin, aus Westphalen gebürtig, eines Kaufmanns Tochten" 
Die Trauung erfolgte in Lang Enzersdorf, wo die Braut, wabrend er jetzt in der 
Herrengasse beim Landhaus wohnte. Als Trauungszeugen fungirten Johannes 
V. Ghellen nnd Johannes Geerts. 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 11 

Jan Thomas. 

Uber diesen interessanten Maler hat Th. Frimmel *) die umfongreiche 
Litteratur zusammengestellt. Die nachfolgenden Daten und Dokumente sollen 
eine nicht unwillkommene Berichtigung und Erg£lnzung dazu bieten. Es wird 
vor allem das Todesjahr des Künstlers sichergestellt, welches bisher um fünf 
Jahre zu früh angesetzt wurde. 

Die früheste Spur seines Aufenthaltes in Wien f^lt in das Jahr 1663 in 
welchem die Eheleute Thomas Joannes und Maria Jacoba, am 8; Dezember, 
bei St. Stephan ein Kind, namens JOHANNA Maria, taufen liessen. Als Tauf- 
pathen fungirten JOANNES DE Mailly und JOANNA Primo. 

lm Jahre 1667 wohnte Thomas in der K^lrtnerstrasse im Hause der Wittwe 
nach JOHANN Christianelli, und verlor hier am 14. Februar seinen 3 Tage 
alten Sohn Johann. 

Die nilchste Kunde bringt uns wieder das Todten-Protokoll der Stadt 
Wien, welches nachfolgend seinen Tod registrirt: ,,1678 den 6. September. Der 
Johann Thomas, hofbefreiter Maller, 64. Jahre alt, im Dorotheerhof, am Schlag". 

Damach ist unbedingt das bisher in der Litteratur kolportirte Todesdatum 
von 1673 zu korrigieren. Dagegen scheint sich die zurückgebliebene Wittwe 
im Alter ihres Gatten geirrt zu haben, sobald dessen Geburtsdatum mit dem 
5. Februar 1617 erhoben wurde. 

Wann THOMAS nach Wien kam l^lsst sich nicht feststellen, dagegen ist 
aus dem nachfolgend mitzuteilenden gemeinschaftlichen Testamente der beiden 
Ehegatten ersichtlich, dass er noch 1643 in Antwerpen geheirathet hat, und 
damals noch nicht daran dachte diese Stadt zu verlassen. 

Das Original-Testament wurde in Antwerpen beim Notar JOHANN Bapt. 
COLYNS am 13 Mai 1643 verfertigt und deponirt, und neben den testirenden 
Eheleuten ^ïJan Thomas schilder alhi" von den Malem Gaspar Jouwens und 
NiCOLAüS VAN Eyck als Testamentszeugen unterschrieben. 

Nach dem Tode des Thomas wurde dieses Testament von Antwerpen 
requirirt, worauf eine durch den Notar GülLL. VAN Os notariell beglaubigte Copie 
unter dem Amtssiegel der Stadt Antwerpen anher geschickt wurde. Nacheinem 
deutschen Extrakt hat dieses Testament folgenden Inhalt: 

„Den absterbenden Theil soUe der Überlebende nach christ-catholischem 
Brauch zu AndoriT begraben lassen. In die Pfarrkirche sollen lO, und an die 
Armen S Rth. ausgefolgt werden. 

Der Überlebende soUe Universalerb cum omni causa bleiben, und die 



Gesch. der Wiener Gem&lde-Sammlangen, Leips. 1899, I» p. 22. 



12 DIE NIEDERLAKDER IN WIEN. 

Kinder bis zum 25 Jahr in der Furcht Gottes erzieben und ein Kunst oder 
Handwerk erlernen lassen. Nach erreichter Grossjfthrigkeit solle pars vivensden 
Kindem insgesammt 600 gulden brabantisch Geld [hiesiger Münz 270 Rth. 25 gr.] 
abzutreten schuldig sein, welche sie unter sich tbeilen sollen. ^Dafem uns aber 
Gott mit keinen Leibserben erfreuen sollte, so wollen wir beide Conleuth, ich 
Testator, dass meinem Stief bruder Antonio 100 Carolus brabantisch, doch in 
Mallerey, bei Schiltzung so es verstehen, und hingegen mein Testatricin Schwester 
JOHANNA Cnobbaert baar erlegt werden solle'*. 

Seine Gattin Maria Jacobe Cnobbaert überlebte ihn, und blieb wenig- 
stens bis zum 23 Juni 1679 in Wien, an welchem Tage das obige Testament 
in ihrer Gegenwart publizirt wurde, und sie die Erbschaft antrat. 

Jacob Toorenvliet. 

Zu diesem Künstler, welchem Frimmel (1. c. p. 561) viel Platz einger&umt 
hat, vermag ich nur wenig Neues beizubringen. Es sind bloss zwei Auszügeaus 
den TodtenprotokoUen, welche besagen, dass 

1678 den 4. August ^«dem Jacob Dornflitt, ein Mahler, im ABi-schen 
Haus bei den Franziskanern, sein Sohn Abraham 4 Wochen alt*' und 

1679 den 7 Juni, demselben im Benedict Dogger Haus auf der Laimgnibe 
(Vorort der Stadt) sein Sohn JOHANN, 5^ Jahre alt, gestorben ist. — Diesmal 
wird sein Name im Text DORNFLET, und im Index DORNFELDT geschrieben. 

Mit Rüdcsicht auf diese Schreibweise is es nicht unmöglich, dass er als 
Nachfolger in seiner Kunst einen Sohn Christoph ThüRNFELDT in Wien 
zurückliess, denn in den Trauungsbüchern von St. Ullrich findeichim Jahre 1713 
folgendes Dokument: 

„den 24. Januan Franciscüs Josephüs Thürnfeldt, ein Maler, Sohn 
des Christoph Thürnfeldt so noch im Leben, und Reginae seeligen — 
Annam Quark". 

Im Jahre 1719 wird er Wittwer und heirathet 1720 den 29 Mai daselbst, 

wird aber jetzt Franz Josephüs Dornfeind geschrieben. 

•• 

Dem Namen wird hieher auch 

Peter von der Blasy 

gehören, ein Maler, welcher 52 Jahre alt, am 13 September 1679 ^^^ ^^^ blauen 
Ente auf der Laimgrnbe von der Pest hinweggerafft wurde. 

Am 9 Juli 1680 wird in der Schottenp&rre der ehrenwerthe und kunst- 
reiche Junggesell, Herr 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 13 

JODOKÜS DeNS 

ein Instrumeatmacher der mathematischen Kunsten, geboren zu Laecken in Nie- 
derland, mit der ehren-tugendreichen Jungfrau Anna Hohenreiterin getraut. 

Auch über 

Johann Erasmüs Quellinus 

haben uns die Hof-Protokolle eine interessante Nachricht aufbewahrt. lm 5. Bande 
dieser Protokolle lesen wir auf fol. 212: „JOHANN Erasmüs QuELLiN, Niderlander, 
bittet anstatt des verstorbenen Cammer Mahlers VON HOY und Chateau, mit 
dem gewöhnlichen Unterhalt aufgenommen zu werden." Darauf erging die Kais. 
Resolution de dato Linz 9 Februar x68i. ,,Hat dessen Begehren keinen statt, 
weille auch anderen dergleichen Kfinstlern ihre Besoldung im Hofzahlambt vor 
diessmahl aufgebebt und in Erspahrung gezogen worden.*' 

Der Name Chateau') welcher nach der Stilisirung des obigen Textes, einen 
ebenfalls verstorbenen Hofmaler anzudeuten scheint, wenn er nicht etwa auch 
einen Kompetenten um den erledigten Posten — als eines Franzosen im Gegensatze 
zu jenem j^Niedertónder" — signalisiren soU, kommt in unseren Quellen nicht 
wieder vor. 

Der Reihe nach stosse ich in den TodtenprotokoUen auf einen Namen 
welcher seinem Klange nach hieher zu gehören scheint. 

JüSTUS Nyport. 

Am 26 Oktober 1686 stirbt dem JüSTUS Nyport, einem Mahler, wohnhaft 
im Hause des Benedict Sondermayer in der Wipplingerstrasse, sein 4J£Üiriges 
Kind. — Benedict Sondermayer war ein geachteter Wiener Burger und Bildhauer. 

Christian Keerle. 

In den Trauungsbtichern von St. Stephan ist über diesen Maler zu lesen: 
^A. 1684, cop. est 30. Januarii. Der ehrsame und Kunstreiche Herr Christian 
Kherl, ein Mahler von Yppern aus Flandern gebürtig, mit der ehrentugend- 
reichen Jungfrau Anna Maria Frühwirthin, des Herrn Johann Frühwirth, 
des ftusseren Raths allhie Tochter. Testes: Herr Friedrich Ebenberger und 
Christoph Murbeckh." 

Johann Frühwirth war Stammvater der Wiener Bildhauerfamilie dieses 



1) Vielleicht ist darunter der von FÜS8LI, I. 154, genannte Wilhelm Chatbau, ein Küpferstedier, 
gemeint. Dann mfisste auch sein Todesjahr nach unserer Qaelle richtiggestellt werden, denn FÜSSLI Ifisst ibn 
1683 im 50sten Lebensjahre sterben. 



U DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 

Namens, selbst ein vielbeschSlftig^er Bildhauer so bei der Pests&ule am Graben, 
bei der Karlskirche etc. Er starb 1706. Von seinen beiden Söhnen starb der 
ëlltere Carl Joseph, ein Bildhauer> kaum 34i^rig, im Jahre 1714» wSLhrend der 
jüngere Gabribl Früwirth, Kay. Hofbildhauer wurde und 1720 nochamLeben 
war. Der Trauzeuge Christoph Murbecrh war ein bürgerlicher Goldschmidt. 
Gelegentlich der Arbeiten bei der Pestsaule am Graben wird er ^Wappen-Gold- 
schmid" genannt; er hat somit die Kartuschen mit den Wappen an dieser 
S^ule angefertigt. Er war auch Mitglied der ilusseren Raths und starb 1705, 
7^ Jahre alt. 

Kherle oder Keerle wohnte im Hause seines Schwiegervaters auf der 
Fischerstiegen, schlechtweg das Bildhauerische Haus genannt. Dort starb ihm 
sein einziges ICind am 10 August 1685. 

Er selbst errichtete sein Testament in höcbster Unp^slichkeit am 7. August 
1693 worin er seine Gattin zur Universalerbin instituirte, und seine ^negsten 
Befreundten'' nach Landsbrauch mit 5 il. abfertigen liess. Seine eigenh^- 
dige Unterschrift lautet C. Keerle. Als Testaments-Zeugen sind gefertig^t, 
der b. Goldschmidt Octavian Coxell und der Maler JOSEPH Plunger. Am 
18 September wurde dieses Testament publicirt und hat die Wittwe die Erbschaft 
angetreten. 

Der genannte 

Octavian Coxel 

gehort auch hieher. Er war ein Schwager des Keerle, denn er heirathete am 
23. November 1687 als „angehender bürgerl. Goldschmidt, zu Corton inFlandern 
gebürtig, Reginam Frühwirthin", die Schwester der Gattin des Keerle, 
welcher bei der Hochzeit mit demselben MURBECKH als Trauzeuge fungirte. 
Dieser Coxell war der Stammvater des Wiener Zweiges dieser Goldschmidt- 
familie, welche hier im ganzen 18. Jahrhundert vertieten war. 

Jan Anton van der Baren. 

Über diesen „Dilettanten" Maler am Hofe des Erzherzogs Leopold 
Wilhelm sind zwei interessante Dokumente zu verzeichnen. 

In den Todten-Protokollen der Stadt Wien findet sich das bisher unbe- 
kannt gebliebene Todesdatum desselben verzeichnet: 

j,i6i7 am i Januar. Der Hochw. geistliche Wohl Edi und Hochgelehrte 
Herr JOHANN Anton VON DER Baahr, Kays. Hof-Caplan und Gallerie-Inspektor- 
beim rothen Igl unter Tuchlauben, 71 Jahre alt." Demnach wurde er im Jahrr 
161 5 geboren. 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 15 

Das zweite Dokument ist sein Original-Testament, welches bier mitgeteilt 
wird und lautet: 

In nomine Domini .... lek onderscreven JOES Antonius van der Baren, 
Prister ende Canoniek van Soigni, Hiervoor ghewest Capellaen van hare dor- 
luehtighe Hoochyt Leopoldi Gulielmi, Arthhertoch van Oestenryk, saliger 
gedaehteniSy nu van hare kijserlyke maiestyt Leopoldi Primi, considerende de 
ontstadichit vant menselyk leven, namentlyk in dese concurentie van peste, 
hebbe door dit teghenwordich Instrument mijnen uytersten wille, ofte Testament 
willen declareren. 

In den eersten houde voor goet ende valid, oft wettelyk, mijn Testament, 
dat ick te Brussel, in mijn camer in mijn scribaden hebbe gelaten, ghescreven 
heb, onderteeckent ende gecaceteert met mijn eyghen handt ende ordinaris 
cacet, hierenboven toegesloten ende ghecaceteert, op diversce platsen, door den 
openbaren Notaris M. CORNELIS Dandelot, ende als op den rugghen staet, 
voor hem ende seekere ghetuijghen ghepassert in forma soo dat mijn Broeder 
PONTIANUS, Maseur Elisabet, ende de Kinderen van mijn Broeder Philips 
saliger (wel te verstaen die in gheen closter Professie oft beloften hebben 
ghedaen) als drij staken, mijne voU erfgenamen sullen blijven, van alle het ghene 
sal overblijven, naer dat mijne sculden, want sommighe sullen daer syn. sullen 
betalt wesen; de legaten die ick int selve te Brussel lighende Testament, hadde 
gemaekt cassere ick gants, met dat ick de meeste hebbe volbraght, ende de persoe- 
nen ghestorven sijn, uijtgenomen mynen Heere Broeder den Probst van Caudenberg. 

Nu, want Godt almachtic mij gheliefde alhier te Weenen uijt dese werelt 
te roepen, soo bevele ick mijne arme siele in syne grondlose baermertichijt, 
ende bidde oetmodelijk dat mijne Testamenteurs gheliven mijn lichaem te doen 
begraven, simpel ende sonder eenighe pompe, inde kercke van S. Michaelis — 
ontrent mijn Beneficij Autaer van de hijlighe Apostelen, ende beghere in desen 
cas, ofte dit gheval, dat de twehondert missen die ick specifieerde naer mijn 
oflijvichijt te Brussel, corts daer naer ghedaen te worden alhier ter platse, souden 
gheschiden, vorts ofte ick onrechts goet hadde, soo sal men de mendicanten 
ghestelijken vijftich guldens distribueren. 

De vierdusent dutsge guldens, die mij per legaet int Testament van den 
Artshertoch saliger sijn gemaekt, ende interesse daer van, want men het mij de 
Jure schuldich is, met dat men het ghereet geit, waerop den Artshertoch ons hadde 
gbeasignert heft wech genomen met ghelofte weder te restitueren, ende dat men 
PP. Societatis I H V. jarelyks hare interesse gheft, als Ire Kyserlike Maiestijt 
mij mondelincks heft ghesijt, ende: ick nit een crijtser van den Presidente hebbe 
becommen niet teghenstende Jre Maiestijts bevel, nu naer 17 jrfren niet connende 



16 DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 

becommen, laete ick tot fundation van een beneficium ghelyk ick voor veele 
jaren hadde gheresolvert, belast met drij missen ter weeken voor mijne Goet- 
doenders vant Huijs Ostenryk» mijne ende alle mijne vrindens sielen lavenisse, te 
weten Bfandach van Requiem, Donderdach van onse live vrou ende Vrydacbs noch 
van Requiem, de collatien van dit Beneficium sal altyt blyven bij den outsten 
van mijne familie, den wekken dit sal moeten confereren, oock aen eenen van de 

nasten van ons vrinden, die daer toe capabel sal sijn, ofte met den eersten 

capabel maken, met conditie dat hij ook sal sien sijne vrinden te helpen, ende 
bij te staen, ende in ghevalle dat den outsten van mijne familie oock soude 
gestelijk sijn, soo salt selver oock connen geniten, met de lasten als vooren ende 
naer sijne aflyvichijti salt den outsten weder confereren. Voorder bidde mijne 
H.H. Testamenteurs, hier onder bescreven, dat sij bij Ire Kyserlike Majestyt 
gheliven te bidden om vrijhijt ende aggreatie om de selve somma te connen 
becommen, ende in Nederlant vrij over te schicken, namentlijk met dat het is 
legatum ad pias causas, undt von mir voorder applicert ad continuas preces, die 
bis dato propter insolutionem nit hebben connen gheschiden, myne Testamenteurs 
ende erfgenamen in Nederlant sullen sien dit op goede gronden oft renten 
aen te legghen. 

Voor Executores alhier te Wien bIdde ick oetmodelijk Ire Gravelyke 
genaden Petrus Ernestüs van Molaer, *) het selve te willen dirigeren tsa- 
mentlyk oock Ire Ghenaden vryheer van Onversackt, ghewesten Camerheer 
van den Artshertoc Leopoldi Gulielmi pie memorie, teghenwordich allebeyde 
van Ire Kyserlike Majestyt Leopoldi Primi ; oetmodelyk biddende, alle naer mijn 
wille ende dispositien, met den nasten te willen doen, ende alsoe hast dises 
Originals copiam een ofte twee naer Brussel aen mijn Broeder PONTIANO 
VAN DER Baren woenactic inde Kylerstrate teghenover den Kyser ontrent de 
EE. PP. Jesuiten te willen schicken ende voor eene clyne memorie; soo si dese 
bermertichijt gelieven te erwysen, destinere ick twee stucken schilderij taemmelyk 
groet, het eene onse liven vrou met blommen ghecirt met het kindeken op den 
schoety ende kinderen in manire van Engelen, die festonnen houden met ciraet 
van blauwe banden, ende een groete croene van blommen inde hochte inde 
middel. — Item een ander etwas clijnder oock met ses festonnen van blommen, 
waerin twe sonneblommen ende rot rosen, die op een cartel hanghen ende een 
lantscap inde middel alle sonder figuren, van dese twee sal den heere Grave 
VAN Molaer uijt haben het weicke hem gelieft oft waer hij sijn mest ghevallen 
in sal hebben. 



*) In der gleichzeitigen deutschen Ubersetzung : von Mollarth. 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 17 

Alle mijne mobilia sal men vercoepen undt same ghelt maken vuytgeno- 
men die schilderyen die van mijn handt sijn ende van goede meestere Wt van 
mij geretokert, de seluen sal men wel inpacken, om in Nedderlant te connen 
schicken, wel te verstaen, want mijne erfgenamen gheraden vinden dan het is 
niet raetsaem, dat stucken die met eene studie sijn uytghearbyti voor slechten 
prijs souden vergeuden worden, als het hier licht gheschiet. Aen mijnen^Dienaer 
Hans BAkTTOLOMS Auchter, want hij noch by mij dient, laete ick dertich 
guldens in ghelt, op dat hij achting nempt om de schilderyen te rollen en packen, 
item voor mij te bidden, item laete ihm alle de rouwe ongescilderde doucken, 
alle verven undt penselen undt was zum malen ghehert^ ausghenomen, de vrijfsteen 
van Porfily met sijn molet^, die weder dient in Nederlant, item wijtgenomen alle 
mijne schetsen van blommen, teeckeninghe ende printen, die man can in Nederlant 
scicken naer het advis van mijne erfgenamen. 

Het stuck schildery van blommen in forma van een venster daer man 
ghdyk van een oratorie in de kercke siet onder en boven ghesiert met blommen 
festons, alwaer inde middel een copere liven vrouwe statua is, op een clyn pede- 
stael waer op de inscriptie staet met mijn naem, bidde mijne erfgenamen aen 
den Autaer te laten op Caudenberg waer het wel sal scicken dat het voorha- 
benden beneficium ghefondert blyve; tot desen ende ende melioratie vant voori- 
ghen sullen mijne erfgenamen noch vijfhondert Nederlantsen guldens emploiren 
tot meerder eere Godts ende onse sielen salichhyt ender erlafenisse te bidden, Amen. 

In teecken der Waerhijt hebbe dit myn Testament ofte vytersten wille, 

om aen het ghene te Brussel lichtte *) ende gheexcutert te worden, 

gheteeckent ende ghesegelt hier bij reserverende altijt, dit tegenwordich Testa- 
ment ofte Codicil te connen amplificeren dominueren naer mijn beliven 

ghescreven desen S. Ludovici dach 1679 n^ense Augusto, quod attestor. 

Wien in Ostenrijk. 

^,^<:^£4 yY'*vfw'vt''M^ ^KmïW{2 

CODICIL, 

Inclusum hoc meum Testamentum, quod propria manu scripsi et subsig- 
navi, iterum approbo et confirmo, iis tarnen exceptis, que ad fundationem beneficii 




1) Aof in der Übenetraag ist das Wort „molet" unübersetst geblièben; wahrscheinlich sol es 
«Reiber" bedeuten. 
1) beizufOgen. 

Oud'Hoüand, 1907. 3 



IS DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 

spectant, voloque ut ejus loco Haeredes mei centum Impériales ad certam hy- 
potfaecam applicent, ut inde ex annuo interesse, missas pro mea intentione fieri 
corent: casso itaque ea que de beneficii fundatione in hoc incluso Testamento 
scripta sunt. Praeterea volo ut famulo meo JOANNI Bartolomeo Auchter ultra 
tpsi assignatos triginta fiorenos, adhuc triginta addant, quod si bene se gesserit 
ac mihi adstiterit, volo ut mei haeredes ad hinc eum remunerent. Testorque 
propria mea scriptione et sigilli appositione meam banc ultimam esse vol untatem 
ad maiorem Dei gloriam. Joes Antoniüs van der Baren, io Juli 1683 . 

Vienne Austrie.'* 

Diesem Testament ist neben seiner Unterschrift sein Siegel beigedruckt 
welches in einem oblongeh, in der Mitte geteilten Schilde besteht, in dessen 
oberer Hsüfte eine Gans(?) sichtbar ist, indess die untere ein fliessendes Wasser 
darstellen soU. Um den Schild lauft unten der Sinnspruch: VITA FLVCTVS. 

Auf dem Umschlage dieser Dokumente ist auch dieser sein oftgenannter 
Diener Hans Bartholome Auchter als Zeuge unterschrieben und die Publici, 
rungs-Klausel enthalten: 

„Heut dato den 31 Decembris 1686 ist dis Testam. eröffnet und publicirt/' 
VAN DER Baren kann also schon am 30. Dezember 1686 verstorben gewesen sein, 
denn das Datum in den Todten-ProtokoUen bezieht sich stets blos auf den 
Tag der vorgenomenen Leichenschau. Bezüglich des mit Geld und Malerrequi- 
siten reichlich beschenkten Dieners liegt die Vermuthung nahe, dass er Diener 
und zugleich Schuier seines Herrn in der Malerei war, und ich finde auch in 
den TodtenprotokoUen eine Notiz, welche diese Annahme bestatigt,* denn dort 

lesen wir: 

^1670 den 27 Februar dem Johann Barthelme Aich, einem Maler, im 
GeoRG Weinpergerischen Haus im unteren Word (Leopoldstadt) sein ICind, 
1/4 J. alt," wahrend er im Jahre 1669, dem aus Köln gebürtigen Buchdruckergesell 
Johann Antorff als Trauzeuge fungirt, und hierbei „Joannes Bartholomeus 
VON Aach, ein Mahlcr" genannt wird (St. Stephan). Nun scheint JOHANN AlCHTA, 
cin Maler, wclcher 1705 am 15 Februar hier heirathet, und aus Tauffers in Tiroll 
als Sohn des seel. JOHANN AlCHTEN und Marïae gebürtfg war, ein Sohn unseres 
Johann Barthelme gewesen zu sein. 

In den Hof-ProtokoUen (L V. 1676 — 1691) lesen wir auf fol. 105, gele- 
gentlich der Bestallung des Christoph Lausch (sic) zum Gallerie-Inspector, dass 
j^der geweste Gallerie-Verwalter VON DER Paar seeU wegen dieser seiner Function 
jahrlich 300 fl. gehabt, und ihm als Hof-Caplan neben der Tafel wiederumben 
200 f. geraicht worden." 

Dem Lauch, also Nachfolger des van der Baren als Gallerie-Inspector, 



j 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 19 

wurden dagegen j2lhrlich 600 fl. „ausgeworffen". Dem LAUCHfolgteim Jahre 1711 
der jubtlirte Hofmusicus Fabritius Cerrini bis 1730, welchem der Kupferstecher 
Jacob Msuinl (t 17 12) adjungirt war, 

JOHANN Baptist de Bie. 

Sein Trauungsakt in der St. UUrich Pfarre lautet: 

„A. 1691, cop. est 2. Octobris. Joannes Baptista de Bie ledig, seiner 
Kunst ein Mahler, gebürtig von AndorfT aus Niederland, des Herrn Erasmi DE BiE 
seeligen gewesten Mahlers und Catharinae so noch im Leben ehelicher Sohn» 
die ehrentugendsame Frau Agatha Cornelissin, weyland der Wilhelmb Cor 
NELISSEN e. Schneiders hinterlassene Wittib. Beide wohnen bei der g^uldenen 
Eul." Sonst fand ich von ihm hier keine Spur mehr. 

Anton Lessy, 

^in hofbefreiter Gold- und Perlsticker, gebürtig aus Steinbrück in Niederland, 
wird im October 1693 bei St. Stephan mit der Elisabeth Kreuzingerin ge- 
trauty und fungirt im J. 1701 als Taufpathe eines Kindes des Goldstickers 

JOSEPH PaLAN. 

Jacob Ferdinand Saiss. 

Dieser Name kommt in der verschiedenartigsten Schreibweise vor, als: 
S^Eiss, Sais, Says, S21ES, Zays, sogar Saris und Seiz. 

Zum ersten Male begegnen wir ihm bei der Trauung in der St. Stephans 
Pfarre, wo zu lesen ist: 

„A. 1694. cop. est cum dispens. a duobus denunc. ii. Julii. DerEdleund 
Kunstreiche Herr Jacob Ferdinand Saeiss, ein Mahler, zu Antwerpen gebürtig, 
mit der Edl- Ehr- und tugendsamben Jungfrau Maria von Risman, eines Haupt- 
manns seelig. Tochten Testes: Herr Franz Calixt Sereno, Herr Peter 
ScHUBART VON Ehrenberg und JOHANN Erasmüs DE Crefft". Der Erste und 
der Letzte waren Kais. Ingenieure. 

Saiss wohnte bis zu seinem Tode (1725) in der Vorstadt Leopoldstadt. 
Im Jahre 1696 verlor er sein erstes Kind SylvestER, im Hause zum Schönbrunn, 
im folgenden Jahre wieder ein Kind. 1698 wird er bei diesem Anlasse ,,Per- 
spektiv-Mahler" betitelt und wohnt bei der goldenen Krone. Im Jahre 1704 
wird er „Jac. Ferd. Saris, ein Architektur-Maler" wohnhaft b. rothen Hut, 
genannt, und 1707 heisst er gar y,jACOB Paris^' (im Wiener Diario dagegen 
^Ferdinand Saris") und wohnt beim goldenen BsLreni in demselben Hause, 
welches 100 Jahre spsiter dem JOHANN Baptist Lampi sen. gehorte, und noch 



20 DIE NIEDERLANDER IN WIEN, 

heute obgleich von Grund aus neu gebaut, das „Barenhaus'' heisst« lm Jahre 
1699, am 2 Dez.9 tauft das Ehepar eine Tochter Antonia Catharina 
(St. Stephan) bei welchem Akte Anton Schonianz und Antok Barait als 
Taufpathen fungiren. 

Sais starb in Wien im Jahre 172$, nachdem er ein Alter von 67 Jahren 
erreicht hatte, also 1658 geboren ist. 

LuDWiG D£ Biel. 

Dieser sonst in der Litteratur unbekannte ^iHof-Maler" ist der erste bei 
welchem wir diesen seinen Charakter als einen blossen ^Titel" aktenm£lssig nach- 
weisen können. Die ^Protokolle in Hofsachen^'i Band VI. (1691 — 1699), enthalten 
darüber fol. 242 folgenden auch Ober die kunstlerischen Qualit&ten des DE Biel 
sich verbreitenden Vermerk: „LuDWiG DE Biel, ein Mahler, bittet um den Titul 
eines Khay. Hofmahlers/' Seinem Vorgeben nach soU er sich schon eine Zeit lang 
hier aufhalten und die Vertröstung gehabt haben „in der Zaichen-Kunst die 
Durchlauchtigste junge Herrschaft zu instruiren*'* 

Darüber wurde folgendes „Gutachten" abgegeben. 

„Wird von denen Jesuitern recommandirt mit Vermelden, dass er durch 
Überkommung dieses Tituls sein Glückh machen könnte. SoUe in Wasserfarben 
stattlich mahlen, und weiter zu gebrauchen sein. Man hat also hierwieder kein 
Bedenken, weillen hierdurch Niemand praejudicirt wird, auch dem Obrist-Hof- 
meister dergleichen Titul zu geben zustehet. Man will also gehorsamst erwarten, 
ob Euere Kais. M. ihn darmit begnaden lassen wollen.'' Darunter setzte der 
Kaiser sein „Placet", worauf folgender Bescheid ausgefertigt würde: ,,Von der 
. Röm. Kais. auch Königl. MayestSlt . . . dem Mahler LuDWiG DE Biel hiemit in 
Gnaden anzufügen. Es seye I. K. M. gehorsambst referirt worden. . . . ihm den 
Titul .... zu erthailen. Als haben Sj sein underth^nigstes Gesuch gnadigst 
gewilligt, dass er nemblich den Titul oder Nahmen eines Khay. Hof-Mahlers 
fohren, und vor Jedermann dafür gehalten, auch also genennet und geachtet 
werden solle. . . . Datum Wien unter dem Secret-Insigl. I. M. den 26 Martii 1694.'' 

Darin haben wir zugleich das ^teste Beispiel eines Hof-Titel-Dekrets 
kennen gelernt. 

Dass „die Jesuiter'' sich für DE BlEL so stark einset^ten, und er den 
Hoftitel zur Begründun^ ^^seines Glückes" so sehnlich erwünschte, wird uns 
erklSlrlich, wenn wir erfahren, dass DE BlEL daran ging, sich aus dem hervorra- 
genden Wiener Patrizierhause der Fockhy seine Gattin zu holen. Ein Bruder 
seiner zukünftigen Gattin, Johann Michael Fockhy, war eben ein Mitglieddes 
Jesuitenordens in Wien, w^hrend der zweite, Emerich, als Cisterzienser im 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 21 

Kloster Heiligenkreuz lebte. Die Einheirath in das angesehene und reiche Patri- 
zierhaus war es, was sein Glück begründen sollte, und mit einem einfachen 
palier'' mogen sich die FOCKHY nicht zufrieden gegeben haben; darum musste 
er wenigstens den Titel ,,Hofmaler*' haben. Kaum dass er ihn erhalten hat» 
heirathet er auch schon, wie aus dem nachfolgenden Trauungsakte der St. Stephan- 
Karre zu ersehen: „A. 1694. cop. est 7. Septbris: per filium (sic) sponsae Cister- 
ciensem de Sta Cruce: Der Edle und Kunstreiche Herr LuDWiG Debiel, Kay. 
Hofmahler, zu Antwerpen gebürtig, mit der wohledlen und gestrengen Frauen 
Catharina FocKHiN, weyland des Herm Johann Michael Fokhi, gwesten 
des Inneren Raths Wittib (sic). — Testes : Daniel Fokhi, Mathias Pan- 

KRATZ BRENNER." 

An diesem Trauungsakte haben wir ein seltenes Beispiel vor uns, dass 
auch so zuverl^ssige und beweiskrSUtige Dokumentei wie es sonst die Kirchen- 
matrikel überall sind, doch mitunter auch ihrem essentionellsten Inhalte nach, 
gewiss unabsichtlich, unrichtig sein können. Hier wird die Braut des DE Biel 
ausdrücklich eine Wittwe des JOHANN MiCHAEL FocKHl, und der den Trauungs- 
akt vollziehende Priester ihr Sohn genannt, und doch ist sie die Tochter des 
Ersteren und Schwester des Letzteren! 

DarQber belehrt uns nUmlich ein verlsisslicheres weil gerichtsordnungs- 
mSlssig verüaisstes Dokument in dëm st^dtischen Grundbuche. 

Darnach war der Edle und gestrenge Herr MiCHAEL Fockhy, Burger und 
des Inneren Raths, seit 1662 Wittwer, Besitzer mehrerer Haüser, darunter auch 
eines unter den Tuchlauben einerseits an die Kays. Schranne austossend, anderer- 
seits in die Landskrongasse einmündend, welches nach seinem Tode (1693) an 
seine sechs Kinder heimgefallen ist: JOHANN MiCHAEL, Soc. Jesu, Emerich, 
Cisterzienser, und vier Töchter: Maria Catharina vereh. DE BiELiN, Maria 
Theresia, Maria Anna vereh. Undterrainin und Maria Theresia vereheU 
PiCHiN. — De Biel und seine Gattin haben aber durch Vergleiche und Ab* 
zahlungen es im Jahre 171 8 dazu gebracht, dass dieses ganze grosse Haus im 
Werthe von 40000 Gulden in ihr, bezw. der Gattin Maria Catharina Eigenthum 
ttbergegangen ist. Diese Heirath muss ihn der Sorge um das t£lgliche Brot iiber- 
hoben haben, denn er scheint seine Kunst gar nicht mehr betrieben sondern sich 
der Wirthschaft gewidmet zu haben, weil er nie mehr in seiner Eigenschaft als 
Maler hervortritt. Durch seine Heirath kam er in nSlhere Verbindung mit der 
vornehmsten Gesellschaft der Stadt, denn bei der Taufe der ersten Tochter, 1695, 
Maria Theresia, fungirt als Taufpathin Baronissa Maria Magd. de Stackel- 
BERG mit ihrem Gemahl Maximilian Erasm. L. Baro de Stackelberg, dann 
die Praenobilis Domina Maria Elisab. Stordodin, nata de Guenburg. 



/ 



22 DIE NIEDERLAnDER IN WIEN. 

Bei der Taufe des Sohnes LUDWIG Jacob, 1697, ist Taufpathe Comes 
Georgius Aügüstinüs Bertalotti in Vertretung Comitts Piccolomini, und 
Eleonora Comitissa de Wallenstein, vertreten durch Maria Elisabetha 

FOKHIN. 

Bei der Taufe des Sohnes Ernst Peter Sigismund, 1699, fungirt neben 
dem Petrus Menageot und der Maria Anna Breunerin, ein Liber Baro 
SiGiSM. Prosper de Lampfarizomb (sic). 

Beim letzten Kinde, der Tochter MARIA Catharina, i/oi, versehen die 
Pathenstellen Herr JoH. Bapt. von Waffenberg mit Gattin, und die Frau 
Maria Regina Bartolotti geborene von Waffenberg. Bei allen diesen 
Taufakten wird der Name des Vaters stets D. LuDOViCüS DE BlEL — DEBIEL 
geschrieben. 

Seine Gattin stirbt am 9. August 1723 mit Hinterlassung eines Testamentes 
de dato 19 Dez. 1702 und wird bei dieser Gelegenheit ihrem Gatten der Titel 
„Kais. Landrath im Herzogthum Krain^' beigelegt. Sie wird eine geborene 
FOCKHIN VON Wepp genannt, und starb 58 Jahre alt in ihrem obigen Hause, 
welches nunmehr laut testamentarischer Anordnung ganz in das Eigenthum ihres 
Gatten übergegangen ist. 

Er überlebte seine Gattin um 21 Jahre und starb am 8 Juli 1742 in dem- 
selben Hause, im Alter von jy Jahren. Auch jetzt wird er nicht mehrHofmaler 
betitelt, sondern : 

„Herr Franz Ludwig de Biel, weyl. der Röm. Kay. May. Land-Rath 
und Waldmeister im Herzogthnm Krain, auch Burger". 

Erst im Jahre 1752 wurde sein Sohn Ernst mittelst Regierungsdecret 
als Universalerbe an die Gewöhr^) dieses Hausesgeschrieben, welches nachseinem 
Tode (1758) seiner Gattin Maria Anna geb. Webersingin (f 1768) heim- 
gefallen ist. 

lm Jahre 1778 wurde dieses Haus um den Sch^tzungspreis von 34700 fl. 
etngelöst und der K.K. Schranne am Hohen Markt einverleibt. 

Gaspar Jacob yan BoIêst. 

Auch dieser Malername wird in der wunderlichsten Form geschrieben 
VON Baast, von Pass, von Paast, von Baass und von Past. Dass es „van" 
heissen soll, steht ausser Frage, wie aber der eigentliche Name lautet, darüber 
soU in diesem so wie in den anderen zweifelhaften Fsillen das Mutterland 
entscheiden. 

Die erste Nachricht fïnden wir in den Trauungsbüchern von St. Stephan: 

^} Grundbuch. 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 23 

„1695 cop. est 23 Januarii. Der ehrbar Caspar Jacobus von Boëst, cin 
Mahler aus Antwerpen geb. mit der ehr- und tugendsamen Maria Elisabeth 
Settlmayerin, eines Weissgarbers zu Freisingen Tochter. Testes: SiMON 

DlBERGER, MATHIAS LEHNHERR. 

Warum diesem Niederl^nder, trotz seines j^voN" der simple Titel „der 
ehrsame'' wie es sonst jedem Handwerker zu jener Zeit gebührte, gegeben wird 
und nicht j^der wohledle", wie es bei seinen anderen Connationalen üblich, 
war, mag vielleicht doch in dem Umstande gelegen sein, dass dieser Herr 
VAN BOEST nicht gar in seinem Kunstfache excellirte, wie er dann auch spAter 
das „Burgerrecht" erwarb, also in die ^Maler-Zunft" eingetreten ist. 

Am 23 Sept. 1695 taufit er sein erstes ICind : Maria Anna Rosina in 
der St. ÜUrich-Pfarre. Er wohnt am Neubau und der burg. Goldschmid Georg 
Rehrl mit Gattin sind seine Taufpathen. 

Am 27 Sept. 1697 wird ihm ein Sohn Georg Tobias geboren. Die- 
selben Taufpathen. 

Am 7 April 1702 wohnt er am Spittelberg beim weissen Adler und tauft 
ein Kind: JOHANN Stephan. Diesmal lemen wir als Taufpathen einen neuen 
niederl^ndischen Maler kennen, den JOHANN r. Egg, ein Mahler, mit seiner Gattin 
SOPHIA SiDONlA. Wir werden auf ihn zurückkommen. 

lm Jahre 1704 wohnt V. PASS in der Vorstadt Rossau, wo ihm sein Sohn 
Stephan stirbt, und im Jahre 1707 ein fünf Wochen altes Töchterlein. 

Laut dem Wiener „Bürgerbuch" im Stadt. Archiv hat CaspaR VON Baass 
zugleich mit dem Maler Franz Canton am i. Juli 17 12 für das Schotten- 
viertel zu welchem Sprengel die Rossau gehorte, den Bürgereid abgelegt, nach- 
dem er am 17. Juni desselben Jahres seine Tochter Maria Anna VON Passin 
an den Maler Carolus Albertus Seitz, einen Breslauer, verheirathet hatte. 
Francesco Canton war Trauzeuge mit dem Goldarbeiter Anton Stolz. 

JOHANN VAN EGGE. 

Ihn haben wir bereits als Taufpathen des Vorigen kennen gelernt. Er 
kommt nur noch einmal gelegentlich seiner Trauun^ in meiner Regestensamm- 
lung vor: 

.^^1699 cop. est den 18 Octobris. Der Edle und Kunstreiche Herr Johann 
VON Egge, ein Maler, zu Antwerpen gebürtig, mit der Edlen und gestrengen 
Frau SOPHiA Sidonia von Hirrenheim, eines Rittmeisters Wittib. Testes: 
Marches Vorchont und H. Franz Vesterhoffer, Kays. Jubilir." 

Marx, odcr wie er ein anderes mal unterschreibt Narcis FORCHONDT war 



U DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 

eben&lls ein angeschener Juwelier und fungirte als Testameotszeuge dem LuDWiG 
Baron BuRNAcmi, Kais. Hof-Architekt. Man sieht, van EgG£ bewegte sich in 
vornehmer Gesellschaft, und wenn er es nicht verschmahte, dem van Boest 
Gevatterdienste zu leisten, so war ihm der letztere doch auch in der Kunst nicht 
unebenbflrtig. 

Ob der Maler 

Franz Ferdinand von Geer 

auch hieher gehort, ist zumindest höchst warscheinlich, schon mit Rücksicht auf 
diess r,V0N'* welches bei* Wiener Künstlem stets ftlr „VAN*' zu gelten hat. Ich 
setze daher die gesammelten Notizen uber denselben hen 

In der Leopoldst^dter Pfarrktrche wurde am 24. November 1697 getraut 
„der ehrengeachte Herr und Junggesell Franz Ferdinand von Geer, seiner 
Kunst ein Mahler, mit der Maria Rosina Gölschin. Testes: Nicolaus 

MiLICH, JOHANN PHILIPP MILICH". 

Die beiden Trauzeugen waren bürgerliche Maler, ersterer auch Haus- 
besitzer in der Leopoldstadt, und es ist anzunehmen, dass vON Geer sein Schuier 
war und in seinem Hause wohnte. Die damaligen Meister fungirten gewöhnlich 
ihren Gesellen als Trauzeugen. Der jüngere MIUCH, Johann Philipp, starb 1710, 
58 Jahre alt. Sein Sohn Franz ist als Karten-Maler bis um 1750 th&tig. 

ünser VON GEER wird Wittwer und heirathet am 21. October 17 14 
daselbst zum zweiten Male: 

„Der Kunstreiche Herr Franz Ferd. von Ger, ein bürgerlicher Maler, 
Wittiber, Cl AR AM Apolloniam Reidingerin. Sponsus hic semper/' Er 
wohnte dort beim weissen Kreuz, wo er in den Jahren 1707 und 1709 zwei und 
17 15 noch ein Kind durch Tod verlor. In den TodtenprotokoUen wird er zur 
Abwechslung einmal v. G&HR, dann Gehr und Geer geschrieben. Er verhei- 
rathete noch am 3a Juni 1722 seine Tochter Maria Magdalena (aus erster Ehe) 
an den Maler JOHANN Bernhard MArschner, aus Dux in Böhmen gebürtig, 
wahrscheinlich seinen Schuier undjstarb im November desselben Jahres, 49 Jahre alt. 

Franz Heinrich Erich. 

Nur ein einziges Mal komt dieser Meister in den Wiener Quellen vor, und 
zwar in den Trauungs-Matrikeln der St. Ullrtch-Ffarre : 

^1699 (Aprilis 22). Herr FRANZ Heinrich EricHi ledig, ein Mahler, ge- 
bürtig von Antwerpen aus Brabant, des seeligen Octavian Erich, und Johannae 
noch im Leben, ehelicher Sohn, nimbt zur Ehe die ehrentugendreiche Frau 



DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 25 

• 

Martha Mayrin, weyland des ehrenvasten und kunstreichen Herrn Philipp 
Jacob Mayr seeU gewesten Kupferstechers Wittib. Copulatus est 4 Maii. Beide 
wohnen am Spittelberg. Testes : Mathias Wimmer b. klein Uhr-macher, 
Herr Johann Kleinschmid b. Uhrmacher, Herr Franz Ettich b. Goldschmid 
und Herr Petrus Alweins ein Mahler/' 

Was den letztgenannten Maler anbelangt, dürfte derselbe auch ein Bra- 
banter gewesen sein. lm Jahre 1709 stirbt ihm ein vier Wochen altes Kind in 
der Wahringergasse und am 26. November 17 11 stirbt er selbst auf dem Neu* 
stift im 45ten Lebensjahre und wird diesmal Peter Alebens» das erste mal aber 
Allowenz in den Todtcnprotokollen geschrieben. Seine Wittwe Anna Süsanna 
heirathet am 20. November 17 12 den Bildhauer Stephan Wecky, von Trient geb. 

Caspar von Pein. 

Am 2. Pebruar 1700 heirathet SusANNA Clara Peinin, Wittwe nach dem 
Caspar von Pein, gewesenen Mahler zu Krumau in Msihren, den burg. Bildhauer 
und Wittwer Franz Georg JüPPECK. Krumau gehorte, wenn ich nicht irre, dem 
Fürsten Schwarzenberg, wo sein Schloss wiederholt Wiener Künstler besch£lftigte. 
Möglich dass auch unser DE Pein dort zu thun hatte, oder in fürstlichen 
Diensten gestanden ist, Ich finde im Todtenprotokolle eine Eintragung, von 
welcher ich halte, dass sie unseren DE Pein betrifit. Es heisst dort: ,,1699 den 
18. Juni ist der Caspar DE Panny, ein Maller, im flirstl. Liechtensteinischen 
Hause am alten Bauernmarkt, 52 Jahre alt, beschaut worden''. Das ist ausser 
Zweifel unser DE Pein, welchen ich auch bloss seinem Namen nach unter die 
Niederl&nder einreihen möchte. Er hat seine Kunst auf seinen Sohn vererbt, 
welcher in Wien geboren, im Jahre 1725 am 28. Januar hier geheirathet hat: 
„Der ehrengeachte und kunst reiche Herr Otto Sigmund DE Pein, Maler, mit 
Anna Maria Kastnerin. 

Da hiemit das XVII. Jahrhundert in Bezug auf die Niederl^ndischen Meister 
was meine Quellen anbelangt erschöpft ist, nicht aber auch in Wirklichkeit, 
da viele Niederl^nder ausserdem noch theils passager hier geweilt, theils deren 
Spuren von niir noch nicht entdeckt wurden, theils mangels der Angabe ihrer 
Abstammung und Herkunft nicht mehr als solche zu eruiren waren, so mussich 
einen nachtr£lglichen Fund noch hier einschalten. 

In der zweiten Folge meiner Mitteilungen habe ich (Bd XXIII, S. 11 1) den 
Johann Karl Courte erwahnt und seine Nachkomenschaft aufgezahlt 

Nun findet sich bei St. Stephan auch sein Copulationsakt vor, welcher 

lautet: 

Oud'Hoüand^ 1907. 4 



' :»* ^ i 




Ob 



Makia Roscul Gfltsrwnc Testes: Xbcocjlcs 



JOHAXV FBiLirr Miucu* 






5$ T 



Jo 



SOK I73Q thftrag. 

17 



HcTT FlLASCr Fkkd. to2C Gsx» es biirger k hcf 



r Er 




S^G^ esd stvb te NorcMber dess«ibeflt J.x&ves^ ^ Jakve ak. 



Mal ko^ 



Meister is dea Wii 



r* ' ' ^ 




DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 25 

• 

Martha Mayrin, weyland des ehrenvasten und kunstreichen Herrn Philipp 
JacOB Mayr seeU gewesten Kupferstechers Wittib. Copulatus est 4 Maü. Beide 
wohnen am Spittelberg. Testes : Mathias Wimmer b. klein Uhr-macher, 
Herr Johann Kleinschmid b. Uhrmacher, Herr Franz Ettich b. Goldschmid 
und Herr PetrüS Alweins ein Mahler." 

Was den letztgenannten Maler anbelangt, dürfte derselbe auch ein Bra- 
banter gewesen sein. lm Jahre 1709 stirbt ihm ein vier Wochen altes Kind in 
der W&hringergasse und am 26. November 17 11 stirbt er selbst auf dem Neu* 
stift im 45ten Lebensjahre und wird diesmal PETER Alebens, daserste malaber 
Allowenz in den TodtenprotokoUen geschrieben. Seine Wittwe Anna Susanna 
heirathet am 20. November 17 12 den Bildhauer Stephan Wecky, von Trient geb. 

Gaspar von Pein, 

Am 2. Pebruar 1700 heirathet Susanna Clara Peinin, Wittwe nach dem 
Gaspar von Pein, gewesenen Mahler zu Krumau in Msihren, den bOrg. Bildhauer 
und Wittwer Franz Georg Jüppeck. Krumau gehorte, wenn ich nicht irre, dem 
Fürsten Schwarzenberg, wo sein Schloss wiederholt Wiener Künstler beschSlftigte. 
Möglich dass auch unser DE Pein dort zu thun hatte, oder in fürstlichen 
Diensten gestanden ist. Ich finde im TodtenprotokoUe eine Eintragung, von 
welcher ich halte, dass sie unseren DE Pein betriflt. Es heisst dort: ^1699 den 
18. Juni ist der Gaspar de Panny, ein Maller, im fiirstl. Liechtensteinischen 
Hause am alten Bauernmarkt, 52 Jahre alt, beschaut worden". Das ist ausser 
Zweifel unser DE Pein, welchen ich auch bloss seinem Namen nach unter die 
Niederlander einreihen möchte. Er hat seine Kunst auf seinen Sohn vererbt, 
welcher in Wien geboren, im Jahre 1725 am 28. Januar hier geheirathet hat: 
„Der ehrengeachte und kunst reiche Herr Otto SigmüND de Pein, Maler, mit 
Anna Maria Kastnerin. 

Da hiemit das XVII. Jahrhundert in Bezug auf die Niederl&ndischen Meister 
was meine Quellen anbelangt erschöpft ist, nicht aber auch in Wirklichkeit, 
da viele Niederlander ausserdem noch theils passager hier geweilt, theils deren 
Spuren von mir noch nicht entdeckt wurden, theils mangels der Angabe ihrer 
Abstammung und Herkunft nicht mehr als solche zu eruiren waren, so mussich 
einen nachtr^glichen Fund noch hier einschalten. 

In der zweiten Folge meiner Mitteilungen habe ich (Bd XXIII, S. 11 1) den 
Johann Karl Gourte erwahnt und seine Nachkomenschaft aufgezahlt 

Nun findet sich bei St. Stephan auch sein Gopulationsakt vor, welcher 
lautet: 

Oud'Hoüand^ 1907. 4 



26 DIE NIEDERLANDER IN WIEN. 

„1696. cop. est 30 October. Der Kunstreiche HcitJohannKarlKurte, 
ein Nfahler, allhier geburtig, mit der Ehr- und tugendsamen Jungfrau Johanna 
VON Haim, weiUend des Herrn Heinrich von Haih gewesten Steinhauers zu 
Berg in Niederland und Maria ehel. Tochter. Testes: AmtoniüS Schonjantz 
und Live Bodzlain". 

Obgleich eïn geborener Wiener, ist er sich seiner niederUlndischen Ab- 
stammurg bewusst, nimmt eïne Niederlanderin zur Frau und halt fest zur nie- 
derlïndlschen Kanstlerlcolonie , weicbe hier in nationaler Abgeschlossenheit 
lebte und nur ïn den seltensten FaUen in dem Wienertum aufging, denn ausser 
der Familie voN Geer — wenn sonst sie wirklich niederlftndischer Herkunft 
sein sollte — welche hier heute noch bluht (im XVIII. Jahrb. finde tcb 1790 
einen Reichsritter MiCHAEL VOH Geer als stftdtischen Buchhalter) vermag ich 
kaum noch auf einen oder den anderen Fall hinzuweisen. 



KEIZER AUGUSTUS IN DEN HAAG 



DOOR 

jHR. Mr. victor de stuers. 



EN studentenmaskerade heeft onlangs Gerhanicus in de 
stad Utrecht laten rondwandelen. 

Om Keizer AUGUSTUS in den Haag te zien, moet men 
naar het Stade 1-Museum te Frankfurt a.M. gaan en het 
schilderstuk gemerkt No. 97 in oogenschouw nemen. Dit 
zeer fraaie paneel, boc^ 69, breed 85 centimeter, is toe- 
geschreven aan Dirk Bouts, een te Haarlem — men weet 
niet juist wanneer — geboren schilder, die in 1450 te Leuven, de toenmalige 
hoofdstad van Brabant, gevestigd was, en aldaar in 1475 stierf. 

In de middeneeuwen verhaalde men een aardige legende, volgens welke 
de Tiburtijnsche Sibylla aan Keizer AUGUSTUS de geboorte van Christus zou 
hebben medegedeeld. Dit verhaal is het onderwerp van de schilderij van Dirk 
Bouts ; men ziet er de Sibylla die den op de kniefin gevallen Keizer de 
H. Maagd vertoont, zwevende in de lucht en het goddelijk kindje dragende; 
rondom den Krizer staan twaalf leden zijner hofhouding, blijkbaar allemaal por- 
tretten. Archaelogie was in de XVe eeuw onbekend; de schilder zag er dan ook 
geen bezwaar in, om zijn personaadjes te malen in de kleederdracht van zijn eigen 
tijd, volgens de mode aan bet weelderige Bourgondische Hof gebruikelijk. Ook 
voor de omgeving miste hij oudheidkundige gegevens; hoe het Roomsche Patatijn 



28 KEIZER AUGUSTUS IN DEN HAAG. 

er zoo wat uitgezien had, wist hij niet. Hij heeft daarom zijn toevlucht genomen 
tot een paleis in zijn onmiddellijke nabijheid en wel tot het Haagsche grafelijke 
Hof, dat toen een paar eeuwen oud was; vermoedelijk — zoo zal hij gedacht 
hebben — zag het paleis der Romeinsche Keizers er ongeveer ook aldus uit. 
Dat hij niet het kasteel te Leuven of het Hof te Brussel tot leiddraad nam, mag 
doen veronderstellen, dat hij het stuk schilderde vóórdat hij naar Brabant trok^ 
dus vóór 1450. 

Hij heeft derhalve het visioen van Keizer AUGUSTUS voorgesteld met het 
Haagsche Hof als achtergrond. Men zou evenwel teleurgesteld worden, als men 
verwachtte een getrouwe afbeelding van dit Hof te zien, welke alsdan de oudst 
bekende zou wezen. Neen, de schilder heeft zich menige ingrijpende vrijheid 
veroorloofd. 

De toeschouwer wordt verondersteld, te staan op de plek, waar thans de 
Tweede Kamer is, en te zien naar het Noorden; doch daar de schilder ab achter- 
grond een ruime perspektief verlangde met een landschap, heeft hij het toen 
ter tijd overigens onaanzienlijk gebouw, dat tusschen Binnen- en Buitenhof stond, 
weggelaten, en de twee Hoven tot één gemaakt Zoodoende kon hij links de 
Gevangenpoort laten zien, dan een doorkijk over den vijver naar de duinen, in 
het midden den vleugel, thans door de Eerste Kamer ingenomen, en rechts de 
Groote Ridderzaal. 

De Gevangen- of Vóórpoort bestaat alleen uit het poortgebouw, met — aan 
de Westzijde — een traptoren, ongeveer ter plaatse waar zich thans nog de 
trap bevindt. Het westelijk gevangenisgebouw ontbreekt, hetzij omdat het toen 
(circa 1450) nog niet opgetrokken was, hetzij omdat de scliilder het eenvoudig 
heeft willen weglaten. 

Vóór de poort ligt een houten brug en verder een steenen boogbrug; de 
beek vormde dus een gracht vóór de poort. 

Het Buitenhof is aan de vijverzijde gjesloten door een gekanteelden muur. 
De Noordelijke vleugel bestond destijds vermoedelijk uit een zwaar, eenigszins 
torenachtig gebouw aan den N.W, hoek en uit een serie woonvertrekken, tegen 
de Zuidzijde waarvan een open gaanderij was aangebouwd (thans Eerste Kamer). 
BOUTS heeft den toren naar eigen inzichten geconstrueerd, de gaanderij van steen 
geacht en geplaatst onder den gevel. 

Voorts vindt men het gebouw, dat oorspronkelijk dezen vleugel verbond 
met het front der Groote Ridderzaal. 

Deze laatste zaal mist haar traptorens, doch heeft den stoep met dubbele 
trap, welke blijkens de rekeningen in 1376 — 1377 werd verbouwd ter vervanging 
van de oorspronkelijke enkele trap, die men bij de laatste restauratie herplaatste. 



KEIZER AUQUSTUS IN DEN HAAG. 29 

Daarboven vindt men echter niet de vertrekken welke later uit plaatsgebrek 
boven de stoep werden gesticht, maar daar is een op twee steenen zuilen rus- 
tend afdak, in aanleg vrij wel overeenkomend met dat wat er omstreeks 1879 
werd gezet. 

Om het antieke aanzien van het paleis te verhoogen, heeft de schilder 
een aantal vensters met zuiltjes in tweeen verdeeld, een constructie welke hij zal 
ontleend hebben aan de tegenwoordige Rolzaal, welke ook hem bekend zal ge- 
weest zijn als ouder dan al de overige gebouwen. 

Uit het bovenstaande blijkt dat men niet te doen heeft met een getrouwe 
afbeelding. Mocht intusschen twijfel rijzen, ot het wel het Haagsche Hof is 
geweest dat de schilder voor den geest zweefdei dan is er een bijzonderheid welke 
allen twijfel wegneemt; vóór de Ridderzaal ziet men een beer (ursus ferox) aan 
een ketting liggen. Het denkbeeld om hier zulk een beest te plaatsen kan alleen 
opgekomen zijn bij iemand, die den Haag bezocht had. Het is toch bekend, dat 
gedurende langen tijd die van Utrecht verplicht waren jaarlijks een beer, dat is 
een mannetjes-varken, aan den Graaf ten geschenke te geven; dat dier werd dan 
eenigen tijd aan een ketting op het Binnenhof tentoongesteld, tot groot vermaak 
van de Haagsche jeugd, welke het met allerlei scheldwoorden overstelpte, en tot 
groot verdriet van die van Utrecht, welke door dat gejoel zich erg getergd 
voelden. Wat de oorsprong van dit jaarlijksch geschenk mag geweest zijn, is 
onzeker, maar dit staat vast, dat het als een teeken beschouwd kon worden van 
's Graven vorstelijke waardigheid. 

BoUTS zal gedacht hebben, dat het passend was ook in het paleis van 
Keizer AUGUSTUS zulk een symbool van souvereiniteit te laten zien, maar een 
gewoon zw\jn kwam hem te vulgair voor, en zich beroepende op de dubbele 
beteekenis van het woord ^beer" heeft hij een ursus ferox geschilderd. 

Het is wel jammer, dat onze Regeering in 1870, toen deze zeer fraaie 
schilderij met de galerij Brentano-Birckenstock te Frankfort verkocht werd, 
niet getracht heeft haar voor het Mauritshuis te verwerven. Maar in 1870 dacht 
niemand er aan, onze kunstmusea aan te vullen. 




?' 



CORNELIS VAN OVERSTEGE 



DOOR 

J. L. VAN DALEN. 



I EDERT Roeher Visscher zijne Brabbeimgk uitgaf, is bij vele 

Hollandsche dichters der I7« eeuw een groote lust tot het 

schrijven van puntdichten op te merken. Met Huygens aan 

het hoofd, zien we Gerard Brandt, Jereuias de Decker, 

"i Jan Vos en anderen met zekere voorliefde het epigram beoefe- 

^ nen, en nu eens wordt aan dezen, dan aan genen de naam van 

Hotlandschen Martialis geschonken. Maar ook onder de Dordtsche poëten vindt 

men iemand, dte bij den Latijnschen puntdichter vei^eleken wordt, nl. CORNEUS 

VAN OVERSTEGE. 

Mr. Adriaan van Nispen schreef onder zijn beeltenis: 

yfieer OVERSTEGE kier: die ent kort-scherpt taaJ, 
in Holland werdt benaamt den tweeden Martiaat', 

en Mr. Johan VAN Someren schreef van hem: ^^Soo schatert kier Oudt-Dordrechts 
Martiaal" terwijl J. Cabeljau zei: y,Het is of Martiaal wéér uit syn graf 
verrees" en; yfÜj sijt ten Martiael in kortheit en in stof', 

In de volgende bladzijden willen wij nagaan, of die lofdichters recht hadden 
zoo over hunnen tijdgenoot te oordeelen. Vooraf ga eerst een en ander over 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 31 

den persoon zelf. Veel is over hem niet geschreven. In Balens Beschryving 
van Dordrecht wordt hij genoemd onder de y,Geleerde Mannen van Dordrecht," 
met vermelding van zijn waardigheden, werk en portret Mr. JACOBUS SCHELTEMA 
wijdde een bladzijde aan hem in het derde deel, derde stuk van zijn y^Gtschied- 
en Letterkundig Mengelwerk^'' (blz, 130). Dr. G. D. J. Schotel breidde dit 
bericht uit in een artikeltje in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1848, 
blz. 403 — ^408. Sedert werd dit, meer of minder beknopt, overgenomen in ver- 
schillende woordenboeken als van der Aa, Kobus en de Rivecourt enz. Er 
schuilen evenwel enkele onjuistheden in. 

^CoRNELis VAN Ovërstege", zegt Dr, Schotel, y,was een afstammeling 
uit een deftig Dordtsch geslacht^ dat aanzienlijke regeeringsposten bekleedde.** 
Het is waar, dat er een Dordtsch regeeringsgeslacht van dien naam bestaan heeft. 
Men behoeft de schepenenlijst bij Balen slechts op te slaan, om te zien, hoe 
menigmaal Pieter, Jacob Pieterszoon, Adriaen, Jan Vastraatszoon en 
HuGO Pieterszoon van Overstege in de vijftiende en zestiende eeuw den 
Dordtschen Schepenstoel bezeten hebben. In de tweede helft der zestiende eeuw 
eeuw komt de naam te Dordrecht nauwelijks meer voor. Ik vond nog vermeld 
tusschen 1553 — 54 Clara van Overstege en Cornelia Vastraetsdr. van 
Overstege. Indien dit geslacht hetzelfde is als dat van den dichter, dan is het 
waarschijnlijk door de troebelen der zestiende eeuw achteruitgegaan. Het verliet 
Dordrecht en vestigde zich elders, o. a. te Dussen. Het geslacht voerde volgens 
een oude lijst van wapenbeschrij vingen, berustende in de bibliotheek der gemeente 
Dordrecht „drie swarte gaende gansen of eenden, 2 boven i onder op een veld 
van silver". Op zijn portret in zijn dichtbundel voert VAN Overstege drie pape- 
gaaien of valken (?) 2 — i naar links ziende en een harttschild, waarop een ossekop, 
terwijl op de Wapcnkaart der Oudraden of Vroedschappen door Mr. W. VAN DER 
Lely de drie zwarte vogels, zeker geen ganzen, eenden of valken, naar rechts 
zien, en het hartschild van goud en de ossekop rood is. Wat nu het juiste 
wapen is, kan ik niet beslissen. In het Armorial général van RIETSTAP wordt 
opgegeven: y^dargent it trois oiseaux de sable^ h Vicusson d^or^ en abime chargé 

dun rencontre de boeuf de gueule*\ Een schepenzegel van een der VAN Overstege's 

• 

^s mij niet bekend. Het komt mij voor, dat de teekening op het portret foutief 
moet geweest zijn; waarom zou men anders het wapen uit de koperen plaat 
geslepen hebben ? 

De vader van CoRNELis van Overstege was geen geboren Dordtenaar. 
Hij was geboren in 1589 (bij zijn verkiezing tot Acht in 1637 wordt opgegeven 
dat hij 48 jaar was) en bij zijn huwelijk te Dordrecht, 13 April 1614 heet hij 



82 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

„GUILLAUME VAN OVERSTEEGH WlLLEMSZOON VAN DüSSEN". Hij trOUWde toCn 

met Maria de Witt, geb. ii Mei 1589, dochter van Cornelis de Witt en 
Jacomina van BevêREN. Uit dit huwelijk werd in Juli 1616 een dochtertje 
Cornelia geboren, maar de moeder stierf reeds 21 Juli 161 6 in het kraambed. 
Bij de doopacte van het kind werd de volgende nota aangeteekend : ^Dat dit 
kindt van WiLLEM VAN OvERSTEGE na hei overlijden van sijne huisvrouwe op 
begeerte van de grootemoeder Jaqüemvntke de Wit, genoemd is geworden 
Maria, ^twelck sij begeert hebben^ dat alhier gestelt sonde worden pro memoria*\ 
Het kind overleefde de moeder niet lang: 8 Juni 1617 overleed het reeds. 

Willem van Overstege hertrouwde 16 Augustus 16 19 te Oosterhout 
met Barbara van Rven, dochter van Johan, schout en kastelein der vrije 
heerlijkheid Oosterhout en N. (Cornelia?) Meulen. Uit dit huwelijk werden, 
voor zoover ik kon nagaan, 3 kinderen geboren: nl. Maria, gedoopt Jan. 1622, 
maar zeer jong overleden, daar Willem van Overstege in het kohier van het 
hoofdgeld van 1622 alleen vermeld wordt met zijne vrouw en dienstbode; 
Cornelia, gedoopt Juni 1623, den 15 Nov. 1648 te Dubbeldam gehuwd met 
den notaris CORNELIS VAN BijWAERT, en CORNELIS, gedoopt Januari 1626. 
Deze laatste werd volgens eigen getuigenis op tweeden Kerstdag (1625) geboren; in 
een vers aan juffrouw Engel Molenschot, die twee jaar ouder was dan hij, zegt hij: 

„Op d^eersten Kersdach, als den Engel quam verkonden 
Aan d'Herders op der Aard' 
't Geboorte van ons waard'- 

gen Heylandt Jesus Christ', en ik, kort na die stonden. 
Juyst op den tweeden dagh, door mijn vruchtbare moeder, 
Naast Godt den Albehoeder, 
Het leven hier genoot, 
Een tweeden Engel dit haar herder doen ontbood''. 

De oude Willem van Overstege, was door zijn eerste huwelijk in den 
kring der regeerende Dordtsche famili^n opgenomen, en zag zich weldra meteen 
aantal waardigheden en ambten bekleed. In het op hem door zijn zoon vervaar- 
digde grafschrift, heet het, dat hij „/ Zedert 1622 Schepen was van Zuid- holland'^) 
en in Dordregt; en des-wegen Hoog-heemraad van den Alblasser-waard^ Water^ 
graaf in den Neder-waard^ Dijkgraaf^ Hoog- en dij k-heemraad in verscheide 
PolderSy Penninkmr. van de H, S, en B. Waarden^ etc.** Bij gebrek aan lijsten 
kunnen we dit alles niet controleeren, maar zeker is, dat hij van 1634 tot 1638 
onder de Goede Lieden van Achten voorkomt, dat hij in 1638 — 39, 1645 — 46 
en 1651 tot de vijf bij de Schepenen gevoegde Raden behoorde, en in 1652 en 



) bedoeld wordt Mansman van den Hove en Hooge Vierschaar, 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. , 38 

53 Schepen was. Kort daarna moet hij overleden zijn, maar de juiste tijd is 
nog niet bekend. Zijn grafschrift luidt: 

„A\ quam syn* Stamm* nu op, nu neder, 
Oat sijn' en elkx Geslagten zyn gewoon. 
Werd wel beknelt, gevelt een* ceder, 
Gelyk een R^k, een Koning, Kroon en Troon; 
God, die 't lot gaf, kan 't anders geven. 
En d'afkomst doen in staat, in eer en meer'. 
Als hj of sj oit was, herleven: 
Naer droeve lugt en zugt, herkomt blj weer.*' 



Van VAN Overstege's jeugd weten we weinig of niets. Hij schijnt de lUustre 
school zijner geboorteplaats bezocht te hebben, wat o. a. blijkt uit zijn kennis 
van het Latijn, maar aan de academie heeft hij niet gestudeerd. Dat er onder 
de in zijn gedichten genoemde Dordtsche jonge dames verscheiden zijn, op wie 
hij korter of langer tijd verliefd was, is wel zeker. Welke betrekking hij bij 
zijn eerste huwelijk uitoefende, wordt niet vermeld. Na den dood van zijn vader 
volgde hij dien op in een aantal van diens bedieningen. Zoo vinden we hem al^ 
Watergraaf in den Nederwaard, Dijkgraaf op den grond van de Myle en de 
Crabbe, in den Zuidpolder van Dubbeldam, Heemraad van Oud-Dubbeldam en 
den Merwedepolder, Hoogdijkheemraad van Mijnsheerenland van Moerkerken, enz. 
Eerst in 1660 werd hij door de Staten van Holland tot Mansman van den Hove 
en Hooge Vierschaar van Zuid- Holland benoemd, nadat hij gedurende enkele 
jaren op de nominatie had gestaan. Acht of Schepen is hij niet geweest, misschien 
wel tengevolge van de groote affiniteit tot andere leden der regeering als CORNELIS 
VAN BijWAERT, gehuwd met zijn zuster Maria, Hugo Repelaer, gehuwd met 
Margaretha Cools, Wouter Cools, gehuwd met Lucia Repelaer. 

Van Overstege is tweemaal gehuwd geweest. Den 14 Febr. 1649 staat 
in het trouwboek der Greref. gemeente aangeteekend : 

gCORNELIS VAN OVERSTEGEN WiLMSZOON, j. m. en JOHANNA COOLS 

Arnoldusdochter, y. rf., woonende in '/ Stever sloot, beide van 
Dordrecht. 

proclamatie Dubbeldam. 
In margine: hebben bescheit^ om op den Ten Martij 16/^^ tot Dubbeldam 
te trouwen!^ 

Joh ANNA Cools was de dochter van Arnoldus Cools en Eva Dirksdr. 
Van zijn erotische poözie, tot juffrouw CoOLS gericht vóór zijn huwelijk 
Oud'Hoüand^ 1907. 5 



34 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

heeft VAN OvERSTEGE een aantal staaltjes bewaard: o. a. ^Aan juffrouw Johakva 
COOLS op zeker Boek haar E. begiftigt^ dat niet veel beteekent. Aardiger is: 
Onnoodige bekommering aan dezelve; hoe op eenige maan- en starretooze avonden 
in V duyster mijn weg vondé"^: 

Vergeeft bekommert gij, Mejoffer, uwe sinnen, 
Hoe dat ik mag mijn weg in 't nare duister vinnen, 
Als Maan of Starr* en blinkt aan 's Hemels gulle-tent : 
Want schoon ik niet en sie Dianaas fakkels blaken, 
Uws oogjens helle gloed mij doet door d'avond raken, 
Die als twee starretjens mg stadig zgn omtrent." 

Verder nog: 

Aan dezelve. 
jyGewenschte CoOLTjEN/om wiens lieve smaakrermaak 
Ik lugte dag en nagt, en daar ik staag na haak\ 
Hoe lang zult gy, 6 roem en bloem van alle Cooltjens 
Toe houden nog de bloem van ziels- en ligbaams-hooltjens? 
't Is lang genoeg: het lang-gesloten eens ontsluit, 
Eln geeft 'er stede 't hert' waarmede gy vrjbuit, 
Dan kan 't gesloten deugd, en vreugd, aan myne jeugd doen, 
Daar 't nu niet, als met smert, kan 't hert en ongeneugd voên". 

i. 

Het huwelijk van den dichter werd door verscheidene Dordtsche poëten 
bezongen, en deze verzen werden door den autheur in zijn bundel (bl. 77 — 88) 
opgenomen. Er zijn verzen ^onder van Karel van Nispen van Aardrijk 
(Eertrvcke), een latijnsch vers van Bernard Pandelaart, Med. Doctor, een 
van S. Vhgi Hoogstraten, een zonder naam, een van Matthys Balen. Veel 
bijzonders omtrent het bruidspaar houden ze niet in; het zijn de gewone lof- 
galmen bij zulke gelegenheden klinkend. Alleen in het niet geteekende vers 
wordt gezegd, zeker met dieperen zin, 

„Hoe OVERSTEGB 

Oit ymand was, hij voelt de Min *er vlam, 
*tWerd zagt en dwee, dat eerst was stuurs en gram, 
En 't wild' en wulps werd zedig, mak en tam, 
O ! veile wegeni" 

Matthys Balen zong: 

„Godt wil U geven Wei-gepaarde 
Sijn rijken zegen op der aarde, 
£n dat de twist hier noit en woont: 
Maar dat de zoete en zaalge Vrede, 
U Huis bestraal', U zaal betrede. 
En 't Dons met olyfbladen kroont. 



»» 




CORNELIS VAN OVERSTEGE. 35 

Doch het huwelijksgeluk was van korten duur. 

Hij woonde in bij zijne schoonmoeder E VA DiRKSDR., wed. Arnoldus 
COOLS, in het Steegoversloot. Uit het Kohier van den 20oen penning over 1652 
blijkt, dat deze voor iiic £ was aangeslagen, welk bedrag bij doleantie te voren 
op 145* gesteld zijnde, werd gebracht op 250 £. Van Overstege's aanslag be- 
droeg slechts 30 £. 

JOHANNA CoOLS bracht den sen Juni 1650 een dochtertje ter wereld, dat 
15 Juni d.a. V. Maria gedoopt werd. 

De vader wijdde aan deze gebeurtenis een vers, omdat op dienzelfden dag 

„ als sy waar in *t licht gebrogt, 

Gaf aanstonds laatsten ademtogt 
(Die ley van koortze ziek te bcdd*) 
Van 's Moeders zyd' haer Moey Alett'; 
En dat tot wonder aller Lien, 
Gewoon Godts werken aan te zien", 

waaruit hij de conclusie trekt: 



jyWij zijn als blaren yan een' boom 
En als de baren van een' stroom.'* 



en de bede uit: 



yGeef Heer vooral, dat uit deez' daad 
Ik en dit kind met volgend' zaat, 
Dogh leeren, hoe het met den staat 
Van 's menschen dood en leven gaat," 

Dit laatste ondervond hij spoedig. De leden der familie CoOLS schijnen 
allen van teere gezondheid te zijn geweest, ^n VAN Overstege's echtgenoote in het 
bijzonder. Nadat zij in het begin van December 1651 wederom een dochtertje 
het leven had geschonken, dat 9 December d. a. v. Elizabeth werd gedoopt, 
overleed zij in Maart 1653, misschien wel na een bevalling, en werd den 24sten 
dier maand begraven. 

In het Register der dooden staat aangeteekend : ^24 Maart 1653 eenbaer 
voor de vrou van CORNELIS VAN OvERSTEGH in het Steeg hover sloot) viermael luyen^\ 

De weduwnaar, die op het portret zijner huisvrouw gezongen had: 

„Dus is mijn tweede ziel, mijn eerste ander Ik, 
Getroffen naar het leven. 
D'aanschouwer niet en blik 
Op schoonheit, die natuir of haai de konst kon' geven: 
Maar op het deugden-schoon, dat in haar wezen praalt. 
Dus vrouw' en maagd pronkt milder. 
En deftiger bestraalt, 
Als 't werrik der natuir, *t of konst- werk van een schilder," 



36 CORNEUS VAN OVERSTEGE. 

schreef nu het volgende vrij koude grafschrift: 

yJOHANNA COOLS van ouds uit *t huis van Lek en Bergen, 
Rust hier in eer en deugd; Gk>dt heeft de ziel' te bergen : 
Die geye haar de rust van 's hemels heerlikheid 
De kroon ^*t genaden-loon den zijnen weggeleit**. 

Een der beide dochtertjes, die hem overbleven, Maria, werd volgens 
Dr. Schotel in een klooster te Antwerpen opgevoed, hetgeen zoo euvel door 
den kerkeraad werd opgenomen, dat hij VAN Overstege het H. Avondmaal 
ontzegde. Een onderzoek in de actaboeken van den kerkeraad geeft over deze 
zaak geen nader licht. De naam VAN Overstege komt er niet in voor. Waar- 
schijnlijk heeft Dr. Schotel op van Overstege toegepast, wat tot een ander 
behoorde. 

Na den dood zijner vrouw werd OVERSTEGE ernstig ziek,- zooals blijkt uit 
een gedicht van Karel VAN NiSPEN: 

„De ware Deugd aan alle kant benepen 
Werd noit door 't tal van rampen overheerd, 
Tuig Dordregt, want dijn waarden Overstege 
Tot wiens verderf den Hemel scheen bereid 
Met al 'tgestamt, heeft al die tegenheden 
En ziekt' en Dood, (wie weet de wederspoed,) 
Manhaftig wederstaan, syn kloeke zinnen, 
En wakk're geest, behielden d'Overhand, 
Zo dat syn glans en Adelyke Zeden 
Roemwaardig blijken". 

Hij bleef tot October 1654 weduwnaar en trad 17 October 1654 te Utrecht 
in het huwelijk met Elisabeth LE Petit, oudste dochter van Mr. Jacob le Pettt, 
bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie ter kamer van Amsterdam, 



9 



gesproten uit de ranken van Fransche en Utrechts bloed*'. 



De huwelijksaanteekening in het trouwboek te Dordrecht luidt: 
„4 Oetober 1654. Uheèr CORNELIS VAN Oversteegh heeren Willemsz., 
Water gr ae ff in de Nederweerd, wdr.^ van Dordrecht^ woonende irit St ever shot ^ 
ende joffr. Elisabeth Le Petyt, j\ d. van Utrecht en aldaer woonende. 
p. schrijven van Utrecht, in margine: ^^hebben bescheyt ontfangen op den lyen 
van October 1654 om tot Utrecht te trouwen* \ In den bundel gedichten wordt 
evenwel gezegd, dat het huwelijk y^den 9 van Wynmaant 1654 bevestigt'* werd. 
Het is ons niet bekend, hoe VAN Overstege aan die Utrechtsche schoone, die, 
blijkbaar haar grafschrift; op Carolüs Rykwaert van Remonstrantsche gevoelens 
was, gekomen is, want uit de minnedichten aan haar gericht, vernemen we niets 
daaromtrent. 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 87 

Hij schreef aan haar : ^an juffrouw Elisabet le Petit over het begif-^ 
tigen van myne Poezy. Dezelve, Op zeker myn van haar Ed vertrek. Dezelve^ 
Op haar Ed Van.Dezelve mij verhalende eenige (van) Haar Ed Poezy, enz. 
(blz. 24 — 30), waarin hij haar vereert met namen als Amstels Sonn, mifnschoone 
Sonn, mijn Puik-idé^ vermogende Diaan^ en telkens speelt met haar naam Petit. 

Ook de bruiloftsverzen op zijn tweede hnwelijk^ werden in den bundel 
gedichten opgenomen. Nu hadden JOHAN VAN SOMEREN (in het Latijn), COR- 
NELis DE Beveren, C. Wttenbogaart, Medisch Doctor, Karel van Nispen, 
Adriaan van Nispen, Matthys Balen, Gosuinus van Duyn en een paar ongc- 
noemden de lier gesnaard. 

Van Overstege's tweede echt bleef kinderloos. In een Naschrift achter zijn 
gedichten zegt hij zelf: 

yliier hebt gg, Lezer, nu van alle stoffe wat, 

En ook van Man en Vrouw, en zoo gij komt te vragen, 

Waarmé bekommert dogh de vrouw haar herssenvat? 

't Waar beter voor haar huis en kinders zorg gedragen; 

Zo dient tot antwoord' op Uw wei-gevoerde reen, 

Lyfs-vrugten heeft haar nog den Hemel niet geschonken 

Des dit haar kinderen en kinder-bezigheen ; 

Van Geestelikke geest en Goddelyke vonken, 

En schoon den nyd haar byt, sy byten niet weerom; 

Dan die den Vader en syn kinderen, will raken. 

Die happen weder toe, en tonen haar niet stom; 

Dat hy Poëtisch pryst, dogh kristelik moet htken". 

CORNELIS VAN OvERSTEGE smaakte ook niet lang genot van zijn tweeden 
echt. Hij overleed 19 October 1662 en werd (!en 20 d. a. v. begraven, blijkens 
het grafboek: yj)en 20en een boer bij de Mattesteygert voor hr CORNS. VAN 
OVERSTEEGH twee mael luyens en wapen 14 gul.'* 

Hij woonde toen in de Wijnstraat bij het Groothoofd naast het huis van 
ds. Christiaan van den Hatert, predikant te Papendrecht. 

Of hij toen nog gehuwd was met Elizabeth le Pettt, ot dat deze toen 
reeds overleden was, weten we niet zeker. Van Elizabeth wordt nergens mel- 
ding gemaakt; noch haar overlijden, noch haar vertrek naar elders is te vinden. 

Maar zeker is, dat op 9 October 1662, dus tien dagen vóór den dood van 
den dichter, in het doopboek staat aangeteekend : 

CORNELIS VAN OVERSTEGE en ANNA ZaLSWIS tk. PETRA. 

Van dit echtpaar vond ik het huwelijk of het doopen van andere kinderen 
niet vermeld. Ik kan dus niet beslissen, of deze CORNELIS VAN Overstege een 
ander persoon was dan de dichter. Is dit niet het geval, dan moet Elisabeth 



88 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

LE Petit zeker in den loop van 1661 overleden zijn en werd het derde huwelijk 
niet te Dordrecht gesloten. Maar dit zijn slechts gissingen, omdat niet bekend 
is ook, hoeveel kinderen VAN OvERSTEGE heeft nagelaten. 

Zijne nalatenschap was niet schitterend. Daar er onmondige kinderen waren, 
autoriseerde de Weeskamer haren Secretaris en Administrateur Dirk van Her- 
wijnen met adjunctie en bijwezen van een der Weesmeesteren zich te vervoegen 
ten huize van den overledene, om te maken staet en inventaris van sijne nagelaten 
goederen, maar de heeren verklaarden een week later, ysd^t aldaar alles zóó 
duyster ende verwart was^ sonder eenige de minste aentey kening e ^ dat de heer 
Berck den Secretaris had belast den sleutel van het Comptoir bij hem te nemen 
en de Heeren Weesmeesteren aan te dienen, hoedanigh de saeke aldaer was ge- 
legen. Veertien dagen daaraan werd den heeren HuGO Repelaer, Woxjter Cools 
en Cornelis van Bywaert als naaste verwanten van den overledene aangezegd, 
op den naast toekomenden rechtdag voor Weesmeesteren te compareeren, om 
gehoord te worden over de gelegentheyt ende staet van Zar CORN» VAN OVERSTEGE. 

Inmiddels was Samuel van der Hevden, onder borgstelling van zijn 
vader Johan van der Heyden en Cornelis van Zevender belast met den 
ontvang van de verponding van de landen in den Mylpolder nog uitstaande en 
verkreeg HENDRIK VAN Slingeland, Secretaris van Dabbeldam en de Myl 
y^soodanige papieren als in den boedel van Overstege bevonden werden^ rakende 
den ambachte van Dubbeldam en de MylJ' (5 Dec. 1662.) 

Hoe het verder met den verwarden boedel gegaan is, komt men niet te 
weten. Alleen werden 9 Maart 1663 in St. Jorisdoel het huis te Mijlwijck en het 
huis op Puttershoek, aan VAN OvERSTEGE toebehoord hebbende, verkocht, en 24 Mei 
d. a. v. het woonhuis in de Wijnstraat voor/ 2 200 aan zekeren HENDRIK WlLLEMSZ^ 
getransporteerd, terwijl in Juli door de administrateuren van den boedel werd 
verklaard, dat de schulden meer dan de baten beloopen zouden, waarom de 
adn»inistrateuren aan het gerecht werden geadresseerd. 

Maar aan de desolate-boedelkamer is de nalatenschap toch niet vervallen; 
daarvoor hebben de Heeren HuGO Repelaer, WoüTER Cools en Cornelis van 
Bywaert zorg gedragen. Zij dienden 21 Dec. 1666 bij het Gerecht een request 
in, waaruit blijkt, dat y^eenige bedenckelijckheyt nopende het adeeren ofte repu- 
dieren van den boedel was gevallen^ dat het Gerecht drie Commissarissen over 
den boedel had benoemd en de reeds genoemde curatoren de schulden^ sooverre de 
effecten conden strecken^ betaald hadden** en dat ze rekening en verantwoording 
van hun administratie hadden gedaan. 

U Is nu sulcXf zegt het request verder, buyten ervaring e dat den voorschr. 
boedel meerder bevonden wert belast te si/n als wel vertrout wierde, soodat 



CORNELIS VAN 0VER8TEGE. 89 

daeraen doek nüt al te kort komen ettde of welgemelte kwdertn van considerabele 
middelen syn geditnt en het derhalvtn wel redelijk is, dat van harentwege sorge 
wiert gedragen tot bewaringe van d'eer van haar vader salr boedelende bijgevolge 
van haer self, soo hebben de vertoonders echler niet willen off derven over tigh 



40 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

die opdracht Uijkt, dat de bundel is een tweede en vermeerderde druk van 
een vorigen. Ondanks alle nazoeken heb ik den eersten druk niet kunnen ont- 
dekken. Mogelijk wordt er op gedoeld in het vers ^Aan Elisabeth le Pettt 
over het begiftigen van mijn Poezij'*: 

Tot een toegang van U gunst, 

Schenk ik U dan eerst dees' kunst: 

Zie niet op de slechte gift, 

Maar op de opregte drift 

Van een toegenegen hert, 

Daar z'u mé geofTert wert." (bk. 25.) 

Hoe het ook zij, die eerste druk schijnt niet zeer gunstig beoordeeld te 
zijn, want in de opdracht van den tweeden vaart VAN OvERSTEGE nog al heftig uit 
tegen y^die vijzers, waantui/sers, alle dingen misprij zers^ Overigens is die op- 
dracht nog al eigenaardig, omdat zij evengoed in vers- als in proza-vorm zou 
kunnen gedrukt zijn, b. v. 

y^Lievers \ en nut meerder liefde Gerievers^ \ der lieffelifke en lieve RijnU' 
rijen^ \ mag ik lij en, \ als naar '/ rechte pit \ en wit \ doelen \ haar gevoelen \ 
te spreken, \ Leken \ wiens geest indien der eenige in haar woont, \ wert betoont, | 
meest door streken^ \ en treken \ om de slegte^ \ en opregti \ hier te beschimpen, \ 
ontglimpen \ en alles verdoemen \ en ontroemen, \ uitgenomen de gebreken \ daarsij 
in steken^ \ moeten wij hiertoe onwaardig noemen.^* enz. 

Het bundeltje bevat verder als voorwerk een aantal lofverzen, als vanden 
Dortschen Schepen Mr. Roeland de Carpentier (latijn), Cornelis de Bevers, 
JOHAN van Someren, een ongenoemde, T. Victorijn, J. Cabeljaü en Joh. 
OSORIN S. S. Thl. Cnd. Het moet ons bepaald verwonderen, dat mannen als de 
drie eerstgenoemden hier de loftrompet staken, en zelfs durfden beweren: 

„Ten spijt van Nijdt en Tijdt 

Sal u d'onsterfiijckheijdt 

Omvoeren in Triomf bg de Nakomelingen, 

Endelen tot U Loon, 

U zangen aen de Goon, 

Die eeuwigh op haer Toon U Lofdight sullen singen/' 

Waarschijnlijk hebben zij de verzen van VAN Overstege beter verstaan dan 
wij, 6f ze niet gelezen. 

De bundel is verdeeld in de volgende afdeelingen: 
I. Juffer-plichten, pag. i — 42. 
IL Bruidlof s-digten, pag. 43 — 104. 
IIL Verscheide lof dikten, pag. 105 — 144. 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 41 

IV. Verscheidt funt-digten, pag. 145 — 166. 

V. Verschelde Geestelikke gedtgten, pag, 167 — 200. ■ 

VI. Geestelikke Gedigten van Elisabeth LE Petit, Aawpr^aw/ va» C. VAH 

OvERSTRfïW. naiT ini — f^i 

De < 

vooral ong( 
verzen zijn 
Het komt 
waren voor 
LE PETIT. 

Hij 

zamen onde 
juffers en 
zijn wel a.t 
ik van een 



Aan 
hangende m 



Maar 
schoonheid 
enz. maakt 

Deze 

maal jaloer: 



42 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

Onder de Dordtsche juffers, aan welke hij verder zijne hoffelijkheden offert, 
behooren: Margaretha de Vries, Levina de Vries, Cornelia van der Meer, 
Jacomyna Vaens, Clara de Witt, Engeltje Molenschot, Elisabeth Cools, 
Petronella Gevers, Judith Asch van Wyck, Adriana Schoor, Corneua 
VAN EscH, Margaretha Boot. Vooral de beide eerstgenoemden komen ver- 
scheidene malen in zijn verzen voor, zoodat het schijnt, of zijn verliefdheid op 
haar gericht is geweest. Zij waren zusters, dochters van Aarnoud de Vries en 
Helena de Vries THOMASdr. Margaretha moet van buitengewone schoonheid 
geweest zijn. Overstege maakte een vers op haar naam, in de beteekenis van 
jy parel," op haar geestig zingen: 

jiMaar zij, wanneer s'ontbind haar zoete tover-stem, 
De Goden trekt tot haar, en dwingt de stervelingen/* 

op haar schilderij: 

yHier heeft *t pinceel vertoont de aardige Margriet, 

In ailes net besneèn. 

Wie dat 'er dus besiet, 
Ziet Fallab, Cypris, Jun' ook alle drie meteen.*' 

Maar hij klaagde ook bij haar afsterven: 

j^Hler lelt u gulle Son', ontstraalt van hare gloor, 
Hier leggen (daar gij zo wêergadeloos op stoften) 
All' haar bevallighêen tot aard-verrotte schoften ; 
Die uitgekipte stem\ daannêe zij tot gehoor 
. Kon trekken onse ziel' v^ bovenaardsche vreugd, 
Die vliegt, ach leider! dus met eenen asem henen;'* 

en haar grafschrift luidde: 

^Noit Ooster-peerel heeft in zulken glantz ontfonkt, 

Als Deez' met lighaam 't graf, en ziel t gestarnt' oppronkt.** 

Cornelia van der Meer was de dochter van Mr. Abraham van der 
Meer en Maria van den Corpüt en trouwde 30 Juli 1659 ^^^ Nicolaas 
ViVIEN, raadpensionaris van Dordrecht. 

Jacomyna Vaens, dochter van den schepen en later thesaurier Cornelis 
Vaens, huwde met Svmon van Slingelandt in April 1654. 

Clara de Witt, dochter van Johan de Witt en Adriana van Heddc- 
HüYSEN, huwde met 's dichters vriend JOHAN VAN SOMEREN 18 Sept. 1646, maar 
overleed reeds 5 Febr. 1647. Van Overstege roemde haar, omdat zij in zijn gedich- 
ten ytlüAt en glans*^ vond: 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

,Soo licht il ia mijn diobt, 6 aUer-klaante klaarheitl 
Is 't niet van eiger glans, maar Elara in der wbarheit 
Her>kootmt het uit het licht djn's klaren oogenstranl; 
Die soo mijn dicht verlicht, met syn verplichte luister. 
Is 't wonder? neen: want xelfs ben ik ala heel in duister, 
Zoo haast 'k dlieldre blik mis' van dat soet onthaal" 



44 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

jyNu heeft hij 't scheepjen uit de zee 
Gkbragt aan een behoude Ree" ; 

werkt dit beeld verder uit en zegt dan: 

j,G9 zjt nu meester van de boot 
Men zag daar wezen noit piloot 
In d'allerminste nood van dood." 

Menigmaal zinspeelt hij reeds op de verwachte telgen, b.v. 

^Des willen zij te nagt den Ander* zo bekoren, 

Dat m'een gewenscht begin hier binnen *t jaar van ziet." 

Soms wil hij wel eens aardig zijn, b.v. in: 

Raadsel aan den Bruidegom: 

«Een dinkxken zonder gom, Heer Bruigom, is op d'aard' 
Een Dingitjen, dat niet dan lieve zoetheid baart; 
Niet dat de vrger-lien verschaft of koomt verleenen, 
Bemint of 't van haar werd: de Doghters in de beenen 
Is *t aangename kost: H zijn ad ren, zeenwe'en vel. 
Een die het heeft geproeft weet 't niet dan al te wel.** 

Maar genoeg over deze rubriek, die alleen van historisch belang is te achten. 

De afdeeling Verscheidc Lofdigten bevat een bont allerlei van bijschriften 
op personen van allerlei rang en stand als op Karel II, Karel Gustaaf, 
Frederik van Holstein, Willem Frederik van Nassau, voorts op Johan 
Maurice de Castilleios, jonker Johan van der Strepen, ds. Jacobus 
BoRSTius, Abraham de Bevere, Adriaan van Blijenburg, Johan en Jacob 
VAN Meeuwen, Matthys Pompe van Slingeland, Jacob Vervoren, Michiel 
van Rven en Martina Pyll, Johan de Vries, Gerard Pau, enz. Voorts 
volgen hier de lofverzen die OVERSTEGE schreef in werken van tijdgenooten, b.v. 
op de nog niet uitgegeven Poezy van Mr. Govert van Slingeland, heeren 
Barthoudsz, pensionaris van Dordrecht; op het uitgeven van de Vergode 
Wiegzang van Mr. CORNELis van der Stay Colibrand, aan Mr. Adriaan 
VAN Nispen over de vertalinge van de Konstantinopolitaansche Reise van den 
kaizerlikken Gezand BUSBECQ, en op de vertalinge van syn Ed. Spaansche Diana^ 
op de onuitgegeven Poezy van den Hooggeleerden Heere Jordaan M. D., Aan 
D. DIONISIUS Sprankhuizen over synne verhandelinge van de Geestelikke Bataüie 
ofte voorbereidin^e tegens den laatsten viand de dood^ Aan jACOB BORSTIUS over 
het uitgeven van syn boek^ genaatnt Raad tegens de eeuwige Dood enz. Ook 
eenige grafschriften en verzen op schilders als Adriaan Beeldemaker en Jacomyn, 
vindt men hier. 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 
Op de Nieuwe Beurs van Dordrecht, gesticht 1659, schreef hij: 

,De Beun van Amsterdam, (de peerei van Europe, 
De Icrone vao ons land) en staat hier niet te fien, 
Wg hebben niet te min tot meerder voorspoed hope, 
't Beginn voor eerst is goed, en 't verder kan geschien." 



T 
Martiaal 
reeds aai 



In 

tgter de 



H 
schoonhe 

Ol 
Soeietas," 



46 CORNELIS VAN OVERSTEGE. 

Kieskeurig is hij in zijn puntdichten vooral niet; vele staal^es, die wij 
vies zouden noemen, zijn uit deze afdeeling samen te lezen. En fijn geestig, zooals 
bij HuijGENS vele invallen zijn, kan men de meeste andere niet noemen. Het 
volgende is zeker navolging van den geestigen Hagenaar: 

De wereld is vol dnik, 
Een Drukker zou het drukken, 
Indien hem niet gelukk*, 
Zig zelf voor my te drukken; 
Maar Drukker, 't waar geen pgn, 
Als het mij weer gefukte, 
Dat gij stond achter mijn. 
Als ik eens voor o drukte* 

Dit viezigheidje duwde hij een drukker toe, ^^zijn Vérs uit waandruk voor 
het mijne drukkende^ 

Niet minder onkiesch is het versje, dat hij aan een rf^f ingenonum 
Dordrechtsche Maag (f* schreef ^over die daad haar roodschamig vertonende ^ of 
aan een kus weigerende Bagijntje. 

En waar hij meer zedelijke onderwerpen behandelt, is hij soms plat: b.v» 
Op het geluk : 

j, Verscheiden is 't geluk, nogtans, so loopt het rond. 
En yder krygt syn deel, hier in de wijde wereld. 
Den een begeel-vuilt gaat, den anderen bepeereld, 
Den eenen valt in *t goud, een ander in den.../' 

We besluiten met de aanhaling van een paar betere proeven: 

Aan mijn Berispers. 

jy Vraagt ymand, is deez' Man dus zuiver in syn daan. 
Dat hy elk een bestaat hier op syn seer te steken? 
O Neen, al mede gaat bezwangerd met gebreken, 
En al berispende, raak ook syn selven aan." 

Aan dezelve. 

jyDie my wel weer een streek kennt uit de panne geven, 
Dat wezen zou gevolgt, gelijk is voorgegaan: 
Ik zal 't u danken, als 't so geestig werd gedaan. 
Dat 't mede brengt vermaak, en leer tot beter leven." 

De algemeene indruk van zijn puntdichten kan niet zeer gunstig zijn; zij 
zijn over 't algemeen te veel naar den kant van het onwelvoeglijke; evenwel blijkt 
duidelijk, dat het den dichter niet te doen is om de onzedelijkheid te bevorderen, 
maar juist om ze door scherpe voorbeelden aan de kaak te stellen. Dat hij 
daardoor vele vijanden gemaakt heeft, is zeker. Waarom zou hij anders zoo 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 47 

uitgevaren hebben tegen de Veragters van sijn puntdiclUen, tegen een manwitke^ 
seggende de Peeten niet veel met het hoofd bezwaard te sijn, tegen eenige leien, 
seggende de Poëten gek te wesen, tegen een veragster der Poëtische schriften, 
tegen een oud wijf, roepende, dat het vatrsen maken geen getrouwde Mans meer past f 
Hij wilde den zedenmeester tegen zijn tijdgenooten spelen, spaarde daarbij 
niets en niemand, maar drukte zich niet altijd even duidelijk uit 't Was zooals 
VAN S 



bij* me 
Waard 



48 



CORNELIS VAN OVERSTEGE. 



En wat geeft nu deze afdeeling? Allereerst eenige gebeden: Margen^ en 
Avondgebed^ Gebed voor den Eten^ na den Eten^ hei Gebed des Heer en, Salomcns 
Gebed, alle uitbreidingen van bekende gebeden. Voorts Morgenzang, Avondzang. 
Middagzang voor den Eten^ na den Eien^ Noodzangy Zugtzang voor een zieke ziely 
een berijming van den looen, 113^1^ en den öen psalm. Dan volgen nog een 
Gebed in aanvechtingen een gebed voor den Bedriegelijken schijn der menschen, 
benevens eenige verzen van anderen aard als : Een valsche tonge^ Ongestadige 
werelt, Ongestadige Vrunden, Kort Nieuwfaardigt^ V Lof der deugtzame Vrouwe 
Deugds Zege^zang, enz. 

Hierin mist men wel de zoogenaamde puntigheid der puntdichten, maar 
vele gedeelten hebben daarentegen iets verdienstelijks, al zijn ze immer didactisch. 
Dat was nu eenmaal het kenmerk der Dordtsche po^en; didactiek zat hun aUen 
in merg en been, en poSzie zonder leering scheen hun zelfs onbestaanbaar. De 
meeste dezer gedichten zijn van te langen adem, om er een in zijn geheel aan te 
halen^ en dit zou toch noodig zijn om te staven, wat we beweerden. 



Over de gedichten zijner tweede echtgenoote zullen we hier niets zeggen. 
Yan Ovekstege's werk heett ons reeds lang geno^ beziggehouden, en ons in 't 
algemeen geen hoogen dunk van zijn aanleg gegeven. Bezien we zijn verzen uit 
taalkundig oogpunt, dan moeten we erkennen, dat hij er wel slag van had in 
weinig woorden veel te zeggen, en dat zijn woordscheppend vermogen hem nimmer 
in den steek liet. Hij koppelde en leidde af, dat onze tegenwoordige schrijvers 
er soms jaloersch op konden zijn. Kan gelukkig hem niet dienen, dan neemt hij 
lukkig\ staan lidwoorden hem in den weg dan ruimt hij ze op: 

y^Als schijnvrind vrind zo vind^ sijn vrind dan haastig vlied!* Woorden 
als verkranken (krank worden) ontstrikken^ swindig, komen slechts bij hem voor. 
Maar tegenover goede eigenschappen staan, wederom slechte, n.L, dat de volzin 
soms geen slot ofzinheeft, dat de samentrekkingen gezocht ofongeoorloofd zijn, enz. 

Alles te zamen genomen, moet ons eindoordeel over de gedichten van 
VAN OvERSTEGE niet zeer gunstig luiden. Had hij door zijn bruiloftsdichten, zijn 
jufierpligten en lofverzen ons niet een groot aantal gegevens over velen zijner 
tijdgenooten verschaft, we behoefden heusch niet rouwig te zijn geweest, als hij 
zijn punt- en geestelijke dichten in handschrift had gelaten. Thans kunnen rijn 
verzen hoogstens als historisch materiaal dienen. 




DE UTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE 
EN ZIJN GESLACHT 

DOOR 
Mr. S. muller Fz. 



idc 

moet in de middeleeuwen wel een centrum geweest zijn 

^ tistieke productie in Noord-Nederland: de stad met hare 

jjlj : kerken en kloosters kan werk gegeven hebben aan vrij 

eer kunstenaars dan andere steden van bescheiden om- 
1^ Toch spreekt de faam niet van eenige kunstschool, die 

^ hier in de middeleenwen haren zetel zou hebben gehad. Het is waar, dat de 

jj herovering van den kostbaren reliekschrijn van St. Frederik de kunstkenners 

^ op het denkbeeld heeft gebracht, dat het goudsmïdsbedrijf te Utrecht in bijzondere 

^ eer zal zijn geweest. Ik geloof terecht; maar het is te betreuren, dat eerst de 

^ toevallige omstandigheid, dat de reliekschrijn te voorschijn kwam, de stad gereba- 

■g biliteerd heeft: immers reeds de middeleeuwsche bescheiden van het Smedeogild 

L- schijnen op hetzelfde feit te wijzen '). Wie weet, of het met andere kunsten 

^ niet evenzoo gesteld is? De producten der Utrechtsche schilderkunst vóÖr SCOREL 

zijn grootendeels te niet gegaan of onkenbaar geworden; het Antwerpsche museum 
bevat nog eene merkwaardige schildering uit de St. Janskerk van 1363, eo onder 

1) zie: OvBivooRDK en Joostiio, D« Kilden van Utnchl. tl p. 410, 414, 418, 433, 437 (ordonnullfn 
, t>n den raad voor de gondmeden ddk i38*(?), 1433, 1471, 149a en 1507). 

Oitd-HeiiaHd 1907. 7 



t 



li It' 



50 DE ÜTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. 

de schatten van het Aartsbisschoppelijk museum zal wel een en ander schuilen, 
dat van hier afkomstig is. Maar met zekerheid weten wij daarvan niets. Toch 
hebben hier kunstenaars van naam geleefd en gewerkt In de oude rekeningen 
ontmoeten wij telkens leden van de familie VAN Schayck, die in de middel- 
eeuwen zich blijkbaar heeft toegelegd op zeer verschillende takken van kunst en 
kunstnijverheid. Een van de leden dezer familie, Eerst VAN Schayck, schilderde 
in 1496 eene nieuwe tafel voor het hoogaltaar van den Dom; zijne kunst werd 
dus voornaam genoeg geoordeeld, om te prijken op de allereerste plaats van het 
land, het hoogaltaar der kathedraal. Waar zijn de werken van dezen beroemden 
kunstenaar en van zijn artistiek geslacht gebleven? Het Nederlandsch museum 
bezit eene schilderij van eenen naamgenoot van den grooten Eerst, afkomstig 
uit de St. Pieterskerk: denkelijk een kleinzoon, die niet in zijne schaduw staan 
kon. Men verhaalt, dat een ander altaarstuk van Eerst van Schayck uit 
Utrecht, dd. 1600, berust te Lugo bij Ravenna'), en in het begin der 17* eeuw 
droeg ook de Utrechtenaar GOERT VAN Schayck eene prent der St. Pieterskerk te 
Rome op aan den gezant der Aartshertogen bij het pauselijk hof. Maar verder 
weten wij niets! Niet gelukkiger zijnde Utrechtsche beeldhouwers geweest, die 
toch reeds door den Dombouvv alleen, die met tusschenpoozen de geheele latere 
helft der middeleeuwen gevuld heeft, naar Utrecht gelokt moeten zijn. Ook 
onder hen moeten voorname kunstenaars gescholen hebben: de vier heiligen- 
beeldjes, die in het begin der 15e eeuw geplaatst werden in de St. Mariakerk, 
maken in het Stedelijk museum nog altijd de bewondering der kenners gaande. 
En niemand behoeft zich meer te verwonderen over de bijzondere distinctie der 
kapiteelen van het Heilige GVaf in den Dom, sedert het gebleken is, dat de maker 
daarvan door den bisschop zelven werd waardig gekeurd, om als Dombouw- 
meester op te treden. Maar het werk der Utrechtsche beeldhouwers, door de 
beeldstormers gedecimeerd, is verwaarloosd, weggeworpen : hun werk is verdwenen, 
hunne namen zijn vergeten. En slechts bij zéér groote uitzondering kunnen de 
enkele overblijfselen der Utrechtsche kunst in verband gebracht worden met een 
der namen, die de oude rekeningen voor ons bewaard hebben. 

In deze verdrietige omstandigheden moet het waarlijk een buitengewoon 
geluk heeten, dat ik over de in het hoofd genoemde beeldhouwersfamilie, die 
van de eerste helft der 16e tot in de 17c eeuw te Utrecht in eere was, 
niet alleen vrij wat verhalen kan, maar ook, althans van hare twee beroemdste 
leden, volkomen authentiek werk kan aanwijzen. 



1) Eene teekening van Hercules, door hem vervaardigd in 1594, berust in het Prentkabinet te Darmstadt< 
(Vriendelijke mededeeling van den heer E. W. Moes.) 



DE UTRECHTSCKE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. 51 

Dia iltamuaHsr van h*» (T*e1ai>lif is fnr vw T\v Nnr i? y»u>ltcnirr1<>p" rlin ïn 



S2 DE UTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. 



' Wi 



i t 



rw-M 



' ■ 1. 



"••;ii 



•"' ( 



■;.:(■! 



i' ' ■ ■ 

,' ■ ' ' : 

', f- . ' 



f |.^ 



I f '^ 

■:■■'•■:( 



i 



een Waal, afkomstig van de Fransche grens, uit Kamerijk'). In de kerke- 
rekeningen wordt 's mans naam nog nu en dan genoemd: zoo reeds in het 
volgende jaar [(1544/S) voor het snijden van ^ensichten ende dolmesgens** in 
de Buurkerk *)• Maar het heeft weinig belang de lijst zijner kunstwerken samen 
te stellen, nu die toch verloren zijn» 

Meer weten wij van zijn zoon, Utr^htsch beeldhouwer als hij. Zeer 
dikwijls wordt deze in de stukken vermeld, nu eens als Mr. Jacob Colyn, dan 
weder als BCr. Jacob de Nole, slechts een enkele maal (in zijn grafschrift) voluit 
als ^Jacob Colin de Nole, beeltsnyder". In de lijst der Utrechtsche beeld- 
snijders van 1569 wordt Jaecop Collyn*) vermeld als busmeester van het gild «). 
In hetzelfde jaar was het ^^Mr. Jacob de Nole**, die het nieuwe Sacramentshuis 
in de Buurkerk vervaardigde, nadat het oude zonder twijfel door de beeldstor- 
mers was vernield *). En in iSSo, toen Utrechts aartsbisschop Frederik 
Schenck van Taxjtenburg oycrleden was, was het weder Jacob Colijn, die 
op last van de executeurs van den prelaat ^een patroon van een sepulture*' 
vervaardigde *). De tijdsomstandigheden hebben waarschijnlijk verhinderd, dit 
ontwerp uit te voeren; althans de kapel naast de sacristiedeur van den Dom, waar de 
prelaat begraven werd (thans een berghok in de kosterswoning) bevat zulk eene tombe 
niet*^. Doch voor deze teleurstelling worden wij op zeer bevredigende wijze schadeloos 
gesteld. Immers in VAN der Monde's Tijdschrift voor geschiedenis van Utrecht 
(1844 p. 87) staat vermeld, hoe de zonen van den heer van Amerongen, Goert 
VAN Reede, in 1608 kibbelende over de erfenis hunner ouders, verklaarden, dat 
yiparthyen vader in zijn leven by eenen Mr. Jacob Colyn (hadde) doen houwen 
in steen sijn tombe ende ligchaem, verheven van der eerden, met sijn quar- 
tieren verchiert, alsoff hy een banderheer ware geweest, om 't Amerongen in 
de kerck gestelt te worden". Heer GOERT overleed in 1585: vóór dien tijd is 



■j 






1 I, 

. 1'' ''' 



'\: .:• 



ii • 



N. , 



r, l 






,t ' 



1 1 

( ■ ^ ■. ' ; 
I ' ^" . 



1) Dat bet dorp Karoerik in het sticht Utrecht sou bedoeld zijn (zooals inderdaad gegist is), is geheel 
ooaasnemelijk, reeds wegens den Franschen naam van den kunstenaar. 

3) DODT, Archief. VI p. 313. 

•) ^Jabcop Collyn off JAECOOP DYE Olley" ; ik giste vroeger, of men hier verstaan mocht : Jacopo 
Dl Orlby, dus geïtalianiseerd volgens de toenmalige mode der artisten. 

4) Mulleb, Schildersvereenigingen te Utrecht, p. 61 noot. 

6) DODT, Archief. VI p. 316. (De maker van het Sacramentshuis wordt in de rekeningen der Buurkerk 
beurtelings Mr. Jacob Colyn en Mr. Jacob db Nolb genoemd.) 

6) DODT, Archief. IV p. 48. 

7) In de i8e eeuw heeft men gemeend, deze tombe te herkennen in de anonyme zwart-toetsteenen tombe 
van bisschop Guy tan Avbsvbs (overleden X3i7)* Kramm (Levens. I p. 358) verklaart bescheidenlijk, dat „het 
hem voorkomt, dat bet geheel (dezer tombe) van vroegere kunsttype moet zijn," en acht het dan ook ^syns 
inziens zeer gewaagd, deze tombe voor het werk van Jacob Colyn te houden.'' O sancta simplicitas I De 
aarzeling ii kostelijk, vooral in den mond van den kunsthistoricus Kbamm, die zich zoo bijzonder aanmatigend 
kon uitlaten 



,1.. ,,i 



GRAFMONUMENT IN DE KERK TE AMERONOEN, 

(QOERT VAN REEDE EN ZIJNE ECHTOENOOTE) 

door JACOB COLYN DE NOLE (c* 1580.) 



GRAFMONUMENT IN DE KERK TE AMERONGEN, 

(QOERT VAN REEDE EN ZrjNE ECHTOeNOOTE) 

door JACOB COLIJN DE NOLE (c" 1S80.) 



DE UTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. 5S 

dus de tombe met zijn beeld gereed gemaakt; waarschijnlijk niet lang voor dien 
tijd, want de grafkelder der van Reede'S lag voor op het koor, en het is niet 
aannemelijk, dat de heer van Amerongen een zoo omvangrijk monument, als 
de tombe moet geweest zijn, voor op het koor geplaatst zal hebben, zoolang er kans 
was, dat dit gevaarte den blik op het altaar zou beletten. Veeleer zal hij het 
koor, door de plaatsing van het groote monument in het midden daarvan, als 
grafkapel zijner familie hebben ingericht, toen, bij de invoering der hervorming 
in 1580, het altaar vervallen was: tusschen 1580 en 1585 zal dus de graftombe 
tot stand gekomen zijn. 

Ik zeg: tot stand gekomen, hoewel Kramm, die de geschiedenis verhaalt, 
dit betwijfelt. Toch had hij niet behoeven te twijfelen : de tombe heeft inderdaad 
op het koor gestaan, en hij staat er zelfs sedert eenige dagen weder. Kramm 
zelf zag in 1837 het beeld van den heer van Amerongen, aan welks identiteit 
hij echter twijfelde, — zeer ten onrechte, want de gelijkenis van den voorgestelden 
persoon is treffend^). En het daarbQ behoorende beeld van 's mans echtgenoote, 
vrouw Geertruyd van N yenrode (overleden in 1605), ïs later uit den grond 
weer te voorschijn gekomen met eenige andere fragmenten der tombe, die bewijzen 
dat het grafmonument zeer omvangrijk moet zijn geweest, voorzien van eene rijk 
versierde steenen overhuiving boven de op de tombe liggende beelden'). 

Althans één groot werk van JACOB DE NOLE kunnen wij dus met zekerheid 
aanwijzen. Maar nu wij daaruit zijn stijl en behandelingswijze hebben leeren 
kennen, was het mogelijk, met voldoende zekerheid ook andere werken van zijne 
hand op te sporen. 

Het Stedelijk museum van Utrecht bevat.verschillende fraai in steen gebeeld- 
houwde schoorsteenfriezen, die wellicht de grootste schat der verzameling zijn. 
Toen ik met de Amerongsche fragmenten kennis maakte, trof mij aanstonds de 
groote overeenkomst in stijl en behandeling der beelden met vier dezer mij goed 
bekende stukken. En toen ik mijn gevoelen mededeelde aan den heer A. PiT, 
die wel de beste kenner onzer oude beeldhouwkunst is, bleek deze geheel 
van hetzelfde gevoelen: gesteund door zijne authoriteit, meen ik derhalve mijne 
gissing met vertrouwen te mogen publiceeren, zoo niet als absolute zekerheid 
dan toch als eene zéér aannemelijke attributie. Ik druk dus afbeeldingen van 



1) Zie de geschilderde memorietafel .*an bet echtpaar, blijkbaar bij de tombe behoorende, die thans op 
het kasteel Amerongen hangt. Nog duidelijker is de uiterst seldsame «Weren penning op heer] OoBRT 
van 1556, waarran een exemplaar berust in het Stedelijk museum van Utrecht. 

^ De beelden x^n thans weder in het koor geplaatst op een eenvoudig onderstuk, waarin ook de 
fragmenten zijn vastgemetseld. Het fraaiste der fragmenten van het fries der overhuiving wordt met de beelden 
hiernaast afgebeeld. 



14 DE UTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. 

Ie bedoelde schoorsteenfriezen hierbij af. De twee eerste friezen (liiet Salomo's 
echt en de geschiedenis van Suzanna), vroeger geplaatst in de rechtzaal van den 
lisschoppetijken officiaal en in de kapittelkamer van St Marie, zijn merkwaardig, 
tmdat, hoewel de bijzonderheden zeer verschillen, de voorstelling van beide 
itukken blijkbaar gevolgd is naar hetzelfde origineel *). De steen van het fries 
lit de kapittelkamer is helaas wat verweerd. Het derde fries is afkomst^ uit 
:en groot huis in de Hamburgerstraat, dat zeker vroeger behoord heeft bij de 
laarachter gelegen Johanniter-kommanderij van St. Catharijne : immers deze 
wide heiligen komen op het fries voor. Het was wellicht de woning van den 
lalyer en kan dan mogelijk nog besteld zijn door den balyer WoUTER van 
ÏYLER, die in 1558 getuigenis gaf van zijn kunstzin door zich op eene prachtige 
ironzen penningplaat te doen vereeuwigen door den beroemden graveur Stephanus 
TAN HOLLANT*). Zeker is dit niet: het jaar is voor JACOB DE NOLE vroeg genoeg 
naar het is toch mogelijk, want het vierde fries (fragment), afkomstig uit een 
lUts in de Domsteeg, vertoont het wapenschild van een der vroegere bewoners, 
len kannunik Ahtonie van Aemstel van Mvnden, die reeds in 1566 
iverlced. 

Zoo is dus thans een belangrijk gedeelte van het oeuvre van Jacob de Nole 
net waarschijnlijkheid teruggevonden'). Over zijn leven kunnen wij nt^ ééne 
Klangrijke bijzonderheid mededeelen: Buchelius vermeldt in zijne aanteckeningen 
>ver de monumenten in de Utrechtsche kerken, dat in den noordmuur van de kerk 
Ier St Paulus-abdij te zijnen tijde een grafmonument van Bentheimer steen te 
;ien was, met portret en wapen en het volgende opschrift: -^Hier leyt begraven 
Tacob Colin de Nole, béeltsnidér, die sterft A' 1601 den 8 Meert*)". 

Doch met hem stierf zijne kunst te Utrecht niet uit. Reeds spoedig vinden 
nj dan in de bescheiden vermeld Willem JaCOBZOON Colyn, blijkbaar den zoon 
fan Jacob de Nole, die zich Jacob Colvn noemde, en beeldhouwer als zijn 
rader. Ook hij was in het schrijven van zijn naam eenigszins onzeker: ^WlLLEM 
~OLYN," ook „Willem Colyns" laat hij zich noemen en verwaarloost dus zijnen 
amilienaam geheel, terwijl zijne zuster, die zich Elisabeth JacoBs de Nole 



') Dit wu dan ook aanvimkeiyk de hoordreden, WBaroni ik ook het eerste fries (uit het ofüclalait) in 
Ie (crie opn*ni ; Immen ik meende verschil In stijl te siea tosschen dit en de andere frieten. De beer 
■rr was echter van gcTOelen, dat beide slakken aan hetieirde aletier toegeschreven moesten worden. Bepaal- 
lelijk b^ het eente (Hes eonstaleerde hij groote overeenkomst met het werk van Geruain Pil^N. 

j) Zie den penning afgebeeld bij VAH LoON. I p. a6. (Een afgietsel is in het Stedelijk museum Ie Utrecht. 

■) Niet onmogelijk moeleii ook aan hetzelfde atelier toegetcbreTcn worden de talrijkeprachligeiteenen 
clioonteenfrieien met renaissance- ornamenten 1d hetieifde museum; maat daar ons hel ornament Tan jACOB 
IK Nolk niet door een voorbeeld bekend is, lou de attribuile geheel oueker rijn. 

I) Buchelius, Monumenia. fol. 71 ts. 



SCHOORSTEENFRIES TE KAMPEN, 

door COLYN DE NOLE VAN KAMERIJK, 1543. 



SCHOORSTEEN FRIEZEN IN HET UTRECHTSCHE MUSEUM, 
toegeschreven aan Jacob Colyn de Nole. 



I 

t 



, " . . 



DE UTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. $S 

noemde, dien behouden had^). Reeds in 1604 komt hij voor als leverancier van 
eenig beeldhouwwerk aan het torentje van het stadhuis*). En ook in de rekening 
van 161 s/6 (foL LIV) vinden wij twee posten van uitgaven aan „Willem COLVN 
steenhouwer" wegens leverantie van blauwen steen voor de Vischbrug en voor 
het houwen van twee steenen pilaren in het stadhuis. Van zijne positie bekomen 
wij een vrij wat minderen indruk dan van die van zijn vader: steenhouwer wordt 
hij herhaaldelijk genoemd. De fout lag toch niet aan hem, maar aan zijnen 
tijd: toen in 161 1 de Utrechtsche kunstenaars zich afscheidden van de zadelmakers 
en een afzonderlijk gild gingen vormen, wordt WILLEM JACOBZ, COLYN het eerst 
genoemd onder de „beelthouwers ende antijcksnyders." Hij was dus stellig nog 
beeldhouwer, en in 1620 bracht hij het dan ook tot deken van het gild naast 
den schilder AdaM Willaerts. 

Maar dat gild zelf was toen reeds bezig te ontaarden: de Reformatie had 
aan de beeldhouwerskunst haar eigenlijk terrein ontnomen: zoo waren de kunste- 
naars, onder den invloed der Renaissance, ontaard tot „antijcqsnyders", artistieke 
meubelmakers, die in 1639 door de schilders uit hun gild werden gestooten. 
Willem Colyn beleefde deze schande van zijne collega's niet: in 1620, het 
jaar zelf dat hem op den dekenzetel gebracht had, is hij overleden *). 

Met hem stierf de beeldhouwersfamilie DE NOLE te Utrecht uit: als hij 
kinderen heeft nagelaten, dan hebben zij zich zeker gewijd aan andere beroepen, 
die in de 17e eeuw in Nederland productiever waren. Dezelfde omstandigheden 
zullen allicht twee andere leden der familie reeds vroeger uit Utrecht verdreven 
hebben. Wij hebben gehoord, hoe de groote Utrechtsche beeldhouwer zich 
noemde Jacob Colyn DE NOLE; maar aangezien hij (zooals wel niet tegen- 
gesproken zal worden) de zoon was van den beeldhouwer Colyn de Nole, had 
zijn naam eigenlijk moeten Juiden: jACOB COLYNS DE NoLE. Herinneren wij 
ons dit, dan is het zeer opmerkelijk, dat op het laatst der i6e eeuw te Antwerpen 
leefden twee beeldhouwers, die de namen droegen van Robert Colyns DE NOLE 
en Andreas Colyns de Nole, blijkbaar gevierd, door van Dijk geportretteerd 
en makers van verschillende kunstwerken (de hoofdaltaren in de Antwerpsche 
kathedraal en in de kerk te Lier, en standbeelden in de kerk van S. Carlo Borromeo 



1) Zij, was toch wel zeker eene dochter viin den beeldhouwer; want haar huwelijk met Symon Witvklt, 
rector van het seminarie in de St Paulus-abdij (Gifteboek der stad Rotterdam. 1608 October 8, p. 164) 
gaf zeker aanleiding, dat de oude beeldhouwer zich begraven liet in de kerk, waarbij hij blijkbaar bij zijne 
dochter had ingewoond. 

3) Kameraarsrekening. 160^ fol. CIl: «Willem Colyns steenhouwer betaelt d*8omme van drye ende 
twyntlch ponden, uuyt sake hy volgende d' aenbestadinge hem gedaen gemaeckt heeft een fondespits ende 
daeronder het stadtswapen, ende *t selve gestelt heeft op der Stadthuysinge op de plaets onder het horologium 
alsoock voorde steen, by hem daertoe gelevert, dus alhjer, blijckende als vooren, dvoorg. 33 pont." 

s) Muller, Schildersvereenigingen. p* 128 noot 2. 






U DE UTRECHTSCHE BEELDHOUWER COLYN DE NOLE EN ZIJN GESLACHT. 

en in de kathedraal te Antwerpen), bovendien levenuiciers van aartshertog 
Ernst en van Albertus en Isabella *). Het ligt voor de hand aan te nemen, 
dat deze beide beroemde Antwerpsche kunstenaars jongere zonen zullen geweest 
zijn van den Utrechtschen beeldhouwer COLYN de Nole, dïe ïn het zuiden het 
werk gezocht hebben, dat zij in faet hervormde Utrecht niet meer vonden. Is dit juist, 
(en ik houd het voor uiterst waarschijnlijk), dan kan de leeftijd der gebroeders 
daartegen niet als overwegend bezwaar worden aangevoerd; immers RoBERT kwam 
in 1 594, weUicht niet jeugdig meer, in het Antwerpsche St. Lucasgild en overleed 
in 1636; reeds Kraum heeft o^^emerkt, dat zijn broeder en medewerker Andreas 
niet veel jonger dan hij kan zijn geweest. Belangrijk zou het zijn na te 
gaan, of het werk der Antwerpsche broeders nog eenige sporen vertoont van 
hunne herkomst uit het noorden *). 



1) Zie: ImnuEEL, Laveu. II p. 365.- Kkamu, Lareni. IV p. 1003 
1) In dit Terbaod l* ook nog te aoemen Al&xahdeb Colin, geboren ia 1537 
nm 1601: hy il da naket ran het beroeiDde prulgtaf *ui IcelieT Maxiuiliaah t 
fCCD redes, om hem met COLVN db Nolb in Tcrbuid te brengen. 




AERNOUT ELSEVIER. 

EEN NALEZING 

DOOR 
Dr. A. BREDIUS. 



N „Oud-Holland" XIV deelde de Heer Haverkorn van 
RijSEWIJK een en ander mede omtrent den Leidschen 
schilder AERNOUT Elsevier, die tevens herbergier ïn den 
„gouden gecroonden Regenbooch" te Leiden was. Ik vond 
een paar gegevens, die het nog onbegrijpelijker maken, dat 
deze kunstenaar zóó onfortuinlijk in zijne zaken was, dat hij 
1629 een curator over njn boedel moest laten benoemen en in 1631 te Rotterdam 
zijn inboedel voor schulden moest doen verkoopen. 

Toen zijne eerste vrouw 7 Maart 1626 overleden was, werd er een Inventaris 
opgemaakt, dien ik hier laat volgen, ook omdat de taxatie zijner schilderijen 
door de schilders van Goven en Cormelis Liefrinck hier vollediger wordt 
we£rg^even. 

Men zou uit dit document moeten opmaken, dat Jacob Pvnas een trouw 
bezoeker van den „Regenbooch" geweest is, dus te Leiden gewoond beeft, en 
daar zonder twijfel met den jongen Rehbrandt ïn aanraking kwam. 

Oud-Ho^md 1907. 8 



i-t 



ii 






f' 



58 AERNOUT ELSETtER. EEN NALEZING. 

Staet en Inventaris van den boedel van de E. Aermoult 
Elsevier en d'eerbare Maria SvHONSDr VAN SwiETEM za. ged. 
zyne eerste huysvrouwe. Voeden: BQNAVEMTURA ElSEVIER cq 
SVMON VAN SwiETEK. Vier kinderen. 

Het huis de gouden gecroonde Regenboocb (oostzijde 

Breestraat) ƒ 7C00.— 

Een huis Noordzijde houtstraat 1600.— 

Een speeltuin onder Soeterwoude 300. — 

De wijnen des boedels 500. — 

De inschulden des boedels 2696 — 9 — 

Onder de «Quade schulden des boedels". 

PAULUS VAM Soueren (de schilder) ƒ 41, — 

Jacob Pvnas 51 — 13 — o 

Jan VAN DE Velde. 12.— 

Hiervan is „niet off immers geheel weynich te verwachten." 

Er volgt zilverwerk en de schilderijen gepryseert bij Mrs. CORNELis 
LiEFFRINCK en JOHAN VAN GOVEN. 

Beneden in 'tvoorkamertgen: 

5 lantschappen / 24, — 

In Uvoorhuys: 

3 groote lantschappen gemaect van Aernoult Elsevier. . ƒ 84. — 

noch 2 idem 28, — 

een nacht van PiNAS 3a — 

Den Prins, Graeff Henrick en noch 2 stucken en een stuck van 

Daniel van der Does 36.— 

Op 't èoven sydeUamertgen oen straet: 

5 stuckges f ï6, — 

Op dé Keldtrcamtr genaemt de keucken: 

4 groote lantschappen van Arnoult Elsevier .... ƒ 64.— 

5 stucxkens daeronder een van Mr. Pieter van Veen , . 31.— 






AERNOUT ELSEVIER. EEN NALEZING. 59 

Op dê Groot e Camgr: 

Een groot stuck van Wttenbrouck daerop g«chfldert 

is de historie van Jacob f 60. — 

Een stuck van jACOB PiNAS synde een Nebucadneser . 40. — 

Een stuck van do., David en Barsabe 36. — 

^ Een groot en gemeen lantschap van AernoülT ELSEVIER 24. — 
Noch 6 stucxkens, daeronder een van TiNONAGEL. 

2 banckettgens en 3 rondekens van Aernoult Elsevier 2$. — 

Op cP achiercamêr : 

4 rondekens van Aernoult Elsevier lo.— 

3 Tronycn 7 — 'O — 

Een stucxken van Wttenbrouck 28.— 

Een Moyses van Pinas (A. — 

Op de voor corner: 

2 contrefeytsels van Aernoult Elsevier en syn huysvrouw. 

Noch twe dito van PAULUS VAN SOMEREN begonste con- 
trefeytsels. 

Een aengelegt paneel en 2 grote conterfeytsels op het 

gangetgen 5.— 

Op kei boven sydekamertgeH : 

Een Trony van AERNOULT Elsevier. 

Alle schilderyen samen f 616 — 10 — o 

Hypotheken op zijn huis . . . . „ 5783 — 9 — o 

Alle schulden bedragen te samen • . ^ 8496 — 16 — 7 

De bezittingen daarentegen • » ^5757 — 3 — ^ 

15 Dec. 1621 onderteekent AERNOUT ELSEVIER dezen Inventaris. ') 

De tweede vrouw van Elsevier was van goeden huize. Toen hij met 
haar 22 Oct 1626, ruim zes maanden na den dood zijner eerste echtgenoote, 
in het huwelijk trad, werd verzuimd een staat hunner goederen op te maken «^ 
Dit gebeurde eerst 30 April 1628. Ik vond dien 

Inventaris der goederen die Christina Everaerts, en hare kinderen, 
gewonnen by Erick van Boetselaer, in syn leven bouchouder van de 



1) Not. L. Vbrgbtl, Leiden. 



N 



s» 



Ml 


II 


SI ■ 


H ;| 


il 


i(§i B 


iSi V 


III ''1 


Il '1 


II il 


i i il 


1 ^1 


\ ' ' '1 


§ nI 


t ■ 'H 




'M ! tH 


'^ if il ^B 


f H t ) . ^B 


y ^H 


1 '1 


V n '^B 


il' ''■ 


1 *^B 


. 1 , ^^B 


* 1 j L ^H 


' " 1 


1 i^l 


1 ^H 


li ' * p '' ^1 


w ^ \ *^ ' ^H 


1 1 1 '1 


I 1 1 


It t ' , ^1 


■ ^1 


Ijl ' fl 


■ 'i 4 II \\ H 


1 ' 1 f l 




L 1 ' i 


■;1 i U 


H ' 


1 tl il 'i 


B 1 


^^H rl 




■ 


^B 


R { ' 


B 


1 '^ \ ' 


^1 




1 i ' 1 


H Ui il 


^^Hi lU 1 1 


^^H m ^ 


Il ' i* 


H i ~ f^ 


Ht; 1 ^ ' f 


lil 'i ^ 


^H ^ 1 


^^^Hil In 




li 


^1^ a i 


^^H** H i 


BI i 



$0 AERNOUT ELSEVIEIL EEN NALEZING. 

Fynantien van de Heere Prince van Orangie H. L. Memorie met haren 
eersten man heeft bezeten en in den boedel van haren jegenwoordigen 
man Sr. Arnoult Elsevier heeft ingebracht. 

Het is een kostbare inboedel met veel zilver, zilveren lepels, zoutva^ 
ten, schalen, hoog getaxeerde • tafellakens, een menigte kostelijke kleederen, 
o. a. een ,,zijddamaste vlieger met een geborduurde borst met goud en swart 
satijn^' (44 gulden), 2 VAN Boetselaer's conterfe3rtseb enz. De prijseerster z^ 
onder eede, dat alles zooveel waard is en Aernout Elsevier bevestigt het 
in een afzonderlijke acte. Alles te samen heeft die inboedel een waarde van 
ƒ 3612 — 12 — o. 

Het blijft raadselachtig waar ELSEVIER al dat geld gelaten heeft, ook 
waar zijne schilderijen gebleven zijn. 

In een andere acte vond ik vermeld, dat TORRENTius, nu eens Monsieur, 
dan wéér Dominé Torrsntius genoemd, voor niet minder dan / 484 — 18 — 
in ^de Regenbooch'' verteerd had. 25 Febr. 1627, op het oogenblik of kort 
voor dat de arme Torrentius') te Haarlem wreed gepijnigd werd, machtigde 
Elsevier zijne vrouw dat bedrag te ontvangen. Torrentius had het met 
Christiaen Coppens en Monsieur Spiegel ,,ten sijnen l\uyse verteert." Maar 
in Juni van dat jaar was van Monsieur TORRENTIUS reeds / 215. — ontvangen. 

Terwijl de andere schilders behooren tot de „quade*^ schulden gelden de 
ƒ 14. — die Torrentius moet betalen tot de ^oéde schulden ! 

Over Torrentius later meer. 



1) OnUogs gevonden hoogst merkwaardige documenten, die ik later hier hoop mede te deelen, doen 
m^ meer en meer gelooven, dat deze schilder het slachtofifer van vijanden is geweest en op schanddi^k 
onrechtvaardige wi|xe mishandeld werd. 




Twee vleugels vau een drieluik in het Rijksmuseum 
te Amsterdam 

DOOR 
J. Th. e. CANNEEL. 



de vele voortbrengselen vaa oude schilderkunst ïnhetRijks- 
eutn te Amsterdam, vindt men onder No. 59 van den Cata- 
s van dat museum aangegeven: 
„Twee vleugels van een Drieluik, bevattende de portretten 
een aanzienlijk Burger en dïens Ecfitgenoote, beiden in knie- 
lende houding. 
Paneel van eikenhout, het beschilderde gedeelte van het paneel 86 centi- 
meters hoog en 35.5 centimeters breed, terwijl de hoogte van het hoofd der 
grootste figuur op den voorgrond 11 centimeters bedraagt," 

Dit stuk dagteekenende uit de i6a eeuw, werd met hulp der Vereeniging 
Rembrandt in 1894 door het Rijksmuseum aangekocht. 

Eene photographische afbeelding daarvan is hierbijgevoegd. 
Aanvankelijk was het niet bekend wie de beide personen, op de luiken 
afgebeeld, voorstelden, doch de familiewapens op de achterzijde der deuren voor- 
komende brachten licht in de duisternis. 

Op die deuren komen voor de hier nader omschreven familiewapens, 
waaronder vermeld staat: Anno 1584. 

Bij onderzoek bleken die wapens te behooren tot de familien DE Brodckere 
en Canneel, waarvan, zoover bekend, laatstgenoemd geslacht nog te Brugge ver- 
t^enwoordigd wordt. 



n TWEE VLEUGELS VAN EEN DRIELUIK 

Bij het opslaan van nBruges et Ie Franc ou leur Magistrature et leur 
noblesse par J. Gailliard" vindt men in Tomé I pages 404, 409: 

mDe BrouCKERE. Let armes de sable au cbevron d'or, chargé au 
coté dextre et senestre d'une croix patée de gueules, au chef d'une quintefeuille 
du mime, en pointe un lévrier d'argent coUé de gueules, issant de 1'écu au naturel 

JULIEN DE BROttCKERE, SC marïa d'abord & Elise Canneel; ensuite k 
Martinne Jamssens. Il óécéd» Ie 22 Décembre 1603 et Öait, en 1599, mattre 
de la table des pauvres de l'église de Notre-Dame etc" 

In het Recueil héraldique van F. VAN DVCKE, vinden wij als wapen van 
de familie Canneel aangegeven: 

^e sable, au chevron d'or, accompagné de trois étoiles k six rais du 
méme, et brisé d'un poisson d'argent." 

Waar de op de luiken voorkomende familiewapens geheel overeenstem- 
men met die hiervoren beschreven, is het niet twijfelachtig en blijkt daaruit vol- 
doende, dat de portretten in faet RijksmuseLm te Amsterdam zijn van JULIAEN 
DE Brouckere en van Elvsabette Canneel, zooals zij genoemd worden ia 
„Les Inscriptions funéraires et monumentales de la Flandre Occidentale par 
J. Gailuard", onder Bruges, Eglise de Notre-Dame. 

Deze beide portretten, waarin men de hand van een kunstenaar uit Bnif^ 
herkent, hebben deel uitgemaakt van een drieluik en gediend als deuren ter 
bedekking of afsluiting van het geschilderde middenstuk. 

In de Koninklijke Bibliotheek te Brussel berust een werk getiteld: ^.Monu- 
menten en Epitaphien der Parochiale Kerke van O. L. Vrouwe binnen Brugge 
door den erfridder Ch. J. van Tieghem de ten Berghe en ter Hoye Soenens 
en J. Gailliard. Manuscrits S. II. 3623. 6", bevattende eene afbeelding der 
schilderij; en in de Afdeeling: Handschriften wordt eene serie van cahiers be- 
treflende al de epitaphien in de Brugsche kerkgebouwen bewaard; in het cahier 
betreffende de Onse-Litvt- Vrouwe Kerk vindt men op bladzijde 45, op den 
naam Canneel, evenzoo de afbeelding vao een drieluik met de opmerking: 

yj)ese schüderije heeft gehangen in de voorkercke" 

Op faet middenstuk van dit drieluik is a%ebeeld het bezoek der drie 
Koningen aan het Christuskind in het stalletje te Bethlehem. 

Op bet luik links van den toeschouwer is van binnen een knielende man, 
cvenzoo op het luik rechts eene knielende vrouw, die blijkbaar geteekend zijn, 
hoewel zeer gebrekkig, naar de portretten bier afgebeeld. 

Op de buitenzijde der luiken is geschilderd: links een mannelijk wapenen 
rechts een vereenigd man- en vrouwelijk wapen, methetonderschrift: Anno 1584. 



JULrAEN DE BROUCKERE EN ZrjNE ECHTGENOOTE ELYSABETTE CANNEEl. 
Anno IS84. 



"(>] 



[ 



t 1' I 



i) i 



'.; 



' 'iitl!,:;*- 1 






t'it 



nti : 



' >. 



I '\* 



"f- 
mm 



'1 ' 






• • 



'.! I'l 



lic.' 



tl i' 



IN HET RIJKSMUSEUM TE AMSTERDAM. 



68 



Die wapens nu stemmen weder geheel overeen met die voorkomende op 
den achterkant der portretten in het Rijksmuseum te Amsterdam. 

Door de vriendelijke hulp van den heer Henri Hymans^ Hoofdconservatpr 
van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, werd ik in staat gesteld hierbij te 
voegen de reproductie eener calque naar de zeer gebrekkige teekening van het 
middenstuk, zooals die voorkomt in het boek van den Heer VAN TiEGHEM, 
nadat die hier en daar wat verduidelijkt was. 




MIDDENSTUK VAN EEN DRIELUIK, 

waarvan de beide vleugels, voorstellende Juliaen 

DE Brouckerb en zijne echtgenoote Elysabette 

Canneel, zich bevinden in 's Rijks Museum 

.te Amsterdam. 

Ze geeft echter voldoende aan hoe dat schilderstuk er ongeveer moet uit- 
gezien hebben. 

Daar omtrent het bestaan van dit middenstuk noch bij de directie van 
's Rijks Museum van Schilderijen, noch bij mij iets bekend is, hoop ik dat door 
de publicatie dezer schetsteekening in dit tijdschrift te eeniger tijd het origineele 
schilderij zal worden opgespoord. 

Wellicht komt dan de naam van den kunstenaar, die zoowel het midden- 
stuk als de vleugeldeuren schilderde, ook aan het licht 

's Gravenkagêf 19 Februari 1907. 



Een portret van Marien van Rossem door Heyndrick Coster. 



MUIBCBDMLD DOOI 

M. G. WILDEMAN. 






1 1 



N 1903 bevond zich [eo is dftar waarschijnlijk nog] op den Cannenboig 

bij Vaassen eea portret van Martbm van Rosseu, den benichten krijgs- 

overste, (Vg). L'Ancien Pays de Loos, 1904, no. i en a). lodicQ dit 

't zeUde is, dat reeds in 1658 aanwedg was en vennoédelijk naar 't 

leven werd geschilderd, dan geeft de hiervolgende brief aan, dat door 

Henryck Coster, den kermeester van Gaspar Netschui, voor de 

Sistoriae Gelrüae van Pohtanus, daarvan hoogstwaaDchijnlijk een copie werd genomen. 

Het is ten minste niet aan te nemen, dat de beleefde vraag van de Raden van Gelre 

met een weigering werd beantwoord. 

Een door mij geraadpleegd exemplaar van Pontanos geeft op 't portret van Hartek, 
noch naam van schilder, noch van graveur. 

De brief met het adres: „den Edelen en(de) Ercntvesten Elsbrt vah IsaNDOiRM 
A Blois onsen besonderen goeden Vriendl", luidt als volgt: 

„Edel ende Eerentvest besonder goede Vricndt, Also ter eeren van t Landt noedtch 
gevonden is de Historie van Gelderlandt beschreven door Doctorem Johanheu ISACtuu 
PoHTAKUH t'insereren d 'afbeeldingen van(den) laetsteo Hartoch Casl van Gblre eensae- 
mentlick den voomaemen Oversten Martin van Rossuh, waervan wy bericht werden, 
dat die laeste nae t'leven op UE huyss Kannenberch bewaert wort, Soo versoeckcn wy 
dat UE den jegenwoordigen Thoonder Henryck Coster een schilder, gelegenheit gevet 
dat hy wylen Martin van Rossuh voorn(oemt) moege affbeelden ofte contrafeiten *tsy 
op UE huys ofte de naest bequaeme plaetse daerby. In 'twelcke UE ons sonderlinge 
aengenaemhdt snllen bewysen, die wy hiermede in die hoede Godes hevelen. GeK:hr(even) 
f Arnhem den ó"!"» Septemb(cr) 1638. 

Die Raaden des Vorstendoms Gelre eii(de) Grae&chaps Zutphen 
Ter ordonnan(tie) van deselve 
(get.) Slutsken, 1638. 



De Sergeant Reynier Engelen 

op Rembrandt's „Nachtwacht" 



DOOR 
J. F. M. STERCK. 



NKELE predikanten zijn door Rembrandt's penseel vereeuwigd: 
Anslo, Swalmius, SYLVros en misschien nog meer, wier 
portretten niet met sekerlieid zijn aan te wijzen. Of hij 
ook katholieke geestelijken heeft geschilderd kan met grond 
worden betwijfeld. Slechts de grijsaard met het zware 
gouden bisschopskruïs aan een dubbelen gouden keten om 
den hals, in 1630 geschilderd, en bewaard in deKönigliche 
Galerie te Kassei, zou aan de afbeelding van een katholiek priester kunnen doen 
denken, indien deze niet meer den schijn had van een fantaisie des kunstenaars 
dan van een werkelijk portret. Het ligt ook voor de hand, dat de geestelijken 
zich meer tot de schilders onder hun geloofsgenooten gewend hebben, indien zij 
hun beeld voor het nageslacht wilden bewaren, dan tot Rembrandt, die ver- 
moedelijk wel het allerminst met de katholieken in aanraking zal zijn gekomen. 
Toch kan aangetoond worden dat Rembrandt waarschijnlijk een keer, 
wel zonder 't te weten, of zelfs ook maar te vermoeden, het portret van een 
katholiek priester voor bet nageslacht heeft bewaard, al is 't dan ook in een 
zeer ongewone houding en in een weinig geestelijke omgeving. 

Oud-HeiUmé 1907. S 



66 DE SERGEA.HT REYNIER ENGELEN OP REHBRANDTS .NACHTWACHT*. 

Reeda in zijn belangwekkend Gidsartikel „Me Nachtwacht van Bembrandt^' 
(Nov. 1890} beeft Dr. JOHS. Dvserinck, toen hij voor 't eerst nauwkeurig de 
namen der schutters, voorkomende op het schild aan den pilaar bekend maakte, 
er op gewezen dat daarbij voorkomt: Reynier ENGELEN, Sergeant. Hij voegde 
daaraan deze verklaring toe: „Eindelijk is Rbynier ENGELEN — getuige het 
Verpondingboek dezelfde naam als Inqels — de Amsterdamsche Roomsch- 
Katholieke advocaat (J, U. L.) die later in 1660 als pastoor van het S. Anna- 
kcrkje te Outewael ia werkzaam geweest." 

Ik wil trachten wat meer licht over Reynier Engelen of Ingels te 
verspreiden, en te ontdekken, welke der afgebeelde schutters van BanNINGH 
Cock's Vendel, den advocaat-pastoor kan voorstellen. 

De familie ENGELEN, Ehgels of Ingels behoorde tot de voorname katho- 
lieke geslachten, die in de 17e eeuw te Amsterdam op den vooigrond treden. 
Verschillende harer leden staan vermeld onder de Regenten van godshuizen of 
liefdadige instellingen, komen voor onder de ontwikkelde geestelijken of blijken 
in relatie te staan met de groote geesten van hun tijd. Een lid dezer familie, 
JOHANNES Engels, heeft de schilderkunst beoefend, en wordt in een acte van 
29 Juli 1669 vermeld, als zijnde $0 jaar oud. ^) Eindelijk wordt nog te Amsterdam 
bewaard een fraaie zilververgulde kelk, waarop de namen van eenige leden dezer 
familie voorkomen. 

Of bij de Amsterdamsche Engels dus liefde voor kunst en letteren bestond, 
behoeft niet te worden betwijfeld. 

Hierop kom ik nog nader terug. 

Eerst moet worden aangetoond, welke plaats Revnier Engelen in zijn 
Ëunilie en onder de burgerij bekleedde. Hij was de zoon van Mr. Jan Reiniersz. 
Ingels en Cijnera van Veen, en werd in 1620 geboren. De vader wordt door 
Caspar van Baerlb (Poem. II. 573. Edit. 1655) genoemd: „advocatus et poöta 
insignis," en F, C. HoOFT schrijft in 1634 aan zijn zwager Baeck : ^D'Advocaet 
InGel zondt ons eenighe Latijnsche veirsen, in de welke ujtgelejdt was wat 
yders bedryf zoude zijn." (Brieven, II, 397) Mr. Jan Ingels behoorde dus tot 
de huisvrienden van Hooft en zal ook in den Muiderkring een welkome gast 
geweest zijn, waar wellicht ieder „zijn bedrf f ' of rol had te vervullen. 

Desondanks zou PlETER CORNELISZ. HoOFT tien jaar later, op 4 Juli 1644, 
als Drost van Muiden en Baljuw van Gooiland, een gewelddadigen inval doen in 
het buitenverblijf van zijn vriend den advocaat, den Ingelenburg te Ankeveen, 
in de hoop daar een ^capelle der Pausgezinden" te ontdekken, zoo zelfs, dat de 

1) A- Dt Vbiu, Blogr, Auitmk. O. HoU. iSSs, 14a. 



DE SERGEANT REYNIER ENGELEN OP REMBRANDTS .NACHTWACHT". 67 

^ Drost, voor de kamerdeur van den advocaat gekomen, ^nadat de maaght pertina- 

• citer ontkent had de sleutels te hebben*', heeft „doen stooten op voorseyde deur, 

totdat zij, met het kossijn tcffens uyt den muur op de vloer viel".*) Inderdaad 
t ontdekte HoOFT daar de bedeplaats van den oudsten zoon zijns vriends, pastoor 

Barthold Ingels. Hoe de advocaat dit optreden heeft opgenomen, vind ik 

niet vermeld. 

Vermoedelijk was het voor zijn oudste dochter ANNA, dat Vondel heeft 
gedicht zijn ^Maydeuntjes op Jonkvrou Anna Engels geboortedagh, haer toe- 
gezongen door KONSTANTYN SOHIER*', den zoon van SuzANNA Hellemans, de 

[ zuster van HOOPTS schoone Leonoor. Ik hoop den lezer niet te ver van het 

onderwerp af te leiden door eenige regels van Vondels lieve poëzy hier in te 

^ lasschen, zij strekken wèl tot karakteriseering der familie. 

^ Naohtegaaltjen, in de lovren 

ii Van den groenen lindeboom, 

^ By den klaren Aemstelstroom; 

^ Zegh, wie leerde uw montje tovren, 

i En dat keeltje, zoet gebeckt? 

Anne, zing niet. Och! gby treckt, 
Ocht gby treckt met dat geloit 
^^ My de ziel ten lichaam uit 



ir. 










Op dezen toon bestaan er vijf verschillende liedekens, 't een nog liever 
en geestiger dan 't ander. Ze zijn vóór 1644 gedicht (Unger, VomUl^ 1642 — 45, 
blz. 174.) 

Anna's broeder Reynier was advocaat als zijn vader. Aan de ^Geschie- 
denis van het Maagdenhuis" door Th. VAN RiJCKEVORSEL, die uitvoerige gegevens 
omtrent dit geslacht verstrekt, ontleen ik hier de levensbijzonderheden van 
^ Reynier, waarvan er ook vele voorkomen in Dl. II, bl. 13O1 der ^Bijdragen 

voor de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem." 

Reynier was wel een der jongste kinderen. Zijn broeders en zusters 

waren: Anna, Agatha, Joanna, Divera, Cornelis, Gertrudis en Simon, 

zooals ze op bovenvermelden kelk gegraveerd staan, die nog in de Parochiekerk 

van S. Anna bewaard wordt Tenzij in plaats van JOANNA, JOANNES gelezen 

moet worden op dit kunststuk door de broeders en zusters aan Reynier vereerd, 

ontbreekt in deze reeks nog de schilder van dien naam, die uitdrukkelijk als 

^ broeder van Reynier genoemd wordt. Ook de oudste broeder Barthold, 

<' pastoor te Ankeveen en later van het Maagdenhuis te Amsterdam, komt er niet 

ld bij voor. Th. v. Rijckevorsel deelt mede dat Reynier priester was van het 



!'1 






sf 






9 



1) «,Verhael ysd het debYoir bj mj gedaen in 't slayten Tan de kerken ofte capellen der Paosgednden 
te HÜYersom** enz. {Bijdragem voor ék Gtsch. v, k. Bisdom van HaarUm, Vnie Dl. bL 834 vol^.) 

9» 



68 DE SERGEANT REVyiER ENGELEN OP REHBRANDTS .NACHTWACHT." 

Oratorïe en evenals zijn broeder luns Utriusque Lector. Waar hij de eerste jaren 
van zijn priesterschap arbeidde blijkt niet, maar van 1640 af schtjathij gedurende 
twee of drie jaren te Uitgeest werkzaam te zijn geweeat. Volgens de acta van 
bet Haarlemsctie Kapittel huurde hij in 't begin van 1653 een huis te Amsterdam >} 
om er een kerkje te stichten. In 1660 werd hij pastoor van S. Anna te Oute- 
waal, aan den St. Antoniesdijk, later Wittenburg. In 1663 verplaatste bij njn 
kerkje naar Oostenburg en weer eenige jaren later naar Kattenbur^« waar hij in 
1673 is gestorven. 

Van groot belang is 't, dat hij in zijn pastorie zijn portret in olieverf 
heeft achtergelaten, dat ons in staat stelt eenige opmerkelijke gevolgtrekkingen 
te maken. Op 't oogenblik is dit portret te zien in het Museum van den Amstel- 
kring. Voor 't eerst werd de aandacht algemeen er op gevestigd door de His- 
torische Tentoonstelling in 1876 te Amsterdam gehouden in 't OAmanhuis, nadat 
kapelaan GoilPERTZ er reeds melding van had gemaakt in het 2« deel van de 
viBijdragen voor Haarlem." In den catalogus wordt het daar op bl. 97, onder No. 1 567 
beschreven met vermelding van dit opschrift: „Op de schilderij leest men het 
devies LUCe et MUnDa. aet. 40. J.(?) Ingeliua, piit, fratri suo obtulit (?) 
Met wapen." Uit deze spreuk, een chronicum, blijkt dat de schilderij in 1660 is 
vervaardigd. Verder wordt Reynier'S broeder Joannes er ab de schilder genoemd. 

In de Iconografhia Batava van Moes komt het voor onder No. 3920. 
Waar de heer Moes onder No. 3372 van zijn werk een ander portret van 
Reynier Engelen, door Rembrandt in 1642 als sergeant op de Nachtwacht 
geschilderd, vermeldt, voegt bij, in een noot, daar deze opmerking bij; „l'cn 
onrechte verwart Dr. JOHS. DVSERINCK (Gids, 1890, IV, p. 231) dezen schutter 
met den pastoor Reynier Ingels". 

Het komt mij voor, dat deze bewering, zonder nader bewijs, niet kan 
worden aanvaard. 

Moeilijk kan bet toch worden aangenomen dat twee personen van zoo 
geheel gelijke namen, in die dagen toen gelijknamigen in den regel tot dezelfde 
femilie behoorden, te Amsterdam geleefd hebben. Te minder daar de familie 
Ingels of Engelen tot de voorname ingezetenen behoorde, en het dus niet 
waarschijnlijk is dat er twee mannen van stand, een sergeant van de schutterij 
en een advocaat, gelijktijdig geleefd hebben, die denzelfden naam droegen en 
niet tot die voorname familie behoorden. De eigenlijke geslachtsnamen waren 
toen hier onder de burgerij nog zeer weinig talrijk. 

. RXQHBRCrs BHon-iUS domnm Anutetodaml condnai^ 



o ï 



si 



DE SERGEANT REYNIER ENGELEN OP REMBRANDT'S .NACHTWACHT." 69 

In de eerste plaats zou dan moeten aangetoond worden dat in die jaren 
te Amsterdam nog een familie INGELS of Engelen bestond, ook van beieekenis, 
en waartoe dan de sergeant-schutter zou kunnen behooren. 

Na een nauwkeurig onderzoek ben ik tot de stellige overtuiging gekomen, 
dat er slechts één familie InGELS of Engelen in de 17e eeuw te Amsterdam 
bestaan heeft. 

De sergeant REYNIER ENGELEN en de advocaat- pastoor Reynier Ingels 
moeten dus tot éen familie, ja, tot éen gezin behoord hebben en kunnen wel 
moeilijk anders dan éen en dezelfde persoon geweest zijn. 

Het gelukkig bewaarde portret van pastoor Reynier Ingels komt deze 
veronderstelling nog krachtig bevestigen. Met dit portret voor oogen moest door 
mij in de eerste plaats onderzocht worden , welke der schutters op Rembrandt's 
fantastisch meesterwerk eentge gelijkenis vertoonde met de gelaatstrekken van 
den pastoor van Outewaal. Zonder moeilijkheid ging dit niet Want, behalve 
de hoofdpersonen, zijn er onder de schutters niet vele die trotsch kunnen zijn, 
dat Rembrandt hun welgelijkend portret op zijn ^Nachtwacht" heeft vereeuwigd. 
Beschouwd men met aandacht elk gelaat, dan blijkt eigenlijk meer de indruk van een 
kranigen kop, dan een afgewerkt portret door den schilder te zijn weergeg^even . 

Eén gegeven echter bestond, waardoor het portret van Reynier Ingels tot 
eene bepaalde en zekere categorie onder de talrijke schutters beperkt moest worden, 
namelijk zijn jeugd. In 1620 geboren, was hij in 't jaar dat de y^Nachtwacht'' 
voltooid werd, 1642, ongeveer 22 jaar oud. Het portret dat hem als pastoor 
voorstelt is van 1660, en dus 18 jaar na de ^ Nachtwacht" gemaakt op ongeveer 
40-jarigen leeftijd. 

En inderdaad onder de jongere schutters komt éen kop voor, die zulk een 
opmerkelijke gelijkenis vertoont met het portret van pastoor iNGELS, dat ik geen 
oogenblik aarzel daarin den jongen advocaat Reynier Engelen of Ingels 
te herkennen. 

Beide portretten staan hiernevens afgedrukt en het verschil van 18 jaar 
heeft blijkbaar maar zeer weinig in de trekken van den sergeant veranderd, zooals 
men zelf kan beoordeelen. Denkt men bij den een den fantastischen helm en 
bij den ander het stijve calotje weg; ziet men over 't hoofd, dat de een, als een 
jolig jong sergeant zijn lange speer overmoedig vooruitsteekt, en dat de ander 
als een deftig en ernstig geestelijke gekleed, ook in gebaar, blik en houding een 
groot contrast met zijn jeugdig portret vormt, dan blijft er zooveel opmerkelijke 
overeenstemming in de onderdeden van beide gezichten, dat alle twijfel aan de 
gelijkheid der beide personen wordt uitgesloten. Het fijne, aristocratische neusje 
bezit zoowel de schutter als de pastoor, de vorm van het ovaal in 't gelaat is 



70 DE SERGEANT REYNIER ENGELEN OP REMBRANDTS .NACHTWACHT." 



1 1 



> 



u 



• it 



MV,i 



'I ^f 1^ 



>-!|i 



>'r' 



:t ê 



:t 



iti I 



i! I 



gdieel gelijk op beide portretten, evenals de boog der wenklnuuwen. Een indere 
bijzonderheid, de groote afstand van de wenld>rauw tot het oog^d, die in niet 
veel gezichten voorkomt, is hier op beide portretten al zeer opmerkelijk. Den 
zwarten knevel en sik van den pastoor bezit de 33-jarige sergeant natuurlijk nog 
niet| maar het dons is bij hem reeds in dezelfde lijn aanwezig. De kleur der 
oogen is ook op beide portretten donker blauw of grauw. 

Het komt mij voor, dat bij zooveel overeenstenuning, wel met zekeriidd 
kan worden aangenomen, dat de pastoor en de sergeant op de yNachtwacht^* éen 
en denzelfden persoon weergeven, en dat Dr. Hofstede de Groot in zijn grootsch 
uitgevoerd werk ^Die Urkunden fiber Rembrandt'^ op bL 123, volkomen terecht 
bij de vermelding van den sergeant, ztgt: „Reynier Engelen oder iNGELSwar 
ein Katholischer Rechtsanwalt und spater Geistlicher zu OutewaaL'' 

Hierdoor is het viertal personen op Rembrandt's meesterstuk, wier namen 
met zekerheid bij hunne portretten geschreven kunnen worden, met één vermeer- 
derd. Naast Frans Banning Cocq, Willem van Rüytenbürch, Jan Visschbr, 
den vaandrig en Jan van Kampoort, den tamboer, behoort voortaan desei^^eant 
Reynier Engelen met name te worden aangeduid in den schutter in de bovenste 
riji het dichtst bij den pilaar en vlak onder het marmeren schild staande. 

Ten einde de gelijkenis met zooveel zekerheid als mogelijk te kunnen 
bepalen is de afbeelding van ENGELEN op de „Nachtwacht" direct naar het 
origineel genomen en expres voor dit tijdschrift vervaardigd. Het portret van 
den pastoor wordt hier voor 't eerst gereproduceerd naar de schilderij in het 
Museum Amstelkring. 

Volgens de gegevens door mij aan van Rijckevorsel ontleend, zou 
Reynier Ingels reeds in 1640 geestelijke bediening hebben uitgeoefend, dus 
twee jaar voordat hij door Rembrandt geschilderd werd, zoodat onder den 
schuttershelm een priester zou schuilen. Onmogelijk is dit niet. Doch daar 
VAN Rijckevorsel voor dit jaar 1640 volstrekt geen bron aangeeft en ik een 
zoo vroegtijdig optreden van Reynier als priester nergens elders vermeld heb 
gevonden, durf ik de beweiing, dat hij in 1640 reeds gewijd was, niet volhoudeUi 
zonder nader bewijs. 

Elke bijzonderheid die tot verklaring van Rembrandt's nog zoo raadsel- 
achtig meesterstuk kan strekken, behoort te worden bekend gemaakt, van hoe 
geringe beteekenis men haar ook moge achten. Daarom worden hier beide por- 
tretten uitgegeven en heb ik gemeend wat van Reynier Ingels bekend U 
daarbij te moeten mededeelen. 

Amsterdam^ Febr. 1907. 



tl I 



De Schoorsteenen van het Amsterdamsch Stadhuis 



DOOR 
A. W. WEISSMAN. 



" B gewooate, om de schouwen in vertrekken te versieren, 

' werd hier te lande in de 1$*^ eeuw algemeen. Tot het laatst 

^ der i8e eeuw hield men haar ïaeere; zelfs toen de schouwen 

I voor de zoogenaamde „Engelsche scboorsteenen" begonnen 

plaats te maken, liet men die maar zelden geheel onver- 
' sierd, tenzij de kostbaarheid van het gebezigde marmer de 

' hulp van den beeldhouwer overbodig kon doen achten. 

' Jacob van Campen heeft, bij het ontwerpen van het Stadhuis voor Amster- 

'' dam, het bestaande gebruik gevolgd, en de schouwen der voornaamste verdieping 

^ van zijn ontwerp zóó geordonneerd, dat QUELLINUS en zijn helpers gelegenheid 

vonden, hun kunst te toonen. 
t Of deze bouwmeester ook de bedoeling heeft gehad, de boezems der 

schouwen ieder met een schilderij te versieren, blijkt niet. Wat echter wel vast 
staat is, dat jACOB VAN Caupen sedert 1654 zich niet meer met den bouw van 
het Stadhuis bemoeid heeft; in de stukken komt na i December van dat jaar 
geen uitgave w^ens hem vergoede reis- en verblijfkosten, noch wegens betaald 
honorarium meer voor. Ik vermoed, dat van Camfen met het Amsterdamsch 
stadsbestuur ongenoegen gekregen heeft over zijn houding jegens den wegens 
fraude In 1653 oneervol ontslagen stadssteenhouwer WiLLEM se Keyser, aan 



72 



DE SCHOORSTEENEN VAK HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 






: t 






I' '', t; 



*;- 



ifi 



.'.ï'. ■ 



• i 



■.:Vf 1 



" •: : i 
I,- ■; ,-i 






1 1 • 



: -rr 



til 






,1' if < . 



■■Ü 



• i 



:>i 



:i .• 



welken kunstenaar hij de uitvoering der graftomben van TROMP en VAN Galek 
had opgedragen. Wat hier echter van zij, in 1655, toen de eerste schoorsteen- 
stukken besteld en geplaatst zijn, is van Jacob VAN Campen in de documenten 
geen sprake meer. 

Wij beginnen onze wandeling door het Stadhuis op de pui, en, ons naar 
het noorden wendende, komen wij het eerst in de Justitiekamer. Hier zien wij 
tegenwoordig geen schouw meer, maar dat er een geweest moet zijn bewijst de 
plattegrond van het gebouw, die in het plaatwerk van Danckerts voorkomt. 
Die schouw vertoont daar twee kolonmien, doch verdere tnjzonderheden zijn uit 
den aard der zaak in een plattegrond niet te zien. 

Een schoorsteenstuk schijnt hier nooit geweest te zijn, althans Jan van 
Dijk, die in 1758 „alle de Schilderyen'' op het Stadhuis aanwezig, beschreef^ 
vermeldt in deze zaal alleen „een plafond, van drie bijzondere Stukken, geschildert 
door NicoLAAS DE Helt Stokkade,*' hetwelk er tegenwoordig nog is. 

Wij mogen dus aannemen, dat in 1808 deze schouw is weggebroken, en 
gissen, dat dit geschied is, wijl de versierselen, waarmede dj prijkte, in een 
koninklijk paleis minder passend werden geacht, wellicht omdat zij betrdddng 
hadden op de lijfstraffelijke rechtspleging. 

Wel maakt de staat der beeldhouwwerken, die A. W. Kroon in zijn 
^msterdamsch Stadhuis'' gaf, van geen schoorsteen in de Justitiekamer melding, 
maar deze schrijver, die geen beoefenaar der bouwkunst was, heeft bij het op- 
stellen van dezen staat zich blijkbaar hier en daar vergist. 

Zoo noemt hij, als gemaakt voor Burgemeesterskamer, behalve de mar- 
meren kapiteelen voor den schoorsteen, nog twee y»ronde kapiteelen van Avender- 
steen/' die daar niet meer te zien zijn, en waarvan het niet duidelijk is, waarvoor 
zij ooit gediend kunnen hebben, daar de oude plattegronden geen andere zuilen 
dan die der schouw vertoonen. Ik ben geneigd aan te nemen, dat dit de kapiteelen 
van de Justitiekamer geweest zijn, en zou dan ook den post van / 630, die voor 
beeldhouwwerk aan een schoorsteen betaald is, met dit vertrek in verband willen 
brengen. Immers de versiering van den schoorsteen in Burgemeesterskamer, 
^voorstellende den triomf van Fabius Maximus," is met / 500 betaald, en een 
tweeden schoorsteen heeft deze zaal nimmer gehad. 

De kamer „der Heeren XXXVI Raden," ook wel de Vroedschapskamer 
genoemd, grenst ten noorden aan de Justitiekamer. Deze zaal, die ook de 
tusschenverdieping omvat, is een der fraaiste van het gebouw. Men ziet er twee 
schoorsteenen, wier boezems elk door vier zuilen gedragen worden. Deze zuilen 
van rood marmer vertoonen de Composiet-orde in haar van wit marmer uitge- 
voerde kapiteelen en basementen. 



I uu I ' Il 

■§■!;■' il 



f, ' 



m 



CIlTlS 



DE SCHOORSTEENEN VAN HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 78 



J 



Wanneer men de lijst der beeldhouwwerken van QuELLljN, zooals KROON 

^^ die geeft, raadpleeg^t, dan vindt men daarop voor deze zaal vier ronde en 

iia vier halve kapiteelen met honden-, leeuwen- en wol venkoppen vermeld. Doch de 

schoorsteenen hebben ieder vier zuil- en vier pilaster-kapiteelen, waaraan geen 

es,: koppen te zien zijn, daar zij getrouw naar de Composiet-orde van SCAMOZZI 

[£5: zijn gevolgd 

3 !rr Maar de caissons van het gewelf vertoonen wel honden- en leeuwenkoppen, 

§vr zoodat deze met de yikapiteelen'' van 1654 bedoeld moeten zijn. 

ede: De kapiteelen der schoorsteenen zullen wel in 1656 gemaakt zijn, toen ook 

QUELLIJN / 976 voor de friezen betaald kreeg. Symon Bosboom stond toen aan het 

jKji hoofd der stads-steenhouwerij, en deze meester, die SCAMOZZi vertaald heeft, was 

.1,5 zeker wel de man, om zulke kapiteelen te modelleeren. 

.«r De friezen van QuELLijN hebben in hoofdzaak een ornamenteel karakter; 

•^ toch ontbreken daarin de zinnebeelden niet, zooals de sfinxen, als toespeling op 

t^ de keuze, die de Vroedschap ieder jaar in Januari ter vervulling der regeerings- 

!. . ambten had te doen, en de honden, die de trouw aan de stad beduiden. 

.^ Is het van den aanvang af de bedoeling geweest, de schoorsteenen van 

schilderijen te voorzien? Het antwoord op deze vraag zal wel moeielijk te geven 
zijn. Dat de eigenlijke schoorsteenboezem, schuin oploopend, boven het bekronend 
fronton uitkomt, wijst er op, dat de oorspronkelijke ontwerper een smallere 
schouw heeft willen maken, en dat pas later tot den tegenwoordigen vorm be- 
sloten is. Na 1654 heeft Jacob van CampEN zich niet meer met het Stadhuis 
ingelaten, doch is Stalpaert daar de leider geworden. Van hem moet de ordon- 
nantie dezer schouwen afkomstig zijn, die nu juist niet geacht kan worden, door 
goeden smaak uit te munten. Immers de zware, bijna vierkante boezem is in 
geen verhouding tot de fijne zuilen die hem dragen. 

Wij weten ondertusschen niet, welke de bedoeling van jACOB VAN Campen 
geweest is, daar van zijn teekeningen niets is overgebleven, en het prentwerk 

^^ van Danckerts alleen den in 1662 bestaanden toestand geeft. 

*' Den I2den Juli 1657 ontving GOVERT Flinck /2S00 voor het noordelijke 

^ schoorsteenstuk, dat Salomo's gebed om wijsheid voorstelt. Het zal wel kort 

i' daarna geplaatst zijn. 

Jan Bronkhorst kreeg in 1659 opdracht om het zuidelijke schoorsteen- 

^ stuk te maken, dat JETHRO en MozES, de wet aan de oversten gevend, voorstelt. 

s- Hij kreeg er slechts / 1000 voor, en toen hij het 14 Januari 1660 gereed had, eischten 

de heeren, dat hij het zou ^verbeteren'', zonder daarvoor extra betaling te verlangen. 
MiCHlEL COOMANS schilderde in 1658 onder het stuk van FuNCK 
Vondel's vers: 

Cud-HoUand 1907. 10 












r 



I 



74 D£ SCHOORSTEENEN VAN HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 

Door Salomo^s gebed en Offer God behagen. 

Werd hem de Wisheid *t nachts beloofd uit 't Hemeli Troon, 

Met eenen Rijkdom, Eer en veelgewenichte Dagen* 

Waar Wisheid raden mag daar spant de Staet de Kroon. 

Onder het zuidelijke stuk stond niets. Want VAN DijK zegt: ^Ik vinde 
dit Vaars daartoe gemaakt te zijn, maar b niet daaronder geschreven : 

De groote Mozcs geeft aan t Volk des Hemels Wetten, 
Ten eind het zgne Ziel niet mokloos zouw besmetten, 
Dit was een Baken Toor het dwalende geslacht. 
De Wetten zQn een Zuil, en schragen *t land met Macht'* 

Waarom dit gedicht achterwege werd gelaten, vermeldt VAN Dijk niet 
Misschien was het den heeren te democratisch en wilden de XXXVI Raden niet 
met h^t volk, noch met een ^dwalend geslacht'' vergeleken worden. 

In de i8e eeuw werd het stuk van Bronkhorst aan Ferdinand Bol 
toegeschreven. Van Dijk vermeldt althans uitdrukkelijk, dat jAN BRONKHORST, 
en niet Rembrandt's leerling, de maker is, wat door de Thesauriersrekening 
bevestigd wordt. 

Over de schilderij van Flinck is VAN DijK uitvoeriger, ^'t Is wel een 
van zijn beste stukken, die uit zijn Penceel voortgekomen zijn; 't is om zo te 
spreeken zonder Verve^ of onvervig; hij heeft het hemelsblauw alleen aan de 
Hemelsche Wijsheid en den Hogepriesterlijke Rok gebruikt, maar den Koning 
Salomon een Goudlaakens kleet gegeven, en geene van de drie Verven, die op 
Gods bevel tot de Tente der tezamenkomste gewijd waren, als Purper, Scharlaken 
en Heemelsblauw gebezigd, wel begrijpende, dat deze drie Verven aan geen 
Perzoonen buiten den Hogepriester pasten om te dragen. Een Stuk Schilderij, 
dat niet alleen waardig is om gepreezen te worden, maar dat alle Historie- 
schilders, zo wel weegens Ordonnantie, Groeping, Houding en Couleuren tot een 
voorbeeld dienen kan." 

Inderdaad verdient de schilderij den lof, dien van Dijk haar toebrengt. 

De schoorsteen in de Weeskamer, die door Jonische zuilen en pilasters 
wordt gedragen, is waarschijnlijk door VAN Campen ontworpen. Immers QUELUJN 
maakte reeds in 1654 de fries, die met kinderkopjes versierd is, als toespeling 
op de bestemming van het vertrek. In datzelfde jaar sneed hij ook de festoenen 
en de wapens (sedert weggehakt) der Weesmeesteren, welker ordonnantie geheel 
in den geest van Jacob VAN Campen is. 

Het schoorsteenstuk verbeeldt Lycurgus, die «zijn neef tot zoon aanneemt, 
en is geschilderd door CORNELIS Holsteyn, die zich hier een goed colorist 
heeft getoond en ook in de verdeeling van het licht en bruin g^elukkiger is ge- 
weest dan anders. 



D£ SCHOORSTEENEN VAN HET AMSTERDAM8CH STADHUIS. 75 

De twee vertrekken aan de noordzijde van het gebouw, die thans volgen, 

hebben schouwen, die veel eenvoudiger zijn, dan de overige. Hier waren de 

Assurantiekamer en de Desolate Boedelkamer gevestigd, twee colleges, die 

minder hoog op de ranglijst stonden dan de andere. De versiering der schouwen 

bepaalt zich tot consoles en zuiver ornamenteel bewerkte friezen, die niet op den 

staat van QUELLIJN voorkomen. Alleen de in eikenhout gesneden festoenen en 

wapens die de schoorsteenstukken omgeven vindt men daar. 

Het schoorsteenstuk wordt door VAN DiJK, wat de Assurantiekamer aan* 

gaat, dus verklaard yjn de Assurantiekamer voor den Schoorsteen staat een 

schilderiji alwaar Thezeus het kluwen, dat hem uit den Doolhof van Minos 

geholpen heeft, weder teruggeeft. De verslagen Minotaurus leit voor het Doolhof 

in het verschiet." Het stuk is gemerkt: „Willem Brassemary 1657." Omtrent 

dezen meester zegt van Dijk, dat hij ook Strijker heette, doch verder gaan 

zijn mededeelingen niet dan y^van wien ik nergens iets beschreven vinde/' 

Dan vervolgd hij: y,In de Kamer van den Desolaten Boedel staat ook een stuk 

voor den Schoorsteen van Theodorus de Keyzer 1657, verbeeldende een Maagd 

in het Wit gekleed, met een Kroontje op 't Hoofd aan een oever van de Zee, 

met eenige Maagden, die Goed op een Wagen op- of afladen, voor haar knielt 

een Man met Wijngaarts Bladen omwonden, wijzende op een Tafel met Fruit, 

aan den Oever geplaatst. Ik voor mij kan hier geen andere zin in vinden, als 

daar Thezeus, Ariadne te Naxos aan land gezet en verlaten hebbende, door 

Bachus wert opgenomen, waardoor de desolate toestand van Ariadne door Bachus 

hersteld wierd/' 

Het is mij niet gelukt, een handteekening op dit stuk te vinden. De 

kamer, op het noorden tegenover de Nieuwe Kerk gelegen, is slecht ver- 

^ licht, en de schilderij nogal donker. Een Theodorus de Keyser is als schilder 

niet bekend, wel Thomas de Keyser, die kort daarna als stadssteenhouwer zijn 

leven zou eindigen en die vooral vóór 1640 als portretschilder vermaard was. 

Wanneer deze schilderij werkelijk van Thomas DE Keyser is, dan heeft zij 

waarde niet slechts als zijn eenige historiestuk, maar ook omdat zij blijkbaar 

'" onder Rembrandt's invloed is ontstaan. 

^ Van Dijk heeft het onderwerp niet begrepen. Het is Odysseus, die 

^ Nausikaa aanspreekt, nadat hij als schipbreukeling is komen aanspoelen. De 

^ gezellinnen van Nausikaa laden het waschgoed op den wagen. In een Desolate 

Boedelkamer past zulk een stuk zeer goed. 

i De schoorsteen in de Rekenkamer vertoont dezelfde ordonnantie als die 

^ der Weeskamer, maar hier is geen marmer, doch zandsteen gebruikt. QuELLijN 

heeft de fries in 1656 voor / 168 gemaakt, en daarenboven nog voor / 170 aan 

10» 



f! 

■f 



.f» 



f 



HV 



' .ki' 't' 

l*- '1* ui 



1 :J I: 



1 1 •' ■ i 












-''iN|':: 

!■ ''ft;' fi 






.''' 'A 



.y 



::ii 



' r 



! 't •/, 



1 f ' fc '' 



!:-W 



t'l'i ' • [ 



Ij';:: 



i!'ir; 



:! ■;'' •■''■ 

'I* ' 'f' 



78 



DF SCHOORSTEENEN VAN HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 



den ontwerper houden. Blaar de omgeving van het schoorsteenstuk is door Qoelujk 
eerst in 1656 uit eikenhout gesneden. Blijkbaar is sij een navolging van de ordon- 
nantie, die JACOB VAN Campen reeds in 1654 voor de Weeskamer had gegeven. 

Het schoorsteenstuk, door Nicolaas de Helt Stockade, verbeddt, volgens 
VAN Dijk „het Koomhuys van EgipteUi alwaar de Onderdaanen niet alleen haar 
Goud, Zilver en Juweelen, maar ook zich en hunne Kinderen aanbieden» om 
Brood te mogen hebben.** 

Van Dijk las daaronder nog ^et Vaars van J. van Vondel.** 

Geheel Egypten brengt den Rjxroogt Schat en HsTen, 
En leeft nu leeven jaar bg 't uitgereikte graan. 
Het Vrije Volk, door noot, word 'sKonings eyge SlaaTen: 
Eens Mans voorzichtigheit kan duizenden verziUüi. 

Toen koning LODEWIJK NAPOLEON dit vertrek tot slaapkamer bestemde 
heeft men het vers door overschildering aan het oog onttrokken, daar het Z. Bf. 
niet aang^iaam kon zijn, te lezen, dat ^het vrije volk, door nood, tot zijn slaven^ 
was geworden. 

Burgemeestersvertrek, waar de Oud Raad vei^^aderde, is aan den Dam 
gelegen, en komt geheel overeen met de reeds genoemde Vroedschapskamer of 
Raadszaal. De twee schouwen zijn van 1655 en dus waarschijnlijk wel door 
Stalpaert ontworpen. 

De friezen der schoorsteenen prijken met kinderfiguurtjeS| die verschillende 
zinnebeelden houden. Het zuidelijke schoorsteenstuk is van GOVERT Flinck, 
^zijnde de Historie van Marcus Curius, waarvan de verklaring door den grooten 
VONDEL| in het daaronder geschreven Vaars duidelijk uitgedrukt is. 

Op Burgermeesters wagt mag Romen veilig slapen, 
Als Marcus Curius, het aangeboden gout 
Versmaande, zich vemoegt met een geregt van Rai^en: 
Zoo wort door Matigheid en Deugt een Staat gebout." 

Wanneer dit stuk geschilderd is, staat niet vast. Flinck stierf in 1660, 
en het moet dus vóór dien tijd voltooid zijn geweest Ik gis, dat het pas na 
^Salomo's gebed'' is gemaakt, dat in 1657 gereed was. Misschien hebben de 
minder goede ervaringeni die men met Jan Bronkhorst had opgedaan, toen 
hem het tweede stuk voor de Raadzaal besteld was, de heeren er wel toe ge- 
bracht om zich voor het tweede stuk in Burgemeestersvertrek tot Ferdinand 
Bol te wenden. Volgens VAN DijK is de ^Aartsdichter JoosT VAN den Vondel" 
de maker van het vers, dat onder de schilderij staat en dat dus luidt: 

Fabritius houdt stand in Pirrhus Legertenten, 

Het Goud verzet hem niet, noch schandelijke zucht, 

Noch EleÊtnts gebriesch, noch felle dreigementen. 

Zoo zwicht geen Man van Staat voor gaven noch gemcht'* 



, Il •'' "i i; '' ' 

'.*'■' ''iMi . ''''■' lil''; 



1:11,:' 



OS SCHOORSTEENEN VAN HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 79 

1? Wij komen nu in Burgemeesterskamer, het voornaamste vertrek van allen, 

i en hebben dan onze wandeling door het Stadhuis volbracht. 

t Wanneer men den plattegrond van het gebouw beziet, dan wordt men 

} aanstonds getroffen door de volkomen symmetrie, welke alleen door den aanleg 

If van Burgemeesterskamer wordt verbroken. Jacob van Campen, die als klassiek 

I meester veel aan volmaakte symmetrie hechtte, moet zich, in zijn oorspronkelijk 

ontwerp, Burgemeesterskamer als tegenhanger* van de Justitiekamer hebben gedacht. 
Een bewijs daarvoor is te vinden in den plattegrond van Danckerts, waar.de 
ingeschreven maat voor beide vertrekken 36 voet bedraagt^ ofschoon zoowel het 
meten op dien plattegrond als in de werkelijkheid een verschil van 4 voet 
aangeeft. 

Blijkbaar was het de bedoeling van den oorspronkelijken ontwerper, om beide 
, vertrekken 40 voet lang te maken, doch is dit alleen bij de Justitiekamer gebeurd. 

Op den plattegrond is de, thans verwijderde, schouw der Justitiekamer 
die zich aan de zijde der Vierschaar bevindt, duidelijk te zien. Zoo moet ook 
oorspronkelijk de schouw in Burgemeesterskamer zijn ontworpen, die dan dezelfde 
breedte zou hebben gekregen als die, welke men in de Weeskamer en de The- 
saurie ziet, vertoonen. 

Waarom werd in deze ordonnantie verandering gebracht? Omdat Burge- 
meesteren wenschten, dat een venster gemaakt zou worden, waardoor zij uitzicht 
in de Vierschaar konden ^hebben, als daar vonnissen werden voorgelezen. De 
^ rechtspraak geschiedde door Schout en Schepenen, zoodat de Burgemeesteren 

^ daar eigenlijk niets mede te maken hadden. De Schout had zelfs van ouds den 

voorrang boven Burgemeesteren. Om nu echter hun hoogheid ook bij de recht- 
spraak te doen gevoelen, plaatsten de Burgemeesteren zich voor hun geopend 
venster, als er in de Vierschaar recht werd gesproken. 

Dit venster heeft de geheele ordonnantie van jACOB VAN Campen bedorven, 
en het valt moeilijk aan te nemen, dat deze kunstenaar, die ^un homme fascheux'' 
was volgens Huygens, zich zonder verzet tot het maken daarvan heeft laten 
vinden. Zeer mogelijk is, dat hij de verandering niet wilde maken, daarover 
ongenoegen gekr^en heeft, en dat hij zich ook daarom na 1654 niet meer met 
het Stadhuis heeft ingelaten. 

De heeren vonden in Stalpaert een meer meegaand man, en van hem 
zal dan ook wel de ordonnantie in Burgemeesterskamer afkomstig zijn, die aller- 
minst gelukkig kan genoemd worden. 

Immers om zoo goed mogelijk de symmetrie te herstellen, die door het 
maken van de vensteropening verbroken was, moest de ontwerper zijn toevlucht 
nemen tot een systeem van Korinthische pilasters die, daar het niet mogelijk 



t$ 



. ■[_ 






: .r;';i ■. 



1' v- 



%ï'i^ • 



.■[ ' 'f. 



1." -4:- 



' 'tl 



78 



DF SCHOORSTEENEN VAN HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 



den ontwerper houden. Blaar de omgeving van het schoorsteenstuk is door QOELUJK 
eerst in 1656 uit eikenhout gesneden. Blijkbaar is zij een navolging van de ordon- 
nantie, die JACOB VAN Campen reeds in 1654 voor de Weeskamer had gegeven. 

Het schoorsteenstuk, door Nicolaas de Helt Stockade, verbeddt, volgens 
VAN Dijk „het Koomhuys van Egipteui alwaar de Onderdaanen niet alleen haar 
Goud, Zilver en Juweelen, maar ook zich en hunne Kinderen aanbieden» om 
Brood te mogen hebben.** 

Van Dijk las daaronder nog ^et Vaars van J. van Vondel.** 

Geheel Egypten brengt den Rijzroogt Schat en HsTen, 
En leeft nu leeven Jaar bg 't uitgereikte graan. 
Het Vrqe Volk, door noot, word 'sKonings eyge SlasTen: 
Eens Mans voorzichtigheit kan duizenden verzaAn. 

Toen koning LODEWIJK Napoleon dit vertrek tot slaapkamer bestemde 
heeft men het vers door overschildering aan het oog onttrokkeOi daar het Z. Bf. 
niet aang^iaam kon zijn, te lezen, dat ^het vrije volk, door nood, tot zijn slaven** 
was geworden. 

Burgemeestersvertrek, waar de Oud Raad vergaderde, is aan den Dam 
gelegen, en komt geheel overeen met de reeds genoemde Vroedschapskamer of 
Raadszaal. De twee schouwen zijn van 1655 en dus waarschijnlijk wel door 
Stalpaert ontworpen. 

De friezen der schoorsteenen prijken met kioderfiguurtjesi die verschillende 
zinnebeelden houden. Het zuidelijke schoorsteenstuk is van GOVERT FUNCK, 
^zijnde de Historie van Marcus Curius, waarvan de verklaring door den grooten 
Vondel, in het daaronder geschreven Vaars duidelijk uitgedrukt is. 

Op Burgermeesters wagt mag Romen veilig slapen, 
Als Marcus Curius, het aangeboden gout 
Versmaande, zich vemoegt met een geregt van Raapen: 
Zoo wort door Matigheid en Deugt een Staat gebout" 

Wanneer dit stuk geschilderd is, staat niet vast. Flinck stierf in 1660, 
Gi het moet dus vóór dien tijd voltooid zijn geweest Ik gis, dat het pas na 
^Salomo's gebed'' is gemaakt, dat in 1657 gereed was. Misschien hebben de 
minder goede ervaringeui die men met Jan Bronkhorst had opgedaan, toen 
hem het tweede stuk voor de Raadzaal besteld was, de heeren er wel toe ge- 
bracht om zich voor het tweede stuk in Burgemeestersvertrek tot FerdinakD 
Bol te wenden. Volgens van Dijk is de „Aartsdichter Joost van den Vondel" 
de maker van het vers, dat onder de schilderij staat en dat dus luidt: 

Fabritius houdt stand in Pirrbus Legertenteni 

Het Goud verzet bem niet, noch schandelijke zucht, 

Noch EleÊtnts gebriesch, noch felle dreigementen. 

Zoo zwicht geen Man van Staat voor gaven noch gemcht'* 



OE SCHOORSTEENEN VAN HBT AMSTERDAMSCH STADHUIS. 19 

^ Wij komen nu in Burgemeesterskamer, het voornaamste vertrek van allen, 

i en hebben dan onze wandeling door het Stadhuis volbracht. 

I Wanneer men den plattegrond van het gebouw beziet, dan wordt men 

} aanstonds getroffen door de volkomen symmetrie, welke alleen door den aanleg 

i van Burgemeesterskamer wordt verbroken. Jacob van Campen, die als klassiek 

i meester veel aan volmaakte symmetrie hechtte, moet zich, in zijn oorspronkelijk 

ontwerp. Burgemeesterskamer als tegenhanger* van de Justitiekamer hebben gedacht. 
Een bewijs daarvoor is te vinden in den plattegrond van Danckerts, waar. de 
ingeschreven maat voor beide vertrekken 36 voet bedraagt^ ofschoon zoowel het 
meten op dien plattegrond als in de werkelijkheid een verschil van 4 voet 
aangeeft. 

Blijkbaar was het de bedoeling van den oorspronkelijken ontwerper, om beide 
T vertrekken 40 voet lang te maken, doch is dit alleen bij de Justitiekamer gebeurd. 

Op den plattegrond is de, thans verwijderde, schouw der Justitiekamer 
die zich aan de zijde der Vierschaar bevindt, duidelijk te zien. Zoo moet ook 
oorspronkelijk de schouw in Burgemeesterskamer zijn ontworpen, die dan dezelfde 
breedte zou hebben gekregen als die, welke men in de Weeskamer en de The- 
saurie ziet, vertoonen. 

Waarom werd in deze ordonnantie verandering gebracht? Omdat Burge- 
meesteren wenschten, dat een venster gemaakt zou worden, waardoor zij uitzicht 
in de Vierschaar konden ^hebben, als daar vonnissen werden voorgelezen. De 
^ rechtspraak geschiedde door Schout en Schepenen, zoodat de Burgemeesteren 

^ daar eigenlijk niets mede te maken hadden. De Schout had zelfs van ouds den 

voorrang boven Burgemeesteren. Om nu echter hun hoogheid ook bij de recht- 
spraak te doen gevoelen, plaatsten de Burgemeesteren zich voor hun geopend 
venster, als er in de Vierschaar recht werd gesproken. 

Dit venster heeft de geheele ordonnantie van jACOB VAN Campen bedorven, 
' en het valt moeilijk aan te nemen, dat deze kunstenaar, die ^un homme fascheux'' 

was volgens HuygeNS, zich zonder verzet tot het maken daarvan heeft laten 
vinden. Zeer mogelijk is, dat hij de verandering niet wilde maken, daarover 
ongenoegen gekr^en heeft, en dat hij zich ook daarom na 1654 niet meer met 
het Stadhuis heeft ingelaten. 

De heeren vonden in Stalpaert een meer meegaand man, en van hem 
zal dan ook wel de ordonnantie in Burgemeesterskamer afkomstig zijn, die aller- 
minst gelukkig kan genoemd worden. 

Immers om zoo goed mogelijk de symmetrie te herstellen, die door het 
maken van de vensteropening verbroken was, moest de ontwerper zijn toevlucht 
nemen tot een systeem van Korinthische pilasters die, daar het niet mogelijk 



80 



I» SCHOORSTEENEN YAN HET AMSTERDAMSCH STADHUIS. 



:*' , i;- ;: 



1 -^ï f 



i/i 



: iv ■ '.' 






.N ,. ; 



il.:''/' 



hi.:. • 



*'l . 



I 11' 



t . 



"Ni *' n' . 



* * 1 



I 



l.':.-. 



,''.' 



>,■ 'ft t 



wasy ze van een hoofdgestel te voorzien, al heel weinig oi^nisch in de ordon- 
nantie zich voegen. 

De plaatsing van deze pilasters moest daarenboven uit den aard der zaak 
zeer onregelmatig zijn. Ter wederzijden van het venster in de Vierschaar ziet 
men er een^ die met twee andere tegen den zuidelijken muur overeenkomen. 
Om nu althans twee gelijke intercolumnien te verkrijgen, werd aan de oostajde 
het pilastersysteem verdubbeld, een vrijheid, die JACOB VAN Campen, als over- 
tuigd Palladiaan, zeker zich niet heeft veroorloofd. 

Tegenover het venster in de Vierschaar werd de schouw aangelMacht, die, 
om niet te dicht tegen de Korinthische muurpilasters te komen, aanzienlijk 
smaller moest worden dan de overige op deze verdieping. De aansluiting van 
den boezem tegen de zoldering, in de andere vertrekken op ongezochte wijze 
tusschen de binten bewerkstelligd, leverde hier moeielijkheden op, die Stalpaert 
slechts wist te boven te komen, door aan den boezem een afzonderlijke kroonlijst 
te geven, en de zoldering daarboven te laten doorloopen. Niet slechts de man 
van het vak, maar ook de leek ziet aanstonds, dat de schoorsteen als het ware 
een hors d'oeuvre is. 

De vraag, wanneer deze verandering gemaakt werd, kan niet met volstrekte 
zekerheid worden beantwoord. Op de lijst van QuELLijN vindt men, dat in 1654 
voor dit vertrek werden gemaakt twee kapiteelen van marmer, twee ronde kapi- 
teelen van Avender-steen, vier kleine festoenen van Avender-steen en twee groote 
imposten van marmer. 

De twee kapiteelen van marmer zou men geneigd zijn, voor die van den 
tegenwoordigen schoorsteen te houden, ware het niet, dat deze, daar zij volkomen 
naar de Korinthische orde zijn gevolgd, QUELUJNS kunstvaardigen beitel evenmin 
zullen hebben van noode gehad als de kapiteelen der andere schouwen, die dan 
ook niet de lijsten voorkomen. 

Wij zagen reeds, dat de ^kapiteelen*' die op de lijst voor de Raadzaal 
voorkomen, inderdaad caissons geweest zijn. Caissons ziet men echter in Burge- 
meesterskamer niet, en zij kunnen er ook, nooit geweest zijn. 

Ik houd het er voor, dat de kapiteelen wel voor den oorspronkelijken 
schoorsteen van Burgemeesterskamer zijn gemaakt, maar niet geplaatst. Wellicht 
heeft men ze, gelijk ik vroeger veronderstelde, voor den schoorsteen in de 
Justitiekamer, nu gesloopt, gebruikt. 

De schoorsteenfries, voorstellende den triomf van Fabius Maximus en het 
snijwerk aan den schoorsteen zijn van 1655, waaruit ik meen te mogen afleiden, 
dat de verandering in de ordonnantie van dit vertrek in het begin van dit jaar 
moet hebben plaats gevonden. 



:i '■ 



,11! 



»■ > :• 



'. :•? 



"t", ' 



Dfi &CHOORSTEENEN VAN HBT AMSTERDAMSCH STADHUIS. « 81 

De aandacht verdient ook een post, die op de lijst van QUELLIJN voor- 
komt en die luidt: ^,6 kertossen van Avender steen aan het gewelf/' welke 
cartouches in 1655 geleverd zijn. De kamer heeft echter geen gewelf. Bezat 
zij er aanvankelijk een, en is ook de tegenwoordige zoldering pas in 1655 ge- 
maakt? Of moeten wij hier denken aan een vergissing, en is het gewelf in 
Burgemeestersvertrek, grenzende aan Burgemeesterskamer, bedoeld? Ik houd het 
laatste voor het meest waarschijnlijk. 

Ook de fries van QuELLijN, die den triomftocht van Fabius Maximus 
voorstelt, heeft een merkwaardigheid. Deze optocht begint reeds op het 
oostelijke zijvlak en eindigt aan het westelijk eind van de voorzijde. Het wes- 
telijk zijvlak is gevuld met een voorstelling, welke niets met het eigenlijke 
onderwerp te maken heeft. Dit alles laat zich op ongezochte wijze verklaren, 
wanneer men aanneemt, dat de fries oorspronkelijk voor een breederen schoorsteen 
bestemd is geweest, doch in twee stukken geplaatst is, waarvan het kleinste het 
zijvlak en het grootste het voorvlak van de tegenwoordige schouw inneemt. 
Toen kwam men nog één zijvlak te kort, en daarvoor zou dan het relief gemaakt 
zijn, dat geheel afzonderlijk werd behandeld. 

Voor den oorspronkelijken schoorsteen was een schilderij noodig, langer 
en minder hoog, dan die men nu ziet. Immers het versmallen van den boezem 
heeft ook het verkorten van de Korinthische zuilen ten gevolge gehad, opdat de 
goede verhouding zooveel mogelijk bewaard zou blijven. 

Dit schoorsteenstuk nu meen ik te herkennen in de schilderij van Rembrandt, 
die als y^Scipio*' verleden jaar in de Lakenhal te Leiden was tentoongesteld. Of het de 
schilderij zelf was of wel alleen een ontwerp daarvoor, blijve in het midden. 
Hetzelfde onderwerp is behandeld als wat Vondel, toen Lievensz het stuk voor 

den veranderden schoorsteen gemaakt had, dus omschreef: 

De zoon van Fabius gebiedt zijn eigen vader 
Van 't paard te stijgen voor Stads Eer en Achtbaarheid. 
Die kent geen bloed, doch eischt, dat hij eerbiedig nader. 
Zoo eert een man van Staat het ambt hem opgeleid. 

Ik veronderstel, dat HENDRIK VAN Uylenburg, aan wien volgens de 
Stadsrekening in 1656 een bedrag van / 630 betaald werd voor het j^schoon- 
maecken ende uythalen" der schilderijen op het Stadhuis, zijn zwager REMBRANDT 
VAN Rijn bij Burgemeesteren zal hebben aanbevolen. Of Rembrandt werkelijk 
een bestelling heeft gekregen, blijkt niet. Doch in ieder geval was het stuk, 
toen de schoorsteen veranderd was, niet meer te gebruiken. En het is zeer ver- 
klaarbaar, dat, als de g^oote meester kort na 1655, toen hij zijn stuk voltooid 
had, in geldelijke moeilijkheden geraakt, men zich tot jAN LiEVENSZ wendt om 
de schilderij te maken, die nog als schoorsteenstuk aanwezig is. 

Oud'Holland 1907. 11 



Teekening van Aart Schouman, in het bezit van den Heer 
H. Th. Gerritsen te 's Oravenhage. 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS 

DOOR 
DR. A. BREDIUS en E. W. MOES. 



II. 

IE broeder, dien Aert Mytkns te 's Gravenhage heeft opge- 
zocht, zal vermoedelijk de zadelmaker van Zijne Excellentie 
Maerten Mytens geweest zijn '). Deze was in 1551 of 
1552 geboren, en had na zijn huwelijk met AnnekePietersdr. 
Clement eerst te Brussel gewoond, waar 1581/82 zijn 
oudste zooD David geboren werd. Ook te Delft heeft hij 
verblijf gehouden, maar eerst te 's Gravenhage is bij een 
persoon van aanzien geworden. Een overlevering, door zijn nakomelingen ïn eere 
gehouden, wilde zelfs, dat de prins hem te vergeefs aangezocht zou hebben, zich 
een benoeming tot burgemeester te laten welgevallen. 13 Mei 1612 verkocht hij 
een huis, gelegen aan de Westzijde van de Veenestraat, aan zijn zoon David 
voor/ 3450, Vóór 1632 moet hij gestorven zijn. 

Uit Maerten's huwelijk met Anneke Clehent zijn vier zoons bekend, 
David, Damiei^ Abraham en Isaac. De oudste, reeds genoemde David volgde 
op in 's vaders ambacht, evenals Abraham, die 25 Dec. 1622 huwde met Sara 

]) tD 1597 wu M ook «en Hahb Mttbis in de Hugiche Coofreije (OniBx'i Archief lU p. aS^). 



i' 






Teekening van Aart Schouman, tn het bezit van den Heer 
H. Th. Gerritsen te 's Oravenhage, 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS 

DOOR 
DR. A. BREDIUS EN E. W. MOES. 



II. 

IE broeder, dien Aert Mytkns te 's Gravenhage beeft opge- 
zocht, zal vermoedelijk de zadelmaker van Zijne Excellentie 
Maerten Mvtens geweest zijn ■}. Deze was in 1551 of 
1 552 geboren, en had na zijn huwelijk met ANNEKE Pietersdr, 
Clement eerst te Brussel gewoond, waar 1 58 1/82 zijn 
oudste zoon David geboren werd. Ook te Delft heeft hij 
verblijf gehouden, maar eerst te 's Gravenhage is hij een 
persoon van aanzien geworden. Een overlevering, door zijn nakomelingen ineere 
gehouden, wilde zelfs, dat de prins hem te vet^eefs aangezocht zou hebben, zich 
een benoeming tot burgemeester te laten welgevallen. 13 Mei 1612 verkochthij 
een huis, gelegen aan de Westzijde van de Veenestraat, aan zijn zoon David 
voor f 3450. Vóór 1633 moet hij gestorven zijn. 

Uit Maerten's huwelijk met Anneke Cleuent zijn vier zoons bekend, 
David, Daniel, Abraham en Isaac. De oudste, reeds genoemde David volgde 
op in 's vaders ambacht, evenals ABRAHAM, die 35 Dec. 1623 huwde met Sara 

1) In 1597 WM er ook een Hans Mttkhs ia de Haacsche ConlreTie (Obukh'i Archief 111 p. 084). 



Teekening van Aart Schouman, in het bezit van den Heer 
H. Th. Gerritsen te 's Gravenhage. 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS 

DOOR 

Dr. a. bredius en e. w. moes. 



II. 

IE broeder, dien Aert Mytens te 's Grnvenhage heeft opge- 
zocht, zal vermoedelijk de zadelmaker van Zijne Excellentie 
Maerten Mytens geweest zijn '). Deze was in 1551 of 
1552 geboren, en had na zijn huwelijk met Anneke Pietersdr. 
Clement eerst te Brussel gewoond, waar 1581/82 zijn 
oudste zooQ David geboren werd. Ook te Delft heeft hij 
verblijf gehouden, maar eerst te 's Gravenhage is hij een 
persoon van aanzien geworden. Een overlevering, door zijn nakomelingen in eere 
gehouden, wilde zelfs, dat de prins hem te vei^eefs aangezocht zou hebben, zich 
een benoeming tot burgemeester te laten welgevallen. 13 Met 1612 verkochthij 
een huis, gelegen aan de Westzijde van de Veenestraat, aan zijn zoon David 
voor ƒ 3450. Vóór 1632 moet hij gestorven zijn. 

Uit Maerten's huwelijk met Anneke Cleuent aia vier zoons bekend, 
David, Daniel, Abraham en Isaac. De oudste, reeds genoennde David volgde 
op in 's vaders ambacht, evenals ABRAHAM, die 2$ Dec. 1632 huwde met Sara 

]) In 1597 WH ar ook een Hans Mttbhe in de Haigsche Coofreiie (Obrikk'i Archief III p. at^). 



H DE SCHILOERSFAWLIE MYTENS. 

Elsevier en de stamvader werd van een talrijk nageslacht, dat vele officieren 
voor 's lands vloot opgeleverd heeft, o. a. Martinus Mytens, deo commandant 
van bet schip ^de Brak", waarmede in 1743 Jan Dekker en BiARlA ter He- 
TtJJSS na een lange gevangenschap in Barbarije van Tetuan naar Holland terug» 
gebracht werden*). Voor zoover wij konden nagaan Is zijn laatste mannelijke 
afstammeling, Arrahah Mytens, eerst luitenant4er-zee, later luitenant-militair te 
Colombo, I April 1764 te Negapatnam gehuwd met MARIA SOPHIA Hasz. *) 
De tweede zoon van Maerten Mytens was 

DANIEL MYTENS 

geboren te Delft, vermoedelijk omstreeks het jaar 1590. Hij werd schDder, en 
zoo hij al geen leerling van Miereveldt geweest is, dan is hij toch onder diens 
invloed o[^egroeid. Hij vestigde zich te 's Gravenhage en deed daar 1610 zijn 
intrede in de Confrerie *). 11 Nov. 1612 teekenden Daniel MytEns /owfufa» 
en Gratia Cletsers, jonge dochter, beijde wonende alkier in den Hege, aan en 
20 Nov. werd het jonge paar door D». La Faille getrouwd. Werk van hem 
uit zoo vroegen tijd is voorshands niet bekend. Misschien kan er toe gerekend 
worden een portret van Frederik Hendrik, dat als geschilderd door D. Mytens 
bij graaf Cowper op Panshanger is, maar dat wij niet gezien hebben, en dat 
eventueel gekocht kan zijn op dtf vcrkooping der coll. Casper VAN Citters te 
Middelburg, t Juli 1811; ten minste in den catalogus van deze veiling wordt van 
dit portret gezegd, dat het den prins op jeugdigen leeftijd voorstelt'). Het was 
yfingemeen schoon geschilderd* (h. 43 br. 34 d. Doek). Nog was een portret van 
denzclfden prins door D. MvTENS op de verk. coll. Bernal, Londen J Maart 1855. 
Waarschijnlijk op het vernemen van het succes van PAULUS VAN SOMER, 
den broeder van zijn aangehuwden neef Bernard VAN SOHER *), trok ook hij 
het Kanaal over; tenminste in 1617 was hij reeds in Engeland, vanwaar hij 
18 Aug. 1618 een brief richtte aan Sir Dudley Carleton : 

London, tbis 18 of August a 1618 selondit 
Right Honnorable my very good Lord, vay deutie first beeing remem- 
bered, wishing y' Lordship much health and happinees, these feuwe lynes 

>] JA> Dekker, yerkaal oan tijnt aeht-tm-twimtigiarigt slavcmij in BoriaryiK, Hooin 1744, 40. 

tf De geaealogUchc bijiondcrheden omtrcDl Mabbteh Mttsns eo de >fiUiDinelJnKui ran dien* hmh 
Abbiham ^d ODtlecDd aan eea geoeaXogte In bi^ on* welwillend ter bescblkking gdtelddoorllr.P.A.N.S. 
VAN Mbors te '• Gravenhaee. 

I) Obbbeh'i Architf, III 359, IV 9. 

1) Een aantal berillen van Mttbns' werken op Tetkooplngen hebben wij Ie danken md Dt. C. Hof- 
stede DE Gboot, 

^ Ond-HolUmd XXIV 6, 7. 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 85 

7 are to advise you that I send you by this bearer that picture of the Lfi of 

^ Arundel and bis lady, together in a small forme, it is rowled up in a smal 

i case. I have doune my endeavuer to perswaide bis Lordsbip to send your 

: bonour tbose great picteures, butt be is not willinge to parte from tbem by 

c reason they doe leyke bis bonr so well tbat be will keep tbem, and be 

willed me to make tbese in a smaller forme, wch I trust your Lorp will 
accept and esteem as a smal presente donne by my Lo of Arundel and 
for tbe paines and care I bave done tberein to tbe most of my power, I 
leave tbe judgment to your Lordsbip's good discretion. 

I bave binne at Sbarckney to see wetber I could fynde occasion to 
drawe tbe Princes bigbnes picteure, but the Prince beeing a bunting and 
suddainly to departe further in prog^es I am retorned for London, so tbat 
I must waiyte for a better oportunity at bis Retorne back, and this is for 

r 

the present tbe effect of my writting to your bonour the wch it may please 
you to accept as from your pore and onworthie servant, who will ever be 
reddie in my bounden dewtie when your honnor shall have occasion to make 
tryall, in the mean wbile I pray unto the Lord to preserve and keepe your 
^ Honr in healthe and prosperitie to the end of everlasting glorie 

And your Honour to command 
Daniel Mijtens. *) 

i' Hij bad toen al de portretten geschilderd van Thomas Howard, Earl 

ït OF Arundel •) en diens echtgenoote Alathea Talbot. Ook bet portret van 

Sir Charles Cavendish, bij den Hertog van Portland op Wclbeck Abbey. 
Het is afgebeeld in het g^oote werk over de merkwaardige verzameling familie- 
portretten op Welbeck Abbey •) en toont den voorgestelde levensgroot ten voeten 
uit, staande naast een tafel met een groen fluweelen kleed; hij draagt een zwart 
gespleten wambuis met platten kanten kraag en kanten manchetten; in de afhan- 
gende rechterhand houdt hij een handschoen en in de linker zijn hoed; oranje 
zijden kousen met kousebanden van goud- en zilverbrocaat en lage schoentjes 
met groote rosetten van zilverkant voltooien het weelderig gewaad van den edelman. 
In 1857 was bet te Manchester tentoongesteld. 

In Engeland was toen ter tijd Paulus VAN Somer eigenlijk zijn eenige 
concurrent. Hij wist dien door bof en adel geprotegeerden portretschilder zóó 
nabij te komen, dat WalpoLE als onderkenntngsteeken alleen aangeeft, dat VAN 









^c 






1) W. HOOKHAM Carpbntbr, Putorial moiües, London 1844, p. 176, 177. 

S) Thans wellicht nog bij den Hertog van Norfolk. 

3 ) C. Fairpax Murrat, Catalogui of tJufictures belongtng to tht Duke of Portland ^ London 1894, p. xoz • 




iH 



iH"' 



l| ■ ÏM 



I , ', 



II 



;■* 






• »-b , 



. e 



f * 



. ■ !■ 



86 



DE SCHILDERSFAMILIE BIYTENS. 



' O 



SOMER zijn levensgroot afgebeelde modellen meestal op een mat, Mytens op een 
karpet plaatste ^), maar dit gaat niet op. 

Het aan Mytens to^eschreven portret van Hendrik Julius, HerU^van 
Brunswijky op Hampton Court, zou van 1609 zijn, maar deze toeschrijving is zeer 
aan bedenking onderhevig. 

Beter gedocumenteerd is het portret van den beroemden prediker, den 
Bisschop van Londen JOHN KiNG, van 1620, in 1882 gekocht voor de National 
Portrait Gallery te Londen. *) 

5 Jan. 1621 werd Paulus van Somer te Londen begraven, en nu werd 
Mytens' rang aan het hof van St James door niemand meer betwist. 

Helaas zijn slechts weinige van zijn portretten gedateerd, maar toch ge- 
noeg om te doen zien, dat hij onafgebroken de gunst van den hoogen Engelschen 
adel bleef genieten. Van 1622 is het portret van James Marquis of Hamilton 
op Hampton Court '). Levensgroot, ten voeten nit, staat de machtige doch ge- 
hate hofmeester van het hof van Koning JACOBUS met den grooten witten staf 
als teeken van zijn waardigheid in de rechterhand, vóór een draperie die rechts 
een uitzicht op een park gunt; over het bruine dwars gestreepte wambuis draagt 
hij een platten plooikraag, en het ordeteeken van den Kouseband hangt aan een 
blauw lint op zijn borst; voorts heeft hij lederen bandschoenen aan en groote 
rijlaarzen. De schilderij is niet gemerkt, maar de toeschrijving aan Mytens 
dateert al van 1624. Een herhaling in Hamilton Palace staat in Lodge's por- 
tretwerk. Een derde exemplaar is op Knole bij Lord Sackville. 

Van 1623 is het portret van LODOVICK Stüart, Duke of Richmond 
AND Lennox, eveneens op Hampton Court. Ofschoon dit portret als het ware 
een pendant is van het pas beschrevene, was het vroeger steeds toegeschreven 
aan Paulus van Somer, die N.B. in 1621 al gestorven is. Ten overvloede is 
het duidelijk gemerkt : D. MYTENS fee. Ook Richmond heeft den grooten witten 
staf van het hofmeesterschap in de rechterhand, en over het geelkleurige wam- 
buis draagt ook hij het ordeteeken van den Kouseband ; hij staat naast een tafel, 
waarop de hertogelijke kroon ligt. £en tweede exemplaar in Buckingham Palace 
is niet gedateerd, maar toont zijn naamteekening : D. Mytens Fee. Ook op 
Petworth Castle (als door VAN SOMER gegraveerd in Lodge's portretwerk) en 
op Longford Castle hangen herhalingen of copieën naar dit portret. 

Eveneens van 1623 is het portret van den Lord treasurerLlONELCRANFlEL. 



'!| 



, \ ' 



ib 



1) Hor. Walpolb, Anudoia of painting in England^ London x86a I, p. 309. 

>) Afgebeeld bij Lionbl Cust, The NaHonal Portrait Gallery ^ I. p. 64. 

t) Afg. in Ern. Law, Tht Royal Gallery of Bampion Court, London 1898, p. 14. 












DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 87 

Earl of Middlesex, ook met den grooten witten staf in de hand, op Knole ; op 
een kleine tafelbel staat het monogram D. M. F. 1623. — Van 1624 zijn de portretten 
van graaf ERNST van Mansfeld en van hertog Christiaan van Brünswijk, die 
toen aan het Engelsche hof waren om van koning Jacobus hulp te vragen, beide 
op Hampton Court. Beiden zijn levensgroot ten voeten uit geschilderd. Christiaan 
steunt met de rechterhand op een stok, terwijl zijn zilveren linker kunstarm in 
een zijden doek hangt waarop de initialen E. B. H. geborduurd zijn als strijdleus 
voor ElisabeTH, koningen van Bohemen; over zijn lederen wambuis draagt hij een 
borstkuras en een kanten kraag; zijn roode broek is met gouddraadborduursel 
afgezet en boven de lederen rijlaarzen zijn de kousebanden te zien. Mansfeld 
heeft zijn rechterhand aan het gevest van zijn degen en houdt in zijn rechter den 
bevelhebberstaf. Ook van 1624 is het portret van EusabethBassett^ COUNTESS 
OF Newcastle bij den hertog van PORTLAND op Welbeck Abbey, gemerkt: 
D. Mytens fet. ^) Levensgroot ten voeten uit staat zij in een zwart gewaad met 
groote insnijdingen in de mouwen; onder een plooikraag hangt een kleinoooden 
over de schouders een gouden met juweelen versierde ketting; op een tafel links 
ligt een waaier van struisvogelveeren; gemerkt rechts onderaan: D. Mytens fct. 
Deze schilderij was in 1857 op de tentoonstelling te Manchester. Omstreeks 
dezen tijd zal hij ook het portret van koning jACOBUS geschilderd hebben, dat 
9 Juli 1904 op de verkooping der collectie Thurlow te Londen voorkwam, en 
waar de koning voorgesteld is in een wit gewaad met hermelijnen mantel, een 
witte hoed met juweelen en een vederbos versierd op het hoofd. 19 Juli 1624 
toch schonk de koniug hem een huis in St. Martin's Lane en een jaargeld van 
£ 50. De schenkingsacte volgt hier in zijn geheel : 

West minster, July 19, 1624. 

James R. 

James by the graee of God King of England, Scotland, Fraunce and 
Ireland, Defendor of the fayth &c. To the Trër, Chauncellor Undertrêr, 
Chamberlaines & Barons of the Excheqr of us, or heyres and Successors 
now being and that heereafter shalbee, and to all other ye Officrs and 
Ministrs ot the said Court and of the Receipt for the tyme beeing, and to 
all others to Vhome it shall or may apperteyne greeting. Knowe ye, that 
wee, as well for and in consideracion of the good service donne unto us 
by Daniell Mittins, and for his better encouragemt in the art and skill 
of picture drawing, wch hee now professeth, as for divers other good causes 



1) Afg. in C. Fairpax Murrat u. s. p. Z03. 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 

and consideractons us heereunto movin^, Have giv«n and grauoted, and by 
theis presents for us our heyres and successors, doe give and graunt unto 
the said Daniell Mittins, as well the some of twenty 6ve pounds to be 
payed in hand from the feast of the Nativity of St John Baptist last past 
As alsoe one Annutty or yearely pension of filty pounds of lawfull English 
money by the yeare, To have and to hold, the s^d Annuity or yearely 
pension of fifty pounds of lawfull English money by the yeare to be said 
Daniël Mittins and fais assignes, from the feast of the Birth of our Lord 
God last past beefore the date heereof, for and during the naturaU Ufe of 
him the said Daniel MimNS. To perceive, receive, and talce the said 
Annuity or yearely pension of fifty poundes of lawfull English money by 
the yeare, at the receipt of the Excheqr of us our heyres and Successors, out 
of the Treasure of us our heyres and successors there, to bee and remayne by 
the bands of the Trer Undertrèr and Chamberleynes of the said Excheqr for 
the tyme beeing, orj some, or one of them, at the feasts of the Birth of 
our Lord God and the Nativity of St John Baptist by even and equall 
porcions during the Ufe of the said Daniell Mittins so bee payed. The 
first paimt tho^of to begin at the feast of the Birth of our Lord God next 
ensuing the date heereof; Wherefore our will and pleasure is, And wee doe 
by theis presents, for us, our heyres & successors, command and authorize 
the Trêr, Chauncellor Undertrèr Chamberleynes and Barons of te said 
Excheqr for the time beeing it and all ether the Officn and Ministers of 
the said Courte and of the receipt there for the time beeing, That they 
and every of them to whome it doth or shall apperteine, doe, not onely 
upon the sight of theis our Lrès patents, or thinrollment of them, pay and 
déliver, or cause to bee payed and delivered unto the said Daniell Mittins 
or his assignes, during the naturall life of the said Daniell, the said Annuity 
or yearely pension of fifty pounds, and the said somme of Twenty ftve pounds 
payable in hand as aforesaid. But doe alsoe give fuU allowance tbereo^ accor- 
dii^ to the true intent and meaning of theis presents; Any order, direccion, 
commaund, or declaracion of our pleasure signified, and given by our Lrès 
patents under our great seale of England, hearing date the fifteenth day of 
May, wch was in the sixteenth yeare of of our reigne of England, for restraynt 
of paiement, or allowance of pensions or annuityes, or any other restraynt, 
declaracion, matter or thing whatsoever to the contrary in any wise notwith* 
standing. And theis our Lrës Patents, or thinrollment thereof, shalbee, unto 
the said Trèr, Chauncellor, Undertrèr and Barons, and all other the Officers 
and Ministrs aforesaid, a sufficiënt warrant and discharge for the paying, 



DE SCHILDERSFAMIUE MYTENS. 89 

perfoiming, doing^ and executing of the premisses according to ourpleasure 
heerein beefore declared . Nevertheles our wiU and pleasure is, That the said 
Daniell Mittens shall faithfiillie and diligently attend the service of us our 
heire & successors in the said art and skill of picture drawing. Andtherefore 
it is hereby condicioned & provided that in case he shall departe or goe out 
of this realme without leave or warrant of us our heires or succn , or of sixe 
or more of the privie Councell of us our heires or succrs under their handes^ 
or, being within the realme, shall refuse, or wilfuUie neglect such service & im- 
ploymt for us our heires or succrs in the said art and skill of picture dra wingas 
shalbe reasonable required of him, rhen and from thenceforth this present grant 
shall cease, determine, & be utterly voide & of none effecte. Although 
expresse mencion &c. In witnes &c. witnes &c. 

Examr. 

Thomas Coventrye. 

It maie please your most ext Matie 

This bill conteyneth your Mates graunte unto Daniel Mittens of a 
pencion of £ 50 p. Ann : during his life, payable out of Exchequer. To 
comence from Christmas laste, wich your Maie is pleased to bestowe upon 
him for his better encouragemt in the art and skill of picture drawing. 

And is done upon warrant from yc Erle of MiDD: late Lord ThreSr. 

Thobias Coventrye. 

Expr apud Westmr decimo nono die Julii 
Anno R. Jacobi vicessimo secundo. 

Op denzelfden 19 Juli 162 1 teekend koning Jacobus een j,Bill contey- 
neth yor Mates graunte ior making of DAlflELL MiTTENS (a pictiu-e drawer, 
on whome yor Matie is pleased to bestowe a pention) a free Denizen. 

And is done by direction from ye Princes highnes signified by 

Sr FRANaS COTTINGTON. 

Thomas Coventrye i). 

27 Maart 1625 stierf koning Jacobus, doch zijn zoon en opvolger, de 
kunstlievende Karel I, had reeds als kroonprins blijk gegeven MYTENS zeer 
genegen te zijn. 

Rightte thrustie and welbeloved wee greet you welL Whereas in and 
by one indenture dated the 29th day of August last made betwene o'selfe 



1) OHginal mmpmblisktd fapirs UtustraHvi to tke H/e of Sir Pbtbk Paul Rubbns, eolUetêdty W. Noil. 
SAINtBUlT. London 1859, p. 35^* 357* 

Oud-Holland 1907. 12 



M DE SCHU.DER5FAMILIE HYTENS. 

oDc the one parte and Daniell Mittbks of Londoa Rcture Drawer oae 
the other part, for consideracions as moving wee have demised and granted 
unto the said Daniell Mittehs all that messui^e or tenemt wth the yard 
and garden plott behind the same adioymnge as ït is nowe eaclosed wth a. 
brick wall sett and being at the upper end of St. Martïns Lane in the 
parish of St. Martins in the Fields butted end bounded as in the said inden- 
ture is expressed of which p'misses wee now stand possessed for divers yeares 
yett enduringe by and under a lease thereof made by ALLEN Tukner of 
the priah of St Martins in the Fields aforesaid unto Sr. Fatericke Hurray 
and by ye said Sr. Paterick Murray late assigned unto us to have and 
to hold the said messuage or tenemt unto the said Daniël Htttens hia 
Executors and assignes from the feast day of St. John the Baptist last past 
before the date hereof unto the full end and terme of 12 years and a halfé 
from thence fully to be complete and ended yieldïng and paying theyeariie 
rent of vj d at the feast of St. Mïchaell the Archangele onelie if ït shalbe 
demanded, wtb divers Covenants in ye said Indeature conteyned aa in and 
by the said Indenture, &c. Dated at Newmarlcett 30 Decem. 1624. 

To our right tnistie and welbeloved St Henry Hobart Kt. &c 

In St. Martin's lane had vroeger VAN Somer gewoond, later zou er de 
St Martin's lane Academy gevestigd zijn, een voorlooper van de Royal Academy.') 

Walpole heeft een uittreksel uit het oorspronkelijke stuk dat op MVTENS* 
hernieuwde aanstelling tot bofscbilder betrekking beeft, gepubliceerd : 

„The office of one of his majesty's picture-drawers in ordinary, with 
the fee of 20 1. per ann. graunted to Daniell Mitens during his life- 
Subscribed by order from the Lord Chamberlain. Procured by Mr. EndihvoN 
PORTER, May 30, 1625." *) 

Van zijn nieuwen meester heeft Mytens zeer veel portretten gemaakt, bet 
eerste toen deze in 1624 nog kroonprins was. Het was vermoedelijk een geschenk 
van den koning aan zijn zwager, koning Christaan IV van Denemarken en 
bevindt zich thans in het museum te Kopenhagen ( h 78 br. 48, doek). 

Koning Karel maakte van MVTEHS' talenten ook op andere wijze gebruik 
en liet hem voor zijn palijs te Whitehall een groote Venus van Titiaan copieeren, 
blijkens het volgende stuk: 



1) IliiairaUd Lt»ie» Nrta, 6 Jniü 1B57. 
1) Walpolb a, 1. 1 p. ai6. 



0£ SCHILOERSFAMIUE MYTENS. 91 

K Charles R. Westminster, July 2, 1625. 



E 

i 
1 
r 

! 

i 

i 
i 

i 
t 

i 

■ 

i 



Charles by te grace of God xc. To the Trër and Ündertrer of our 
Excheqr for the time being, greeting. Wee will and conunand you, out of our 
treasure in the Receipt of our Excherqr, to cause paiment to be made unto 
Daniel Mittens our Picture Drawer, or his assignes, of the some of one hundred 
and twenty pounds in full satisiaccion for a coppy of TiTlANS great Venus, by 
him made and delivered in at Whitehall for our use and service. The said 
some to be taken to him without any accompt, imprest, or other charge, 
to be sett upon him, his heires, executors, administrators, or assignes, for the 
same or any part or parcell thereof. And this our kës &c. Given &c. 

This conteyneth your Matei Warrant to the Excheqr to pay £ 120 : to 
Daniel mittens, Your Ma, Picture Drawer, for a Coppy of Titians great Venus. 

By order of the Lord Chamberlaine 

Fra: Galle 

Expr apud Westmr secundo die Julii 
Anno R R. Caroli primo 

pr WiNDEBANK *) 

Nog is de volgende betaling geboekt: 

July 31, 1626. A warrant to the exchequer to paie unto Daniel mittens 
his majest/s picturer the somme of 125 L for divers pictures by him 
delivered to sondry persons by his majesty's special direction. By order 
of the Lord Chamberlaine of his majesty's houshold, procured by the Lord 

CONWAY»). 

Op welke leverantie deze betaling betrekking heeft, is ons niet bekend. 
Een portret dat Mytens een jaar later van den koning schilderde bevindt zich 
in de Pinacoteca te Turijn en is gemerkt: Ad vivum dep. D. Mytens P. Regius 
1627 (h. 207 br. 240. doek). De architectuur op den achtergrond van dit portret 
zou door Hendrick van Steenwyck geschilderd zijn, doch dit is onwaarschijnlijk, 
daar deze toen vermoedelijk nog niet te Londen vertoefde. 

Een zeer fraai portret van George Calvaert Lord Baltimore op 
Wcntworth Woodhouse is van 1627. 

2 Sept 1628 hertrouwde Mytens in de Hollandsche kerk te Londen 
(Austin Friars): ^Daniël mytens van Delft^ wr van Gratia Cletsers met 



1) Orifftnal un^tisktd faptrs etc, p, 358. 
S) Walpolk u. b. I. p. 916. 

12« 






'! 



: I 



t 



92 DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 

JOHANNA [schrijffout voor Susanna] Drossaert, w^. Joos de Neve/' In 1604 
was dczcttïu Susanna de Drosscue genoemd en als van van Londen geboortig; 
gehuwd met JOOST DB Neve van Brussel. Ze was dus zeker niet jong meer 
toen ze 24 jaar later haar hand aan Daniel Mytens schonk. Uit dit huwelijk 
werd I Juli 1629 in Austin Friars een tweeling gedoopt, Elisabeth en Sqsanna. ^) 

Jacob Campo Weyerman zegt •), dat te Londen Adriaen Hanneman 
zijn leerling is geweest Om de vraarschijnlijkheid hiervan te kunnen beoordeelen, 
moet eerst vastgesteld worden , tot hoelang Mytens in Engeland gebleven is. 
Mariette zegt tot 1630 '), maar dit is zeker niet waar^ daar er nog verschillende 
werken van hem na dat jaar in Engeland geschilderd zijn, als in 163 1 weer een 
portret ten voeten uit van Karel I, dat in 1899 gekocht is voor de National 
Portrait Gallery te Londen^). Levensgroot ten voeten uit staat de koning in 
eenvoudige kleeding naast een tafel, waarop kroon en scepter liggen. Een jaar 
te voren had hij de koningin Henriëtta Maria geschilderd, waar Willem Jansz. 
Delff zulk een prachtige prent naar gesneden heeft, als pendant van een portret 
van den koning, dat met geen der reeds genoemde portretten van Karel I in 
alle bijzonderheden overeenstemt^ doch misschien met het 16 19 gedateerde in het 
Metropolitan Museum of Arts te New- York identisch is. Zeer g^oot is dan ook het 
aantal hiervan. In den catalogus, dien Abraham van der Dort van 's konings 
collectie maakte, komen niet minder dan elf stuks voor. En buitendien zullen er ook 
aan anderen geleverd zijn^ In de verkooping der coU. DUNMORE werden aan Mytens 
toegeschreven de portretten van Karel I en zijn gemalin, te paard. Op het 
portret dat in 1855 op de verkooping der coll. Bernal en in 1882 op die der 
coll. Hamilton was, stond de koning in roodzijden kleeding. Ook in Buckingham 
Palace te Londen hangt er nog een, evenals op Selby bij Lord Gal WAY (nevens 
een portret van Henriëtta Maria), bij Earl Craven, op Cobham Hall bij 
Lord Darnley en in de collectie Lazarew te St. Petersburg, waar het evenwel 
als door Sir Peter Lely gecatalogiseerd is. Op de verkooping der collectie 
San Donato te Florence, Maart 1880, kwam een portret van de koningin door 
Mytens voor (catal. no. 967). 

Ook schilderde hij den koning meer dan eens in een groep, zoo te samen 
met de koningin en den dwerg Sir Jeffry Hudson, waarvan exemplaren zijn 
op Windsor, op Selby bij Lord Galway en op Knowsley. Lord Galway zond 



1) Th4 marriage^ bapHsmal and burial regisUrs of thi DnUh Rtforwud Church^ AusUn Friars, Landom 
€d, by W. J. Ch. Hobns, Lymington 1884 p. 122, 51. 

>) J. C. Wbtbrman, Dê Uvens-bischrijvingen der Nidérlamdsck4koHs(-tcMUUrs,lVfDoTdregtij6gp.^8, 
8) J. Mariettb, Abecedario, IV, Paris 1857, p. 97. 
4) afg. bij Lionbl Cust u. s. p. 98, 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 98 

het zijne, dat koningin ANNA aan Addison geschonken had| in op de tentoon- 
stelling te Manchester in 185/1 ^^ WalpOLE noemde er een bij Lord Dunmore. 
Den dwerg Sir Jeffrey Hudson alleen, in een rood pakje in een bosch staand* 
met zijn hoed naast zich op den grond, schilderde hij vermoedelijk in 1630 
(Hampton Court) ^. Het koninklijk echtpaar met den jongen kroonprins^ die in 
1630 geboren was, werd volgens James Dallaway, die in 1826 een commentaar 
op Walpole's Anecdotes ui1^;af, toen op Carlton House bewaard. Wellicht was 
het afkomstig van de verkooping der coll. Fagel in 1801, waar een dergelijke 
schilderij gecatalogiseerd was. 

Het portret van Robert Rich, Earl of Warwick bij Sir C. S. RiCH, 
Bart. is 1632 gedateerd, evenals dat van Anne Clifford, Countess of Dorset 
op Knole, en het portret van Philip Herbert, Earl of Pembroke op Hard- 
wiek bij den Hertog van Devonshire is van 1634. Een ander portret van 
denzelfde, geschilderd toen hij nog Earl of Montgomery was, is door Robert 
VAN VOERST gegraveerd. Ook blijkt uit een prent van WiLLlAM Faithorne, 
dat hij den hofpoeet Georg Rudolph Weckerlin geschilderd heeft, toen deze 
vijftig jaar oud was, dus in 1634. 

Er is dus wel aanleiding, om het vertrek van Mytens uit Engeland later 
te stellen, dan Mariette gedaan heeft. VAN Dyck kwam daar in het b^nvan 
1632, en een vriendschappelijke verhouding tot den grooten Antwerpenaar bleef 
niet uit. Tenminste VAN Dyck schilderde zijn portret met dat van zQn vrouw 
in een tafereel dat op Woburn Abbey bij den DuKE OF Bedford hangt. Het in 
VAN Dyck's Iconographie door Paulüs Pontüis gesneden portret van Mytens 
gelijkt zeer op het portret op deze schilderij '). 

Zichzelf heeft Myttens geschilderd voor de verzameling van den koning. 
Ofschoon dit portret op Hampton Court, een borstbeeld naar links, het hoofd 
naar den beschouwer gewend, langen tijd miskend is als ^^A Portrait of a Dutch 
Gentleman^ by Van DER Helst," is het den heer Ernest Law gelukt, de juiste 
benaming terug te vinden*). Hij heeft zich blootshoofds a%ebeeld en draagt 
over den zwarten mantel een breeden kraag. Nog vermeldt Walpole een ander 
schilderij, waarin MYTENS zichzelf met zijn familie geschilderd heeft, op Mereworth 
Castle bij Lord Falmouth. De teekening die Aart Schoubian naar een zelf- 
portret van 1625 gemaakt heeft, wijst stellig op nog een derde schilderij, daar 



1) Afgebeeld in den catalogus Tan 1898 p. a8z. 

S) Merkwaardig is het, dat eerst de uitgeTer Gillis Hbndrix den jnisten naam van dit portret gegeven 
heeft. Martin tan den Endbn heeft het gepubliceerd als dat van ,,Isaao Mttens Hotlandus PicUfrEuma-^ 
narum Figuraruim*'* 

8) Eenbst Law, The Rotal Galfery of Hampton Court ^ London 1898 p. 267. 



94 DE SCHILOERSFAMILIE MYTEN8. 

de beide genoemde zeker nooit uit Engeland geweest zijn en ScHOUMAN daar 
nimmer vertoefd heeft. ^) Deze 1787 gedateerde teekening, was 30 Sept 1 811 op 
de verkooping der collectie H. VERDONfC te Rotterdam en berust thans bij den 
heer H. Ph. Gerritsen te 's Gravenhage. 

Walpole vertelt, dat het groote succes dat aan van Dyck ten deel viel, 
Mytens bewogen zou hebben den koning zijn ontslag te vragen, maar dat deze 
hem hiervan terughield zeggende voor beiden genoeg te doen te hebben. Hoe 
dit zij, lang is Mytens niet meer in Engeland gebleven. Hij eindigde met toch 
de vlag te strijken voor de opgaande zon. In het begin van 1635 woonde hij 
weer in den Haag en teekende daar 3 Febr. van dat jaar een erfenisacte als voogd 
over de kinderen van zijn broeder David *). 

Het geeft ook te denken, dat Mytens voortaan niet meer als schilder voorkomt , 
want geen der werken die hem sedert toegeschreven werden, kunnen een kritisch 
onderzoek doorstaan, noch het damesportret van 1636 bij den graaf DE Peneranda 
DE Franchimont te Brussel, noch de portretgroep van de kinderen van Frederik 
Hendrik van 1638 in de Amalienstiftung te Dessau. • 

Wel treffen we hem in het jaar 1638 aan als Diaken in den Haagsche 
kerkeraad. 

Geen der actes die verder den naam van den voormaligen hofschilder van 
den koning van Engeland vermelden, z^gen iets meer van zijn werkzaamheid als 
kunstenaar. 

17 Juni 1643 machtigt hij iemand om geld te ontvangen uit het sterfhuis 
van Rombout Jacobsz*). 

In het klapwakersboek van 1645 wordt gMEYTENS^^)!!/^^!^' aangegeven als 
wonende aan het Westeinde zuidzijde. 

27 Nov. 1646 teekent hij als getuige een onbelangrijke acte. *). 

In 1647 is ^Ü Ouderling en neemt hij de plaats van Hendrick Hondius 
in y^ot het versoeeken en de opbouw der kercken^ *) 

Nog in hetzelfde jaar 1647 moet hij gestorven zijn, want 22 Juni 1647 
constitueert Johannes Mytens, als man en voogd van Sara [sic] Mytens, 
namens medeerfgenamen van zijn schoonvader za: Daniel Mytens, iemand te 
Londen, om £ 350 met £ 96 verlopen rente te ontvangen. Daarvan werden £ 220 



1) V. Eynde en tan dbr Willigen, I p. 58. 

5) Prot. notaris P TAN Grosnbweghbn. 
8) Prot. notaris J. Wbbr. 

4) Prot notaris J. Y. D. Vyter, 

6) Notulen Kerkeraad. 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 95 

ar afgetrokken voor juweelen ^flen myn voorm. schoonvader za, overgesoncUn \ 

o; zoodat resteert £ 226. 

a De laatste acte die hem betreft is van 3 Maart 1648 yfen versoucke van 

de Wed' en de er ff genamen van wijlen Daniel Mytens int Westeynde alhyer 
i oen meubelen ende andere goederen vercoft voor de somme van. . . £ 178 1 — 9/3." 

s 
i 



t 






Ofschoon in Nederland geboren, opgeleid en gestorven, heeft Daniel 
Mytens voor de Nederlandsche kunstgeschiedenis alleen het belang, dat hij mede 
behoord heeft, tot de vele schilders die in het buitenland Neerlands roem op 
kunstgebied hebben helpen bevestigen. In de lange schier onafgebroken reeks 
^ van hofschilders die van HOLBEINS tijden af aan het hof van St. James hebben 

^^ gewerkt, was hij gedurende een twaalftal jaren, van 162 1 tot 1632, zelfs de meest 

^ gevierde en den Engelschen hoogen adel van dat tijdperk leeren wij het best 

door zijn penseel kennen. Want behalve de weinige die te voren genoemd zijn, 
^ heeft hij nog tal van andere portretten geschilderd. 

Meestal zijn deze niet gemerkt, maar ze zijn gemakkelijk te herkennen. 
^ In de compositie sloot hij zich nog geheel aan bij zijn voorganger Paulus VAN 

ü SOMER, door zijn modellen bijna steeds ten voeten uit naast een tafel te plaatsen, 

maar de vrijere penseelbehanbding verschaft een onderscheidingsteeken. 

Daar hij, gelijk boven reeds met een voorbeeld Js aangegeven, voor den 
koning ook als copiïst werkzaam is geweest, is Walpole's mededeeling, dat de 
copie naar een portret van Maria Stuart in St. James Palace te Londen van 
zijn hand is, geenszins verwerpelijk. Wanneer de toeschrijving van een portret 
van koning Karel I als kind^ op de verkooping der collectie van Lord Northwick 
op Chdtenham, jnist is, moet dit natuurlijk eveneens op een copie betrekking 
hebben, evenals dit het geval is met de twee portretten van Karel's ouderen 
broeder Hendrik, die op Hampton Court en op Knole getoond worden, want 
deze stierf reeds in 1612. 

Van eenige portretten is de toeschrijving door oude inventarissen gewaar- 
borgd, zoo van het groote portret van George Villiers, Hertog van Buckingham 
op de verkooping der collectie van den Hertog van Marlborough (Blenheim 
coUection), 26 Juni 1S86. ^one by Dan. Mytens" staat reeds in van der 
Doortas catalogus, opgemaakt toen het stuk nog in de koninklijke verzameling 



ï) Prot. notaris J. v. d. Vijver. 



M DE SCHILDERSFAMILIE HYTENS. 

was. Meer of min getrouwe herhalingen zijn op Milton House bij Graaf 
FiTZWiLLiAU, op Gorhambury en bij Lady JERSEY in Middleton Bark. 

Van een portret van WlLUAM, den tweeden Hertog van Hamilton, in 
dezelfde verkooplng geldt hetzelfde; een dei^elijk portret in de Scottish National 
Portrait Gallery te Edinburg is afkomstig van Hamilton Palace. Bracht dit 
portret op de verkooping der Blenheim collection 520 gs, op, en haalde het 
portret van den hertog van Buckingham 700 gs., een derde op dezelfde auctie 
werd eerst voor 960 gs. toegewezen, nl. dat van Henry Rich, £arl of 
Holland. Nc^ pas zeer kort geleden, 7 Juni van dit jaar, zijn bij Christie te 
Londen van zijn hand de portretten verkocht van SiR Thohas Knyvett en 
van diens echtBenoote Muriel Parry Lady Knyvett. 

Maar waartoe alle portretten op te sommen, die hem nog op min of meer 
goede gronden toegeschreven worden. De reeds genoemde volstaan, om Mytens 
de plaats te doen innemen, die hem in de kunstgeschiedenis toekomt. 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN 



DOOR 
R D. J. VAN SCHEVICHAVEN. 



BFROZiJf Uzarij, melaatscheïd nja collectiare namen, gege v e n aan 

verschillende ernstige chroniscbe xiektoi, wdke gepaard gingen 

met een a&chnwdüjken hnidoitslag en misvonning (dephantiasit), 

in i^ere genllen zelfs de ledematen deden afvallen. Veelal wordt 

beweerd dat deze ziekte door de kiuistocliten uit het Oosten naar 

Eun^ia zoo zijn overgeplant, doch dit is onjuist. De troepen van FOUPEJUS 

badden haar reeds uit Egypte naar Italië gebracht, zoodat itr/èt aan de GridKO, 

yleprae" aan Flimos wel bekend waren; ook bepaalt een caintolariinn van Kaskl 

DEN GSOOTE uit het jaar 789: «Omtrent de leprozen, dat zij zich niet onder 

de andere menschen mc^en mengen." 

Wegens de besmettelijkheid dezer ziekte, begon men reeds vroeg hen die 
er door aangetast waren uit de samenleving te verwijderen. Even buiten de muien 
der midddeeuwsche steden pladit men hospitalen of huizen te bouwen, waarin 
de leprozen werden opgenomen. Zulk een gesticht te doen verrijzenf werd een 
luxe van het vrome geloof een sport in den ladder die ten hemd voerde. Er 
zouden dan ook in Frankrijk alleen, in de 13c eenw, niet minder dan 2000 zulke 
stichtingen geweest zijn. Gematigder echter is de schatting van den geschied- 
sdirijver Hattheus Faeis, die in de tweede helft der 13e eeuw lecfile. Deze 
beweert, dat er destijds 1900 leprozenhoizen ^ de gansche chiisteohdd" waren. 
Omé-HMmmd 1907. U 



98 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

Zeker is het dat het aantal der ongelukkige lepralijders in de vroege 
middeleeuwen ontza^elijk groot geweest moet zijn, zoodat het gezonde gedeelte 
der menschheid bijna radeloos werd onder de plaag. En toen daar vroeg in de 
14e eeuw nog een pest-epidemie bijkwam, meende men dat deze beide ziekten 
door kwaadwilligheid werden voortgeplant Wie zich daaraan schuldig maakten 
was spoedig gevonden : dat waren natuurlijk de Joden, die steeds de bron van 
alle kwaad zijn geweest. De Moorsche koning van Grenada, heette het, had zich 
met hen verbonden om het Christendom uit te roeien. Te dien einde had Israël 
zich vereenigd met de leprozen, wien zij, met behulp des duivels, hadden opge- 
stookt om zich te wreken over de uitstooting en verachting die hun allerwege 
te beurt vielen. Er waren lieden die beweerden een mengsel van menschenbloed 
en urine gevonden te hebben, met een gewijde hostie er in, en dat de meiaten 
daarmede de bronnen vergiftigden. Op bevel vaö paus Johannes XXII^ werden 
daarop in 1320 alom alle leprozen verbrand, die men in handen kon krijgen. De 
kroniekschrijver Willem, kapellaan te Brederode, later monnik in de abdij van 
Egmond, een tijdgenoot dier gebeurtenissen, die dit ongelooflijke verhaal heeft 
geboekt, voegt er bij dat deze gruwelijke maatregel j,in alle landen" werd toegepast. 

Er schijnen streken geweest te zijn, waar de melaatschheid epidemisch 
heerschte. Als zoodanig wordt Lombardije voorgesteld in de 8e eeuw. Toen 
Karel de Groote in 770 een oog van welgevallen had geworpen op Desideria, 
dochter van Desiderius^ koning van dat rijk, zond paus Stephanus III hem 
een schrijven om dat huwelijk af te raden. ^Alle Lombardische vrouwen zijn 
ongezond'', schreef zijn Heiligheid, ^en het geheele volk is hoogst onwelriekend 
(foetentissima)'\ Overigens stond het vast, dat onder hen de melaatschheid 
ontstaan was (de cujus natione leprosorum genus oriri certum est). Keizer Karel 
liet zich evenwel niet afschrikken door deze waarschuwing: hij trouwde de prinses, 
maar — binnen het jaar zond hij haar aan haren vader terug. Reden onbekend. 

Geen hooge rang, stand, noch geboorte, vrijwaarde voor deze vreéselijke 
ziekte. Zoo vertelt Slichtenhorst in zijn Gddersche Geschiedenissen, dat 
hertog Adolf' VAN Gelre zijn vader Arnold verweet, dat deze „een quaed 
verhoolen gebreck over hem hadde, 'twelck men niet en moght naem-achtigh 
maeken, waermede hij en zijne landen byster waeren geplaeght geweesd; gelijck 
ook de Vorstin, die daerover niet zeer van hem was geliefkoosd en geëerd." 
Deze laatste zinspeling doelt op hertogin Eleanore, Arnold's echtgenoote, en 
zuster van Eduard III, koning van Engeland, die door haar man van leprozij 
beschuldigd en verstooten was, een geval dat door de dichters Staring en 
VAN Lennep is bezongen. 

Vroeg in de 12c eeuw stonden er reeds buiten Parijs, aan den weg naar 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 99 

St. Denis, eenige barakken waarin de leprozen woonden. Koning Lqdewijk VII 
bezocht hen daar in 1 147, vóór hij als kruisvaarder naar het H. Land toog, ^een 
lofwaardige daad, die veel navolging vond'\ merkt een van 'sKonings tijdge- 
nooten op, de kroniekschrijver Jacques DE VlTRV. Er vormden zich in die 
tijden van godsdienstige opwinding, vereenigingen van geestelijken en leeken,die 
de plicht op zich namen om de kranken in de leprozenhuizen te verplegen. ,,Om 
Christus' wille", zegt DE Vitry, „verdroegen zij te midden van vuilheid en 
stanken zich zelven overwinnende, zulke ondragelijke ellende, dat geen boete- 
doening die men zich kan opleggen, in de oogen van Gods heiligen en kostelijke 
martelaren daarmede vergeleken worden kan." Het was dezelfde geloofsijver die 
een deel der ridders van St« Jan van Jeruzalem zich deed afscheidden van hun 
Orde^ ten einde zich uitsluitend aan ziekenverpleging te wijden. Zij noemden zich 
de Orde van den H. Lazarus en der H. Maagd van den berg Carmel. LODEWIJK IX 
bracht hen naar Frankrijk over, en droeg hun het toezicht op over de zieken- 
en leprozenhuizen, waarin zij door koninklijke besluiten van 1664 en 1672 werden 
bevestigd. Onder hen werden deze huizen beheerd door monniken. 

De inwoning in het melatenhuis was den leprozen hier te lande niet ver- 
plicht, de meesten verkozen daarboven de vrijheid en den bedelstaf. Luchtig en 
zorgeloos gingen zij het pad op, doch bij ernstige, vrome zielen ging het zich 
terugtrekken uit de menschelijke samenleving gepaard met een sombere indruk- 
wekkende kerkelijke plechtigheid. Hoe deze in Nederland plaats greep is mij 
niet bekend, doch daar de kerkdiensten destijds in de geheele christenheid weinig 
verschilden, mag men aannemen dat het dezelfde was als bij onze oostelijke en 
westelijke naburen. De statuten der kapittelkerk van Toul, in Frankrijk, toonen 
ons in de volgende woorden hoe dit geschiedde in het geval van een domheer: 

^Mocht het komen te gebeuren dat een melaatsche kanunnik, daartoe door 
den Heer opgewekt en aangedreven, zich uit demoedigheid in het openbaar liet 
uitstooten, dan moet «de dienst zijner afsnijding (officium tallium) op de volgende 
plechtige wijze plaats grijpen. Na priem zal de gemeente samenkomen en de 
klok geluid worden. Dan moet het geheele kapittel, met het kruis voorop, hem 
aan zijn woning afhalen. De melaatsche kanunnik moet gekleed zijn in een zwart 
of in een wit gewaad, met zijn overkleed (superpellicium) en schoudermantel 
(almutia), evenals de overige kanunniken. Alleen begeve hij zich dan, achter het 
voor hem uitgedragen kruis, naar het koor. In het midden daarvan zij een koor- 
stoel geplaatst, met een kleed bedekt; daarop zal hij plaats nemen. Dan moet 
een plechtige mis gezongen en zijn uitvaart gehouden worden. Wanneer de mis 
volbracht is, worde hij door het gansche kapittel, met het kruis voorop, naar 

het muurtje (murotum) buiten de kerk gebracht, waar een wagen gereed moef 

13» 



* • 



100 LEPROZEN £N L£PROZ£NHUIZ£N« 

staan, om hem naar zijn woonplaats te voeren^ steeds vooraf g^^aan door het 
kruisi benevens een kanunnik-priester te paard, die hem in zijn woning opsluit. 
Zijn vrienden moeten hem volgen, den ganschen weg, ook al ware het een dag- 
reize of zelfs verder." 

De wijze waarop een godvreezend melaatsch lidmaat der gemeente werd 
afgesneden van de menschdijke gemeenschap in het bisdom van Clermont en 
St Flour, werd op de volgende, wel wat onduidelijke wijze, vastgesteld in 1490: 
^Voor het altaar moet een zwart kleed uitgespreid zijn over twee schragen, die 
op eenigen aftand van elkander staan. Daar naast moet de melaat zich bevinden 
in knielende houding; en daar onder (onder het kleed?) een levend persoon, in 
nabootsing van een lijk, hoewel hij door Gods gratie nog leeft in lichaam en 
geest Zoo moet hij dan aandachtig een mis aanhooren. Dan zegt de priester 
tot den leproos: Indien gij [voortaan] wilt drinken, dan moet gij het water 
scheppen met uw napje, of een ander bakje. Ook verbied ik U rond te loopen 
zonder het leprozen-kenteeken, opdat andere menschen u mogen vermijden. Des- 
gelijks moogt ge niet ongeschoeid buiten uw woning komen", enz. 

Uitvoeriger nog wordt de dienst beschreven in Wetzer's Kirchen 
Lexikon. ^Nadat de priester den leproos vermaand had een goed christen te 
blijven, werd over hem, als over een .van de gemeenschap zijner medemenschen 
afgestorvene, een lijkdienst gelezen. Alle gereedschappen, die hij voortaan zou 
gebruiken werden gezegend. Het werd hem verboden de woningen der menschen 
te naderen, zich in bronnen of stroomende wateren te wasschen; voorwerpen die 
hij dacht te koopen aan te raken, alvorens zij zijn eigendom waren; op smalle 
paadjes te loopen; het touw van de put of van het rundvee mocht hij niet be« 
roeren, noch uit iets anders dan zijn eigen nap drinken. Vervolgens werd hij, 
met het kruis voor hem uit gedragen, door de geestelijkheid en de geloovigen 
naar zijn woning gebracht De priester wierp aarde yan het kerkhof op het bed 
van den leproos, of wel een zode van den godsakker op diens dak, met de 
woorden: Weest afgestorven voor de wereld, doch leeft weder voor God. Met 
een toespraak en het ophangen van een offerbus, werd hij dan aan zijn treurig 
lot overgelaten. Van dat oogenblik ai moest de leproos een voorgeschreven 
gewaad dragen» zijn handen bedekt houden en met een klep waarschuwen als 
hij naderde. Slechts met Paschen mocht hij zijn eenzaam verblijf verlaten en in 
de stad komen." 

Buiten de meesten onzer steden, liefst aan een weg met drukke passage, 

stonden de voor de meiaten aangewezen woningen, 's Hertogenbosch bezat reeds 

zulk een gesticht vóór 1273; te Arnhem werd er een gebouwd in 1395; het 

' Nijmeegsche leprozenhuis wordt voor het eerst genoemd, in 1412, doch was va^ 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN, 101 

ouderen datum, daar het in dat jaar door den stads timmerman ^^verleegt" werd. 
Deze gestichten waren stedelijk eigendom en werden gedeeltelijk op stadskosten 
onderhouden, doch de verpleging der meiaten werd grootendeels aan de open- 
bare liefdadigheid overgelaten. 

Werd een dorpeling besmet, dan kwam zijn onderhoud geheel ten laste 
zijner dorpsgenooten. Een nauwkeurige inventaris van wat den plattelands leproos 
toekwam, geeft een reglement dat in de i6e eeuw van kracht was voor het 
bisdom van 's Hertogenbosch. Daaruit blijkt, dat, wat huiselijk comfort aangaat, 
de leproos het ongetwijfeld beter moet gehad hebben dan vele gezonde landlieden. 
Men moest een „redelick" goed huis voor hem bouwen, omringd van een muur 
en voorzien van een schouw. Het meubilair behoorde te bestaan uit een bed 
met beddekleed en hoofdpeluw, een ^saertse" (wollendeken), om de twee jaar 
een paar lakens; een oorkussen en een wollen kussen; een ledikant (slaepzeil), 
een stoel, een tafel; een koperen ketel, 6 schotels, een ijzeren ketelhaak, een tang, 
een rooster, een vuurschop; een hoed, jaarlijks een paar kousen; twee hemden; 
om de twee jaren 6 ellen grauw laken, om een mantel of een jas met een kaproen 
van te maken; om de twee jaren twee paar schoenen, een paar met enkele, een 
met dubbele zolen; een paar handschoenen zonder vingers, een klep en een stok. 
Zes kippen en een haan moesten in zijn onderhoud voorzien (immers een oud 
rijmpje zeide: Op zes kippen en een haan, daar kan een boer op staan). Brand- 
hout moest men aan zijn huis afleveren en de gemeente behoorde dat gebouw in 
goeden staat te houden. Wekelijks mocht de leproos twee of driemaal omgaan 
in zijn parochie, om giften in te zamelen. Was hij daartoe niet in staat, en kon 
hij zich zelven niet helpen, dan werd hem een dienaar gegeven op kosten der 
gemeente, voor wiens onderhoud de broederschap van de H. Geest moest zorgen. 
Maandelijks moest den leproos worden uitgereikt een pond kaarsen, een kan 
^raepsmout*' (raapolie) en een ^selster'' koorn. Dagelijks een kan bier; van den 
H. Geest moest hij altijd een ^dubbel portie" ontvangen, daaronder versta men: 
bij de bedeelingen der H. Geest Broederschap. Eiken Zondag werd de melaat 
door den pastoor aan de gemeente aanbevolen^ dat zij hem moesten behandelen, 
zooals zij zelven in zijn geval zouden wenschen behandeld te worden. 

Gewoonlijk stond er bij het melatenhuis der steden een kapel, aan St. Jacob, 
St. Sebastiaan, of St. Antonius gewijd, waar de godsdienstoefeningen gehouden 
werden. Dit was ook het geval te Arnhem, waar zulk een bedehuis in 1406 
werd opgericht. Het was gewijd aan de H. Maagd, de Heiligen Fabianus en 
Sebastianus, martelaars, en aan den H. Antonius, belijder, en werd naar dezen 
laatst en genoemd. De pastoor der kerk van Arnhem en de provisoren van het 
huis waren de collators. De eerste genoot alle offergaven, die er tijdens de mis 



102 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

op het altaar der kapel gelegd werden, alsmede een vierde part der giften^ ,,waaniit 
die ook mochten bestaan", welke in de offerkist of vóór de beelden gevonden 
werden. Leprozen, die in het huis kwamen te overlijden, mochten in de kapel 
of op het daaraan verbonden kerkhof begraven worden, maar niemand anders, 
uitgezonderd met bijzondere vergunning van den pastoor. Deze bezat ook het 
recht den kapellaan af te zetten wegens wangedrag. Op eiken gewonen dag zou 
er één enkele mis worden opgedragen; op Zon- en feestdagen echter in het geheel 
geene, behalve wanneer de heiligen dag van een der patronen, of de gedachtenis 
der wijding van de kapel op een Zondag viel; overigens alleen met bijzondere 
vergunning van den pastoor. Deze maatregel was gewis gezondheidshalve ge- 
nomen, omdat er op Zon- en feestdagen meer menschen op de been waren, die 
dan allicht de mis in het melatenhuis zouden zijn gaan hooren. 

De kapel van. het leprozenhuis bij Nijmegen werd bediend door een monnik, 
bijgestaan door een koster. Wij weten dit uit een procesverbaal van 1560. 
Daarin wordt in al zijn geuren en kleuren het wangedrag verhaald van twee 
leprozen, die op zekeren avond ^voU ende droncken wesende^' uit de stad naar 
huis kwamen, waar zij begonnen te vloeken, te zweeren Gods sacramenten, vijf 
wonden, lijden, enz. Daarop beleedigden zij den monnik en den koster, ntnyt 
ontuchtige, onbehoirlicken, lelicken worden ende reden, ny et schrjvens oder 
naseggens behoirlick'^ eindigende: ^Desen besuyckten (melaatschen) paep ende 
kuster haldent mitten anderen (elkander), ende steken oeren voet in één schoen. 
Wij willen den dieffschen monick in siin kamer sluyten ende een duysteren 
(hangslot) van buyten dair voir hangen, dairmyt hy daer nyet weder ujrt en 
kome^', enz. enz. 

Tengevolge van onzindelijkheid, losbandigheid en de lage trap, waarop de 
geneeskunde stond, heerschten er in vroegere eeuwen allerlei afzichtelijke huid- 
ziekten, die, daar de diagnose der lepra onbekend was, al aanstonds voor deze 
ziekte gehouden werden. Ten einde dit te onderkennen, moest de patiënt „bezien'', 
onderzocht worden. Op dat gebied waren er specialiteiten, en waarschijnlijk nog 
meer kwakzalvers. Zoo werd in Deventer in 1380 zekere EVERT JOHANNESZ. 
VAN DER Eeze, als deskundige „gededinght (aangenomen), dat hi di leprose lude 
besien solde, die binnen onse stat woenen.'' Hij ontving zes oude schilden voor 
zijn loon. Van DER Eeze schijnt een reizend geneesheer geweest te zijn, zooals 
er toen zoo velen waren, maar daarom nog niet noodzakelijk een kwakzalver. 
Hij vertoefde blijkbaar slechts tijdelijk in Deventer, want Rykeland Wentfelts, 
zijn hospita, ontving van stadswege 5 gl. 16 st, die hij, ^n horen huyse vertert 
hadde, in die tiit dat (hi) die leprose lude gheprovet hadde.'' In zijn arbeid 
werd van Eeze bijgestaan door een edelman uit een thans uitgestorven Twentsch 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 108 

geslacht, jonker van der Marck tot Everlo, en diens knecht. Hoewel deze 
beiden ^vor hoer arbeyt dat sie deden, do onse stat die leprose lude hadde 
laten proven, i6 st/' ontvingen, had men daar toch zeker te doen met een dier 
edele, zelfverloochenende menschenvrienden, waarvan de kroniekschrijver DE ViTRY 
boven gewaagde. 

In 1413 werd door graaf Willem VI van Holland bepaald, dat alle 
degenen die met melaatschheid besmet waren in de provinciën Holland en 
Zeeland, y,ter proeve van den lazerye'', konden gaan y^buten onse stede van 
Hairlem, binnen den ban van Adikendam (Akendam) in Sinte Jacobs Cappelle, 
daer de lazeruse lude nu ter tiit in wonen.'' Hoe dat onderzoek plaats greep en 
wie daarmede belast was, schijnt niet bekend te zijn, althans in Allan's zoo 
uitvoerige Geschiedenis van Haarlem is daaromtrent niets te vinden. Het kan 
zijn dat daar destijds iemand was, ervaren in de diagnose van dyskrasische 
krankheden, en dat diens methode ook nog na zijn overlijden door de broeders 
in dit huis werd toegepast. Zeker is het, dat de kapel haar beroemdheid in dit 
speciale vak door de geheele i6e eeuw heen wist te handhaven. Zelfs Ampzing, 
wiens Beschrijvinge ende Lof der stad Haerlem in 1628 het licht zag, zegt nog 

t Sieken buyten Stad daer liggen de Leproosen, 
Welck Huys de Graef wei-eer vereerd heeft en verkosen. 
Want daer de schou sal siin van alle Lazarje, 
Al 't land van Holland door^ en Seland ook daerbye. 

In de 17e eeuw, toen de melaatschheid zeer aan het afnemen was, waren 
het de reenten van het Dolhuis te Haarlem, die met het schouwen der leprozen 
waren belast. Arnhem daarentegen zond zijn meiaten ter onderzoek naar Keulen, 
bij raadsbesluit van 25 Jan. 1537. Daarbij werden allen binnen die stad, welke 
van lazerij verdacht waren, gelast vóór mid vasten naar Keulen te trekken om 
zich te laten .schouwen, waartoe hun. een stadsbode zou worden medegegeven. 
Weigerde zoo iemand die reis te ondernemen, dan zouden de schepenen hem in 
het melatenhuis doen zetten, en kwam hij weder in de stad, dan verviel hij in 
een boete van 100 gl, half ten bate van de schepenen, de andere helft ten bate 
van de stad. 

Waar Nijmegen zijn meiaten ter onderzoeking heenzond, blijkt niet altijd. 
Het eerste voorbeeld daarvan dat de rekenboeken opleveren, is van 1530. 
De post dienaangaande bericht alleen dat „een frouw, van oiren man te laten 
besyen, was hy melaetz ofite niet'', één gulden ontving. Kort daarop werden 
aan een man uit Lent, voor een dergelijk doel vier gulden verstrekt. Misschien 
werd dus het onderzoek in deze beide gevallen in twee verschillende plaatsen 



104 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

gedaan. Eerst in 1539 wordt bepaald gezegd, ^enen to^elaeten om zich 
t Harlem laeten t besien, off hy mdaetz were, i gl, 4 st/', vermoedelijk ging 
dan de tocht van Haarlem naar Akendam. Van dien tijd af werden er jaarlijks 
nooit minder dan vier of vijf, enkele malen tot tien, zelfs twaalf per jaar (b.v. in 
1557: 7 mannen, 4 vrouwen, i jongen) naar Haarlem gezonden, waarvoor de 
stad het reisgeld betaalde, dat gewoonlijk i gl. 4 st. bedroeg. Pedibus aposto- 
lorum moet dat wel voldoende geweest zijn, daar in 1539 de stadslandmeter 
vier gl. ontving om een tocht naar Zwolle met oponthoud te bekostigen.' De 
zieken ondernamen den tocht onbegeleid, slechts in één enkel geval werd een 
bode medeg^even. Dat kwam aldus: in 1559 toog Peter van de Graeff 
naar Haarlem „om sich te laten besien van laserie/' Hij was een ^prawender" 
(provenier) in Sinter Qaes gasthuis. ^Ende soe hy een aldt man was, is Gertt 
VAN Essen, gaende bode, mit hem gereist; ende soe GERIT claechden dat hy 
lange op weich was, ende meer dan twe galden brab. vertert hadde, hem gege- 
ven 3 gU br." 

In 1572, toen Haarlem door Alva's legermacht belegerd en ingenomen 
werd, trokken onze meiaten voor onderzoek naar Keulen. Drie togen in genoemd 
jaar uit Nijmegen, ^den alden gebruyck nae omb sich zo laetten besien to Coelne 
van der lazerie", waartoe elk hunner twee gulden ontving. Ook nog in 1576 
ging er een daarheen, hoewel vier anderen in het jaar te voren Haarlem reeds 
weder bezocht hadden, en derwaarts lag van toenaf op nieuw voortdurend de reis. 

Werd de patiënt te Haarlem bevonden melaatsch te zijn, dan kreeg hij 
ten bewijze daarvan een gedrukt schouwbriefje. Zulk een berust in het Museum 
in de Lakenhal te Leiden, en is van den volgenden inhoud, waarbij de cursief 
gedrukte woorden met de pen zijn ingevuld : 

v^Kenlick si allen luyden, Hoe dat wi ghemee geswore van Sinte Jacobs 
capelle buyten Haerlem, gheproeft en met alre naersticheydt besien hebben Een 
manspersoon ghenoempt Quiriin Jansz van Leyden^ Wdcke wy nu ter tiit 
Mellaets wt-gheuen besmet te wesen met Lazerye, waeromme dai hi gaen sal 
met vlieghers^ Een Clap hebbende op die borst. Een witte bant om thooft. In 
kennisse des waerheyts soe hebben wi ghemeen ghesworen voorschreuen Desen 
brief besegelt met ons ghemeen seghel. Int Jaer ons Heerê" Duysent vyfhondert 
ende twee ende isoeventich^ den sesten doch yanuarii stylo coi (communi)*\ 

Een tweede briefje, gedagteekend 22 Maart 1612, berust in het Genees- 
kundig Museum te Amsterdam, en was te zien op de Historisch Geneeskundige 
Tentoonstelling te Arnhem, in de maand Juli 1899. Het is gedrukt op een strookje 
perkament, omtrent 15 cent lang en bijna woordelijk van denzelfden inhoud als 
het vorige, met dit verschil in de kleedij : „een zwarte hoet opt hooft, becleet 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 105 

met een witten bandt, sonder ander bant". Voorts de toevoeging : ^^Ende desen 
brief out synde vier jaeren, is doot ende te niet." Het zegel vertoont St. Jacob 
in groene was. 

Bleek bij het onderzoek dat de zieke niet aan leprozij leed, dan ontving 
hij een j^gesontbrieP' Daar dit voortdurend heen en weder trekken van melaat- 
schen naar Haarlem de besmetting moest bevorderen, werd bij plakkaat van 
13 Oct. 1586 bepaald dat alleen zieken uit Holland^ Zeeland en Westfnesland 
zich aan de Kapel te Akendam mochten laten onderzoeken, die daartoe moesten 
voorzien zijn van een certificaat, afgegeven door den magistraat hunner ge- 
boorteplaats. Doch aan deze beperking werd evenmin de hand gehouden als 
vroeger. 

Pogingen tot genezing schijnen, althans onder den minderen stand, weinig 
of niet te zijn aangewend. Dienaangaande is het eenige wat in de Nijmeegsche 
rekenboeken voorkomt een post van 28 Nov. 1609: j,betaelt mr. Hans scherp, 
richter, voor de cure van sekere arme melaeten vrouw, 15 gl." Dat deze be- 
ambten zich met genees- en vooral met heelkunst afgaven^ was destijds niet 
zeldzaam. 

Het was een volksbijgeloof dat Leprozij alleen kon genezen worden door 
boete doen en door zeven jaren lang gebedeld brood te eten. Inderdaad, ten 
gevolge van hun weerzinwekkend uiterlijk en der vrees voor besmetting, konden 
deze paria's geen dienst, noch werk vinden om den kost te verdienen, en bleef 
hun dus niets anders over dan te bedelen. Want het melatenhuis blijkt geei^ 
voedsel verstrekt te hebben, alleen onderdak. Ook zij die daar gehuisvest waren 
leefden van aalmoezen. Daarom verzochten de provisoren van het leprozenhuis 
buiten de Noordpoort te Middelburg, in 154O5 aan den magistraat, om dat huis 
naar een andere plaats te mogen overbrengen, waar meer passage was, immers, . 
aldus het request, de arme lazarussen konden alleen leven van de* aalmoezen die 
hun werden uitgereikt, aangezien het hun verboden was zich onder de menschen 
te begeven. 

Uit teekeningen in vroeg-middeleeuwsche handschriften blijkt, dat de bede- 
lende rbelaten destijds naakt door de straten liepen, alleen met een lendendoek 
omgord. Zij droegen een koehoom aan een touw gehangen, ten einde daarmede 
voor hun nabijheid te waarschuwen. Zoo ziet men ze afgebeeld in een codex 
van de tiende eeuw, afkomstig uit de abdy te Essen, thans in de Landsbibliotheek 
te Dusseldorp. Het gansche lichaam dier ongelukkigen is daar getijgerd met 
roode vlekken of builen. Ook in handschriften van Trier en van Gotha loopen 
zij met een horen. Doch in een gedicht van Ulrich VAN LiCHTENSTEiN's 
Frauendienst (eerste helft der 13 eeuw), kloppen zij op hun drinknappen, terwijl 
Oud-Holland 1907. 14 



10« LEPROZEN EN LEPROZENHÜIZEN. 

zij in een geschilderd venster in de kathedraal van Bourges, uit de 13^ eeuw, 
reeds van kleppen voorzien zijn« 

Te Amsterdam ontvingen de meiaten» die te Haarlem ,,vuil geschouwd'* 
waren, verlof te bedelen met een klep, waarop het wapen van Haarlem stond. 
Zulk een leprozenklep zag men op de bovengenoemde Historisch Geneeslamdige 
Tentoonstelling in 1899. Dat exemplaar was een houten instrument, in den vorm 
van een gesloten waaier, doch eenigszins breeder. Van boven af was het tot op 
een derde zijner lengte in tweeen gespleten, waarbij de voorste helft met een 
scharnier aan het achterstuk bevestigd was. Door een beweging met de hand 
kon men de beide deelen tegen elkander laten kleppen. Een ander was gevormd 
uit een hout omtrent 20 een', lang, uitloopend in een ovalen houten schijf, waar- 
aan onder en boven twee andere plankjes van denzelfden vorm met scharnieren 
bevestigd waren. Op deze klep was het oude wapen van Gouda, twee sterren, 
gebrand. Een derde vorm wordt beschreven in de Navorscher, deel III, als 
een houten schijf met een steel bij wijze van een lepel. In de schijf was een 
holte aangebracht, om de almoezen in te ontvangen, zoodat de gever de hand 
van den melaat niet behoefde te beroeren. Over de schijf was een andere 
van dezelfde grootte bevestigd, welke diende als deksel en tevens om te klep- 
pen. De inzender dezer beschrijving voegt er bij, dat hij in zijn jeugd (hij 
schreef in 1853) nog een paar menschen, geen meiaten, gezien had, niet tot 
den armen stand behoorende, die toch met de klep aan de huizen hunner gegoede 
geloofsgenooten gingen bedelen. Ook in het Bijblad van de Navorscher DeelV, 
herinnert zich iemand in zijn jeugd, op zomerdagen, aan de stadspoorten of op 
wandelingen, personen te hebben zien bedelen ^^met een klep tusschen de vin- 
gers'\ Gewoonlijk waren het lieden die aan hoofdzeer leden. Bij hen schijnt dus 
nog een traditie uit den melaten-tijd te hebben bestaan. 

Met hun' geklep waarschuwden de leprozen voor hun gevaarlijke nabijheid, 
en trokken zij tevens de aandacht op zich, ten einde de liefdadigheid op te wekken. 
Zij moeten een druk gebruik gemaakt hebben van hun instrument, want nog 
hoort men wel opmerken van iemand die onophoudelijk babbelt: ^zijn tong gaat 
als een lazarusklep.'' Desgelijks zou, naar men beweert, het werkwoord klap- 
loopen afgeleid zijn van het loopen bedelen ^op de klep'*, zooals die boven 
beschreven is. 

Een schilderstuk van den Antwerpschen schilder SEBAStiaan Vrancx, in 
de Alte Pinacotheek te Munchen, gedateerd 1622, stelt voor een Vlaamsch of 
Nederlandsch dorpsfeest. Op den voorgrond rechts, een weinig afgezonderd van 
het feestgewoel der landlieden, ziet men een groep van zeven leprozen, waarvan 
twee vrouwen, te samen op den grond gezeten, zich te goed doende aan spijs 



LEPROZEN EN LEPROZEN HUIZEN. 107 

en drank. Hun kleedij is onmiskenbaar. Beide geslachten zijn gehuld in zwarte 
mantels, met een groote witte L (leproos of lazarus) op de linkerborst. Zij dragen 
breedgerande slappe hoeden, met een witten band omgeven, zooals voorgeschreven 
is in het Haarlemsche brieQe van van 1612. Elk hunner heeft een klep vanden 
bovenbeschreven gesloten- waaiervorm. Denkelijk is de mantel, dien zij aanhebben, 
dat kleedingstuk dat in de bedoelde briefjes een y^vliegher*' genoemd wordt. 
KiLIAN althans beschrijft den vlieger in zijn Woordenboek als ^een vrouwelijk 
gewaad dat van voren opengaat, en als twee vleugels verdeeld is"; waarbij 
VAN Hasselt aanhaalt: ^sijn beste kleedingstuk, tzij mantel, hoeyck, vlieger, 
ofte bouwen." Te Nijmegen ontving een nielaat in 1539 van stadswege een 
gulden yfott een grouwen mantell te koepen**. Dat de leprozen daar ter stede 
eveneens met de klep plachten te loopen, blijkt uit het volgende. In 1569 wer- 
den aldaar twee moordenaars geradbraakt, aangaande welke executie het reken- 
boek een post bevat van dezen inhoud: ^Soe die een moerder lazarus was, 
gekofft eenen box (bus, om te bedelen), die opt rat genegelt wart. Item Goert 
Ketel een lazarusklep gemaeckt, die aen dat rat gehangen werd.'' Met derge- 
lijke voorwerpen werden den volke nadere inlichtingen gegeven omtrent den per- 
soon der geëxecuteerden en hun misdrijf. Een valsche munter b.v. werden bij 
zijn terechtstelling groote blikke penningen op de borst gehangen; blikke kelken 
toonden den kerkedief aan, een vuurtest den brandstichter. Somtijds ook werd 
het mes of een ander werktuig waarmede een moord gepleegd was, aan het rad 
gehangen. , 

Het bedelen der meiaten was in de meesten onzer steden door keuren en 
ordonnantien beperkt. Een bepaling van den Arnhemschen magistaaat van 1437 
verbood den meiaten uit het leprozenhuis, in de stad te komen bedelen langs de 
huizen en op het kerkhof te gaan zitten, y^als sy tot hyer toe gewoentlick siin 
geweest.'* Den melaat die tegen dit voorschrift handelde, werd het verblijf in 
het gesticht ontzegd. Doch hun knechten die gezond waren, mochten wekelijks 
(ter weke) rond gaan bedelen en op het kerkhof zitten, j,als sy tot hyer toe 
gewoentlick ziin gewest." Vreemde meiaten moesten fluks door de stad gaan 
en daar niet vertoeven. Veel minder streng waren de bepalingen die te Nijmegen 
in 1559 gemaakt werden. Daar was het den bewoners van het leprozenhuis ver- 
oorloofd des 2^ndags, Woensdags en Vrijdags in de stad te komen bedelen, 
doch die r,van buyten", de vreemde meiaten, konden alleen Donderdags omgaan 
om liefd^aven in te zamelen. De portiers aan de stadspoorten hadden last hen 
respectievelijk alleen op die dagen binnen te laten.' Nog in 161 1 werd vastge- 
steld dat het dien uit het melatenhuis alleen vrijstond op Woensdagavond en des 

Donderdags in de stad te komen, y^sot als dann hem by d'ordonnantie daerop 

14* 



108 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

gemact, hier te verblyven ende omme te gaen toegelaeten is/' Vreemde melaten 
die op de hun verboden dagen, ^buiten tiits'', bedelend werden aangetrofien^ 
moest de gezworen omroeper uit de stad doen vertrekken. Het stadrecht van 
Kampen bepaalde dat j,arme lieden die lasars sind'', slechts viermaal 's jaars in 
de stad mochten komen. Drie dagen lang konden zij dan in het St. Catharinen 
gasthuis vertoeven ^ende sullen ter maeltiit hebben eeten, drincken ende genieten 
gelijck die ander daer in den huse wonende off geprovent, anders niet*\ 

Dus werden, door een verkeerd toegepast mededoogen, de leprozen niet 
geheel uit de samenleving afgezonderd. Men veroorloofde hun zich onder het 
gezonde deel der menschheid te mengen, ten einde hun geldelijken steun te be- 
zorgen. Nijmegen geeft daarvan nog andere voorbeelden. Het rekenboek van 
1592 bewijst hoe in dat jaar een leproos dagenlang baksteenen, van afbraak 
afkomstigi heeft j^gefechf^ d. w. z. afgebikt. Maar in die dagen toen men nog 
geen vrees voor bacillen, noch microben kende, deed men zelfs wel erger. Een 
besluit van den Nijmeegschen raad van 20 Sept. 161 1, behandelt het verzoek 
van vreemde melaten, om op Maandagen in de stad te mogen rondgaan, ten 
einde hun waren te verkoopen. Daar Maandag de drukste marktdag was, 
vond de magistraat dat verzoek wel wat bedenkelijk; doch hij zag er geen be- 
zwaar in hun toe te staan met hun waren ^ onder taffdack van 't gasthuys aan 
de Grootestraat te mogen voorstaen, sonder dat sy daermede langs de straeten 
sullen gaen mogen, off eenige almoesen alhier vergaderen, noch oock den leprosen- 
huys alhier lastich [te] siin." En op diezelfde bank waarop de leprozen hun 
besmette waren te koop stelden, werd N.B. de visch verkocht, want het beneden- 
einde der Grootestraat deed destijds dienst als vischmarkt. 

Te Amsterdam was het in de.i/^ eeuw den leprozen verboden in de stad 
te loopen bedelen, maar daarom was men overigens niet voorzichtiger. Eenmaal 
in het jaar mochten zij daar een omtocht houden, die twee dagen duurde, ten einde 
liefdegaven in te zamelen voor het onderhoud van hun gesticht. Er bestaat een 
groot schilderstuk door Adriaan VAN NiEUWLANDT, in 1633 vervaardigd, en in 
1769 door SiMON FoKKE geëtst, ten opschrift dragende: „Jaerlykse ommeganck 
der Leprozen, op Copperties-Maendag, opgehouden in 't jaer 1604." Coppermaan- 
dag, elders Razende-, Verzworen-, Blijde-, Zotte-, Verloren Maandag, was in ons 
land en elders een der drukste, woeligste volksfeestdagen van het gansche jaar. 
Het straatpubliek was dan in een opgewonden, vrijgevige stemming, en deswegen 
had men dien dag in Amsterdam gekozen voor den optocht der leprozen. Op 
het schilderij van Van Nieuwlandt passeert de stoet den overvollen Dam, waar 
een soort van kermis schijnt gehouden te worden. Voorop marcheert een tam- 
boer, in het zwart gekleed, hem volgt de blazoendrager van het Houtzagersgild, 



LEPROZEN EN LEPROZEN HUIZEN. 109 

dat den ommegang, althans in dat jaar, vergezelde. Ter wederzijde van hem 
gaat een binnenmoeder van het leprozenhuis, met een bord in de hand, waarover 
een witten doek met roode kwasten, om aalmoezen te ontvangen. Dan volgen 
de leprozen, deels te voet, deels in negen sleden gezeten, door paarden getrokken. 
In elke slede bevinden zich een man, een vrouw en een kind. De vrouwen 
hebben borden voor liefdegaven op haar schoot, en een ledig tonnetje naast zich, 
om het bord in te ledigen telken male als het vol mocht worden, 's Maandags 
nam deze optocht zijn weg aan de Oude-, Dinsdags aan de Nieuwe Zijde. E}en 
feestmaal werd den leprozen aangeboden op den eersten dag in het het St. Petri-, 
den volgenden dag in het Burgergasthuis, en door beide gestichten werden zij 
rijkelijk getracteerd. 

Dergelijke gastmalen werden aan de Nymeegsche meiaten niet geboden, 
doch met de gemoedelijkheid die karakteristiek is onzer oude tijden, viel er bij 
stedelijke feesten voor den armen lazarus nóg wel een kruimke van den welvoor- 
zienen disch der rijke brassers. Zelfs nog in 1584, toen vele aan de oude 
godsdienst verbonden gebruiken waren afgeschaft, werd aan de meiaten, ^nae den 
aldenn gebruyck gegeven, doenn een erbar raeth geteerdt, een flesch wijn van 
I gL 4 st.*' Daarbij denke men niet aan onze pygmeën flesschen; het was een 
tijd toen een kwart goeden wijn zeven stuivers kostte en de flesch dus omtrent 
3^ kwart moet gehouden hebben. Maar op den Zondag Exaudi, na de ver- 
kiezing der meesters van Sinter Claas kregen zij slechts twee kwarten. In 1586 
bij deselfde gelegenheid ^an den leproesen vur hoer maeltiit, i gl. 10 st'' In 
1591 staat er bij, dat de i gL 4 stuivers gegeven werden aan y,die vier personen 
int Lazarushuys, voer haer deel in den maeltiit." Ook nog na de reductie der 
stad, 1593: ,,Den armen melaetten voer ein vlesch winss haer luyden, nae alder 
gewoendenn, als voer het hoechgetiit van Paeschen competerende, i gl. 4 st. 
Item betallt aen den melaetten voer een vlesch wins, hoen op St. Martinus 
aventt toekomende, i gl. 4 st.'' Desgelijks op O. L.V. avond, op Kerstmis en 
op Nieuwjaar. Niet lang daarna evenwel viel deze gewoonte in onbruik. 

Hoe vreeselijk de kwaal ook was, waarmede de leprozen bezocht waren, 
men stelle zich niet voor dat het een droefgeestig volkje was. Hun kwaal was 
een kapitaal dat goede renten afwierp, en van die renten leidden zij op hun 
manier een leventje, zooals de Duitschers dat uitdrukken, „wie der Herr Gott in 
Frankreich". Er waren er die hun geluk in den huwelijken staat zochten en 
onderling trouwden, over welke huwelijken in 1470 in Overijssel een rechts- 
geleerd advies werd gegeven. Bij een Nijmeegsch raadsbesluit van2oSept. 1592, 
werd zekere melaat j^een onmelaatsche dochter*^ getrouwd hebbende, alsmede drie 
andere meiaten, achter het Hof wonende, gelast naar Haarlem te reizen, en van- 



110 LEPROZEN EN LEPR0ZENHUI2EN. 

daar ^schijn en getuychnisse te brengen van heuer su3rver- ofte onsuyverheitt, 
om, 't selve gedaen, bii miin heeren ten respecte van heuer woonplaetse gedis- 
poneert te worden nha behoeren,'* of zij namelijk in het leprozenhuis konden 
gaan of niet De R« K. Kerk had haar eigen bepalingen omtrent huwelijken van 
leprozen. Verlovingen werden ontbonden als een der partijen melaatsch werd, 
en voor een gesloten huwelijk kon men dispens verkrijgen. Aan den anderen 
kant eischten twee pauselijke canons (de Conjugio Leprosorum) dat de gezonde 
echtgenoot met de of den leproos moest blijven samenwonen. Doch deze bepa- 
lingen werden door de canonisten, onder zekere beperkingen, alleen van toepas- 
sing geachti wanneer de ziekte van dien aard was, dat er geen gevaar van 
besmetting bestond. 

Weinig leprozen waren echter zoo betamelijk van aard, dat zij met het 
huiselijk leven genoegen namen. Hun ziekte bracht verhoogde zinnelijke nei- 
gingen mede> en daaraan werd rijkelijk den vrijen teugel gelaten. Dat was de 
reden waarom velen hunner liever in vrijheid bleven rondloopen, zich aansloten 
bij vagabonden, bedelaars, landloopers en ander gespuis, dan zich te onderwerpen 
aan de tucht die het melatenhuis medebracht. In het cartularium van Notre 
Dame te Parijs vindt men dienaangaande de volgende resolutie van den Aarts- 
bisschop, van het jaar 1201. y^Daar er omtrent de losbandigheid der leprozen 
zulke ergerlijke klachten tot ons zijn gekomen, hoe zij namelijk, die zich moesten 
afzonderen van het algemeen verkeer, zich thans, niettegenstaande de wettelijke 
bepalingen, overal, met meer vrijheid dan recht, vertoonen en vrijelijk rond- 
loopen; zoo hebben wij, ten einde, zooals onze herderlijke plicht medebrengt, 
het gevaar tegen te gaan dat uit zulk een vermenging voortdurend blijft ontstaan, 
en opdat niet, hetgeen de Heer verhoede, de ziekte zich zoo zeer uitbreide dat 
de gansche kudde besmet wordt, goedgevonden de zieke schapen uit de gezonde 
kudde te verwijderen, het ongeoorloofde rondloopen der leprozen verboden, en 
hun bandeloosheid tot het betrachten van bepaalde statuten doen dwingen. Uit 
naam en met goedvinden van vrouwe Adela, doorluchtige Koningin van Frank- 
rijk, bevelen wij, dat alle leprozen in de kastelanijen van Melun en van Corbeil 
slechts op twee plaatsen zullen vertoeven, namelijk de mannelijken in het huis 
van St. Lazarus te Melun, de vrouwelijke in dat van St. Lazarus te Corbeil, in 
dier voege dat noch de mannen bij de vrouwen, noch de vrouwen bij de mannen 
mogen komen, noch samenwonen." 

De melatenhuizen in Nederland waren gewoonlijk eigendom der steden, 
werden door haar ten deele bekostigd, en stonden onder toezicht van provisoren. 
Te Nijmegen werden alleen burgers in het gesticht opgenomen. Meestal was er 
een vrouw, de moeder, gesteld aan het hoofd van het huishouden. Zoo een e 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZBN. 111 

reedt te Nijmegen voor het eerst op in een raadsbesluit van 1562, en daar dit 
enkele huiselijke aangelegenheden bevat, moge het hier volgen: JDewiil die 
maghet van den lazarushuys gepesmdt is van kerssen (kaarsen) ende anderss 
noitdrufft des huys om to betalen, dieweicke parselen voornoemt opgemelte 
maghet verclaret by otren etde volstaen, ende dat JOHAN Spruyt, provisor, 
die verteringe betalen sall. Doch woe die provisoren bedunckt dat die maghet 
onredelick sy, hebben sy die orloflF tho geven ende eyn andere tho stellen." 
Verder blijkt dat er in 1552 een j^taeffel tot den melaeten gehangen" werd^ 
^haldende oer leges," en dat deze op nieuw in 1567 door een der secretarissen 
j,ia t rein gesteld ende op een bret (plankje) gecleft" werden. Jammer genoeg 
is er geen exemplaar dier verordeningen bewaard gebleven. In 1534 bezat het 
gesticht een y^peerdtgen'^ dat van de stad een malder haver ontving, omdat som- 
mige raadsvrienden het ^in onser raedt saeken" gebruikt hadden. 

Dat er een cantine aan het gesticht verbonden was, blijkt uit het reken- 
boek van 1550, betreffende een vertering van elf snaphanen ^totten melaeten*' 
gemaakt door den scherprechter en zijn acolyten, op een nacht dat zij daar in 
de buurt, op het Galgenveld, de galg opstelden. Omtrent die cantine vindt 
men in het Liber Depositionum Testium van 1562 eenige merkwaardige bijzon- 
derheden. In een quaestie betreffende den bieraccijns betuigen drie leprozen, op 
5 April, dat sedert Baet, de maagd, laatstleden Oegst (Augustus) in het melaten- 
huis was begonnen te tappen, zij ongeveer veertig vaten bier vertapt en verbruikt 
had. Zij nam voor elke vaan een pertje (lYs st,), ook wel een pertje en een 
penningske, al naarmate de prijs in Nijmegen was. Verder beweerden zij, dat 
Baet en Nael Voss hun hadden gezegd, dat zij menschen wisten die jaarlijks 
gaarne een Joachimsdaalder zouden willen geven, als men de zeep, de kaarsen 
en wat verder in het huis noodig was, bij hen ging koopen. Twee andere leprozen 
legden hetzelfde getuigenis af, omtrent den prijs van het bier, en voegden er het 
merkwaardige detail bij, dat die prijs ook betaald werd door j^alle vremde luidde, 
die aldaer ter tiit om te drincken quamenl** 

Nadat Nijmegen zich in 1579 van zijn Spaansch garnizoen bevrijd had, 
stond het te vreezen dat de Spanjaarden pogingen zouden aanwenden om deze 
belangrijke vesting weer in hun macht te krijgen. Dientengevolge besloot men 
haar in behoorlijken staat van verdediging te brengen, en te beginnen met ver- 
schillende gebouwen in de onmiddellijke nabijheid af te breken, daaronder was 
ook het melatenhuis. Uit de posten in het rekenboek die op dit werk betrekking 
hebben, blijkt dat dit gebouw met een ^singelmuer" omsloten was, waarvan 
25,300 baksteenen kwamen^ De meiaten zouden tot nader order hun intrek 
nemen in de woning van den pater van het St. Agnietenklooster, aan den Teers, 



112 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

te Neerbosch. Daar bleven zij tot hun in 1581 een verblijf werd aangewezen in 
het ziekenhuis van het Observantenklooster. Het leprozenhuis werd eerst in het 
volgende jaar afgebroken, en de baksteenen die er van kwamen, werden gebruikt 
om de Hersteegpoort mede toe te metselen. De kapel volgde al spoedig. 

In het Observantenklooster bleven de leprozen niet lang, reeds in het vol- 
gende jaar besloot de raad hen ^^te accomodeeren mit een behuisonghe achter 
idt Hoff, by de Hoenderpoort/' Voor 200 daalders werd dit huis gekocht Zoo 
waren zij dan nu in de stad gevestigd. Daar zag men toen geen bezwaar meer 
in; ook te Amsterdam kwam het leprozenhuis dat aan den Oudendijk gestaan 
had, door de uitbreiding der stad in 1593 binnen de muren te staan. Achter het 
Hof te Nijmegen was daarenboven een slecht befaamde buurt. Daar woonden 
allerlei onzuivere elementen : de scherprichterS| de vilders, schoorsteenvegers, des- 
tijds ook geen eerbaar bedrijf ^goudg^vers" of stillevegers, 

Ambabaiarum collegia pharmacopolae 
Mendici, mimae, balatrones, hoc genus omne. 

De tuin van het lagere gedeelte van het Hof, tusschen den Voerweg en 
de Waal, beslaat thans de plaats dier poel van ongerechtigheden. In het huis 
aldaar vertoefden de meiaten tot 1638, toen een woning in de naburige Grolt- 
gravers'-, later Rozemarijngas tot melatenbuis werd aangewezen. Het oude huis 
was bouwvallig en stond op dat oogenblik ledig; er waren geen meiaten meer in. 
Inderdaad was de melaatschheid sedert het begin der 17e eeuw hier te lande sterk 
aan het afnemen. Het leprozenhuis werd dan ook in 1650 bestemd tot passanten 
huis voor doortrekkende meiaten en bedelaars» en den diakenen in 165 1 bevolen 
de ytpasseerende" bedelaars geen geld meer te geven, maar een loodje ter hand 
te stellen, dat hun recht gaf om eén nacht in het Gasthuis of wel in het meiaten- 
huis te logeeren. Zekere LijDA Steenacker, een schoolmeester's dochter, die 
verlof had om te bedelen, dewijl haar kind ^laserus'' was, werd nu aan het 
hoofd van dit gesticht gesteld, met een tractement van 23 gl., j,als van oudts.*' 

Maar op den duur ging het niet met dat huis. Er kwamen klachten dat 
schooiers, die zich voor melaatschen uitgaven, in de stad liepen te bedelen en 
het gebedelde dan in het melatenhuis *s avonds en *s nachts ^met drincken, speelen, 
danssen ende springen onnuttelick" verbrasten. Bevel werd daarom gegeven aan 
den huisbaas van dit gesticht, om geen leprozen meer te huisvesten, noch onder- 
stand te geven. Toch vernam de raad in het volgende jaar, dat er ^in die 
woninghe van de leprosen, by die vremde leprosen en de andere be^elaers een 
ongeregelt leven gevoert ende ontuchtich huys gehouden werd." Men besloot 
daarom het huis te verhuren. In 1663 werd het „huys van de Blaten" (aldus 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 113 

het Nijmeegsch idioom voor meiaten) eindelijk voor goed aan zijn vroegere be- 
stemming onttrokken, en met de bleek en de daarop staande pomp verhuurd, 
terwijl de fondsen van het gesticht werden overgedragen aan het voormatige 
Cellenbroederenhuis, ten bate der krankzinnigen. 

Een straatje te Nijmegen, dat thans van den Liodenberg naar een der 
beneden ingangen van het Hof leidt, is officifiel bekend als de Langebaan,' doch 
draagt bij oude Nijmegenaars nog steeds den naam „Achter den Blatum", omdat 
het weleer achter het laatst behandelde melatenhuis omvoerde. 



Oud-Holland 1907. 



112 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

te Neerbosch. Daar bleven zij tot hun in 1581 een verblijf werd aangewezen in 
het ziekenhuis van het Observantenklooster. Het leprozenhuis werd eerst in het 
volgende jaar afgebroken, en de baksteenen die er van kwamen, werden gebruikt 
om de Hersteegpoort mede toe te metselen. De kapel volgde al spoedig. 

In het Observantenklooster bleven de leprozen niet lang, reeds in het vol- 
gende jaar besloot de raad hen ^^te accomodeeren mit een behuisonghe achter 
idt Hoff, by de Hoenderpoort." Voor 200 daalders werd dit huis gekocht Zoo 
waren zij dan nu in de stad gevestigd. Daar zag men toen geen bezwaar meer 
in; ook te Amsterdam kwam het leprozenhuis dat aan den Oudendijk gestaan 
had, door de uitbreiding der stad in 1593 binnen de muren te staan. Achter het 
Hof te Nijmegen was daarenboven een slecht befaamde buurt. Daar woonden 
allerlei onzuivere elementen : de scherprichterS| de vilders, schoorsteenvegers, des- 
tijds ook geen eerbaar bedrijf, y^goudg^vers'' of stillevegers, 

Ambabaiarum collegia pharmacopolae 
Mendici, mimae, balatrones, hoc genus omne. 

De tuin van het lagere gedeelte van het Hof, tusschen den Voerweg en 
de Waal, beslaat thans de plaats dier poel van ongerechtigheden. In het huis 
aldaar vertoefden de meiaten tot 1638, toen een woning in de naburige Golt- 
gravers'-, later Rozemarijngas tot melatenbuis werd aangewezen. Het oude huis 
was bouwvallig en stond op dat oogenblik ledig; er waren geen meiaten meer in. 
Inderdaad was de melaatschheid sedert het begin der 17e eeuw hier te lande sterk 
aan het afnemen. Het leprozenhuis werd dan ook in 1650 bestemd tot passanten 
huis voor doortrekkende meiaten en bedelaars» en den diakenen in 165 1 bevolen 
de ytpasseerende'' bedelaars geen geld meer te geven, maar een loodje ter hand 
te stellen, dat hun recht gaf om eén nacht in het Gasthuis of wel in het meiaten- 
huis te logeeren. Zekere LijDA Steenacker, een schoolmeester's dochter, die 
verlof had om te bedelen, dewijl haar kind yilaserus" was, werd nu aan het 
-hoofd van dit gesticht gesteld, met een tractement van 23 gl., j,als van oudts.*' 

Maar op den duur ging het niet met dat huis. Er kwamen klachten dat 
schooiers, die zich voor melaatschen uitgaven, in de stad liepen te bedelen en 
het gebedelde dan in het melatenhuis 's avonds en *s nachts ^met drincken, speelen, 
danssen ende springen onnuttelick" verbrasten. Bevel werd daarom gegeven aan 
den huisbaas van dit gesticht, om geen leprozen meer te huisvesten, noch onder- 
stand te geven. Toch vernam de raad in het volgende jaar, dat er y|in die 
woninghe van de leprosen, by die vremde leprosen en de andere bedelaers een 
ongeregelt leven gevoert ende ontuchtich huys gehouden werd." Men besloot 
daarom het huis te verhuren. In 1663 werd het „huys van de Blaten" (aldus 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 118 

het Nijmeegsch idioom voor meiaten) eindelijk voor goed aan zijn vroegere be- 
stemming onttrokken, en met de bleek en de daarop staande pomp verhuurd, 
terwijl de fondsen van het gesticht werden overgedr^en aan het voormalige 
Cellenbroederenhuis, ten bate der krankzinnigen. 

Een straatje te Nijmegen, dat thans van den Lindenbei^ naar een der 
beneden ingangen van het Hof leidt, is officieel bekend als de Langebaan, doch 
draagt bij oude Nijmegenaars nog steeds den naam „Achter den Blatum", omdat 
het weleer achter het laatst behandelde melatenhuis omvoerde. 



Oud-Holtand 1907. 



112 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

te Neerbosch. Daar bleven zij tot hun in 1581 een verblijf werd aangewezen in 
het ziekenhuis van het Observantenklooster. Het leprozenhuis werd eerst in het 
volgende jaar afgebroken, en de baksteenen die er van kwamen, werden gebruikt 
om de Hersteegpoort mede toe te metselen. De kapel volgde al spoedig. 

In het Observantenklooster bleven de leprozen niet lang, reeds in het vol- 
gende jaar besloot de raad hen ^^te accomodeeren mit een behuisonghe achter 
idt Hoff, by de Hoenderpoort.*' Voor 200 daalders werd dit huis gekocht Zoo 
waren zij dan nu in de stad gevestigd. Daar zag men toen geen bezwaar meer 
in; ook te Amsterdam kwam het leprozenhuis dat aan den Oudendijk gestaan 
had, door de uitbreiding der stad in 1593 binnen de muren te staan. Achter het 
Hof te Nijmegen was daarenboven een slecht befaamde buurt. Daar woonden 
allerlei onzuivere elementen : de scherprichters, de vilders, schoorsteenvegers, des- 
tijds ook geen eerbaar bedrijf, ^^goudg^vers" of stillevegers, 

Ambabaiarum collegia pharmacopolae 
Mendici, mimae, balatrones, hoc genus omne. 

De tuin van het lagere gedeelte van het Hof^ tusschen den Voerweg en 
de Waal, beslaat thans de plaats dier poel van ongerechtigheden. In het huis 
aldaar vertoefden de meiaten tot 1638, toen een woning in de naburige Grolt- 
gravers'-, later Rozemarijngas tot melatenbuis werd aangewezen. Het oude huis 
was bouwvallig en stond op dat oogenblik ledig; er waren geen meiaten meer in. 
Inderdaad was de melaatschheid sedert het begin der 17e eeuw hier te lande sterk 
aan het afnemen. Het leprozenhuis werd dan ook in 1650 bestemd tot passanten 
huis voor doortrekkende meiaten en bedelaars» en den diakenen in 165 1 bevolen 
de vipasseerende" bedelaars geen geld meer te geven, maar een loodje ter hand 
te stellen, dat hun recht gaf om eén nacht in het Gasthuis of wel in het meiaten- 
huis te logeeren. Zekere Lijda Steenacker, een schoolmeester's dochter, die 
verlof had om te bedelen, dewijl haar kind y,laserus" was, werd nu aan het 
hoofd van dit gesticht gesteld, met een tractement van 23 gl., j,als van oudts.*' 

Maar op den duur ging het niet met dat huis. Er kwamen klachten dat 
schooierS| die zich voor melaatschen uitgaven, in de stad liepen te bedelen en 
het gebedelde dan in het melatenhuis *s avonds en *s nachts ^met drincken, speelen, 
danssen ende springen onnuttelick" verbrasten. Bevel werd daarom gegeven aan 
den huisbaas van dit gesticht, om geen leprozen meer te huisvesten, noch onder- 
stand te geven. Toch vernam de raad in het volgende jaar, dat er y^in die 
woninghe van de leprosen, by die vremde leprosen en de andere bedelaers een 
ongeregelt leven gevoert ende ontuchtich huys gehouden werd.** Men besloot 
daarom het huis te verhuren. In 1663 werd het ^huys van de Blaten" (aldus 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. IlS 

het Nïjme^sch idioom voor meiaten) eindelijk voor goed aan zijn vroegere be- 
stemming onttrokken, en met de bleek en de daarop staande pomp verhuurd, 
terwijl de fondsen van het gesticht werden overgedragen aan het voormalige 
Cellenbroederenhuis, ten bate der krankzinn^en. 

Een straatje te Nijmegen, dat thans van den Lindenbei^ naar een der 
beneden ingangen van het Hof leidt, is officieel bekend als de Langebaan, doch 
draagt bij oude Nijmegenaars nog steeds den naam „Achter den Blatum", omdat 
het weleer achter het laatst behandelde melatenhuis omvoerde. 



Oud-Holland 1907. 



112 LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. 

te Neerbosch. Daar bleven zij tot hun in 1581 een verblijf werd aangewezen in 
het ziekenhuis van het Observantenklooster. Het leprozenhuis werd eerst in het 
volgende jaar afgebroken, en de baksteenen die er van kwamen, werden gebruikt 
om de Hersteegpoort mede toe te metselen. De kapel volgde al spoedig. 

In het Observantenklooster bleven de leprozen niet lang, reeds in het vol- 
gende jaar besloot de raad hen ^^te accomodeeren mit een behuisonghe achter 
idt Hoff, by de Hoenderpoort.'* Voor 200 daalders werd dit huis gekocht Zoo 
waren zij dan nu in de stad gevestigd. Daar zag men toen geen bezwaar meer 
in; ook te Amsterdam kwam het leprozenhuis dat aan den Oudendijk gestaan 
had, door de uitbreiding der stad in 1593 binnen de muren te staan. Achter het 
Hof te Nijmegen was daarenboven een slecht befaamde buurt. Daar woonden 
allerlei onzuivere elementen : de scherprichters, de vilders, schoorsteenvegers, des- 
tijds ook geen eerbaar bedrijf, y^goudg^vers" of stillevegers, 

Ambabaiarum collegia pharmacopolae 
Mendici, mimae, balatrones, hoc genus omne. 

De tuin van het lagere gedeelte van het Hof, tusschen den Voerweg en 
de Waal, beslaat thans de plaats dier poel van ongerechtigheden. In het huis 
aldaar vertoefden de meiaten tot 1638, toen een woning in de naburige Golt- 
gravers'-, later Rozemarijngas tot melatenbuis werd aangewezen. Het oude huis 
was bouwvallig en stond op dat oogenblik ledig; er waren geen meiaten meer in. 
Inderdaad was de melaatschheid sedert het begin der 17e eeuw hier te lande sterk 
aan het afnemen. Het leprozenhuis werd dan ook in 1650 bestemd tot passanten 
huis voor doortrekkende meiaten en bedelaars» en den diakenen in 165 1 bevolen 
de vipasseerende" bedelaars geen geld meer te geven, maar een loodje ter hand 
te stellen, dat hun recht gaf om eén nacht in het Gasthuis of wel in het meiaten- 
huis te logeeren. Zekere LijDA Steenacker, een schoolmeester's dochter, die 
verlof had om te bedelen, dewijl haar kind yilaserus" was, werd nu aan het 
hoofd van dit gesticht gesteld, met een tractement van 23 gl., j,als van oudts.*' 

Maar op den duur ging het niet met dat huis. Er kwamen klachten dat 
schooiers, die zich voor melaatschen uitgaven, in de stad liepen te bedelen en 
het gebedelde dan in het melatenhuis 's avonds en *s nachts ^met drincken, speelen, 
danssen ende springen onnuttelick" verbrasten. Bevel werd daarom gegeven aan 
den huisbaas van dit gestichti om geen leprozen meer te huisvesten, noch onder- 
stand te geven. Toch vernam de raad in het volgende jaar, dat er y}n die 
woninghe van de leprosen, by die vremde leprosen en de andere be^elaers een 
ongeregelt leven gevoert ende ontuchtich huys gehouden werd." Men besloot 
daarom het huis te verhuren. In 1663 werd het ^huys van de Blaten" (aldus 



LEPROZEN EN LEPROZENHUIZEN. IIS 

het Nijmeegsch idioom voor tnelaten) eindelijk voor goed aan zijn vroegere be- 
stemming onttrokken, en met de bleek en de daarop staande pomp verhuurd, 
terwijl de fondsen van het gesticht werden overgedragen aan het voormalige 
Cellenbroederenhuts, ten bate der krankzinnigen. 

Een straatje te Nijmegen, dat thans van den Lïndenberg naar een der 
beneden ingangen van het Hof leidt, is officieel bekend als de Langebaan, doch 
draagt bij oude Nijmegenaars nog steeds den naam „Achter den Blatum", omdat 
het weleer achter het laatst behandelde melatenhuis omvoerde. 



Oud-HollaMd 1907. 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN 



studies door 
Dr. J A. f. ORBAAN. 



n. 

DE GELEERDEN. 

N een studie van de betrekkingen tusschen Italië en de 
Nederlanden, schuiven de geleerden zich uit eigen be- 
weging op hun plaats. Zij hebben zich de dragers van 
de beschaving der Renaissance gevoeld en hunne meening 
omtrent zich zelven met nadruk uitgesproken. Wanneer 
zij den gebruikelijken lauwerkrans van ItaliC vlechten, 
voegen zij niet zelden fraaie schelpen, als souvenirs van 
volbrachte pelgrimstochten in. Het Latijn geeft aan 
de herinneringen dan eenen monumentalen aanblik. Het eigen taaltje der geleerden 
van voorheen hult alles in een hoes van eenvormigheid. Eerst na een zekere 
belezenheid in de werken der Nederlandsche Renaissancisten, komt grooter 
klaarheid omtrent hunne diepere bedoelingen en echte gevoelens, Ook dan nt^ 
blijfk de navolging der klassieken — die immers hetzelfde Italië behandelen — 
eene volledige kennis ïn den weg staan. Wij zijn op den enkelen klank van 
een Ode, die de schoonheden van de Golf van Napels bezingt, lang niet zeker, 
dat wij een sprank van waar natuurgevoel in den philoloog ontdekt hebben. 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN, 115 

De mogelijkheid bestaat dat hij daar nu juist zijne vrienden onthaalde op eene 
navolging van een Latijnsch dichter van de achterwacht en zijne ingeving lang- 
zaam aftapte tusschen de emendaties van een codex. Al te vaak kwam de kennis 
van Italië tot de studie-menschen, verdiept in den arbeid van het zuiveren van 
een tekst, langs groote omwegen. Soms uit brieven uit het vaderland, of uit de 
welverzorgde epistels, die de Italiaansche collega's hun — in antwoorden en in 
een wedstrijd in het Latijn-schrijven — langs het gewone Iter Italicum ^): Milaan 
(de Ambrosiana), Florence (de bibliotheek der Medicis), Rome (de Vaticana en 
de Barberiniana), Napels (eenige kloosters) deden toekomen. Geheel ingenomen 
door den hartstocht voor tekstkritiek, geven zij al den vrijen tijd tusschen de 
bibliotheek-uren aan plannen ten dienste van de goede zaak. Hier moet een 
professor gewonnen, daar lang van te voren een knorrig bibliothecaris, een lastig 
abt met vleierij en onderdanigheid ingepalmd worden. De kalender der feestdagen 
stoort de voortvarendheid der vorschers*). Epidemieën waren rond, die hun 



1) Bij VAN Mandbr in het Schilderboeck wordt herhaaldelijk gesproken van ^die van onse Nederlantsche 
Natie, boven anderen ter Weerelt. .. geneyght tot reysen en vreemde Landen en volcken te besoecken" (fol. 
floa vo.) Hij geeft bijv. als route van Rome naar Napels den weg over Velletri en Terradna en een terugreis 
over Pozzuoli-Gaeta. De gewone wegen door Italië in den tijd der diligences, waren, als reeds uit dit eeiie 
voorbeeld blijkt, niet die van tegenwoordig. Langs de groote verkeerswegen hadden de reizigers altijd gevaar 
bandieten te ontmoeten en niet weinig kans in handen van even rooflustige waarden te vallen. 

Ik hoop later in een van deze studies te behandelen: het reizen der Tramontani In Italië, hunne reis- 
handboeken, voorbereiding en ervaringen. Eenige staaltjes, wat geleerden betreft, heb ik hier bij de hand. 
Als HUBBST GoLTZius ult Rome terugkeert, slaakt een poëtisch vriend een vreugde-kreet, dat bij na twee 
Jaren behouden thuis kwam (vóór éUn Thesaurus RH atUiquariae Huherrimus van Hubbrt Goltzius, 1579) • 
Men kende in die dagen in de geleerde kringen zeker al de Latijnsche vertaling: Lkonardi Albesti 
BovONiBNsis DescripHo toHus Italioê, Keulen 1557, die in de voorrede uitwijdt over de moeiel^kheden van 
het reizen in Italië. Een levendig verhaal van een avontuur met een waard vinden wij in de Poemata van 
BoissAJU>us (1591): «in Claudium Homuncionem Qavennatem, qui per Alpes iter fadentem hospitio exdusit". 
De auteur heeft het Italiaansche leven van dichtbij gekend, en onbeschroomd in de gedichten verteld van een 
vroolijk leventje met schilders en tooneelspders te Padua, van uitstapjes naar Verona en Venetië met avon- 
turen in Venetiaanschen stijl a giomo bdicht. De bekentenissen van een buitenlandsch student aan een 
hoogeschool van Italië, die Pibtso Arbtino bewondert en Orlando Lasso, doch op zijn t^d « Jo. Fosthius, 
PiNELLUS, MARBTU8, SiGONiusque et Aldus" op prijs weet te stellen. Veel ernstiger en welgemeender 
raad geeft een Gborgius Fabsitivs in zijn Roma, die (1551) ^Romanaeurbiscadaver" bezoekt, de katakomben, 
Veji en Ostia ziet — hetgeen iets nieuws was op het programma — en een vergeeflijke belangstelling voor 
de goede wijnen in de buurt van Viterbo aan den dag legt. 

Andere bijdragen in den Hercules Prodicius van Stephanus Wmandus Fighius, die den jongen 
prins Tan Kleef (f 1575) op deze reis naar Rome als mentor begeleide; en alleraardigste beschrijvingen, die 
nog opgaan, van de drukke hotelletjes tusschen Rome en Napels, in de brieven van JusTUS Rycqius (Leuven 16x5). 

Over credietbrieven in Italië o. a. in eenen brief van LiPSius (Burmannus, Sylloge II, pag. 33). 

S) I8AA0 Vossius geeft aan Nicolaas Hbinsius uit zijne eigen ervaringen algemeene aanwQzingen 
voor de studie in de Italiaansche bibliotheken {Sylloge III, pag. 564 seqq.), voor de klooster-bibliotheken in 
het bizonder {Sylloge III, pagg. 561, 566). 

In de Ambrosiana studeerde Ertoius Putbanus, van wiens wedervaringen in zijne brieven aan L1P8IUS, 
in de Sylloge passim ; ook schreef hij iets over de bibliotheek en liet het drukken. In den inventaris van 
de handschriften der Ambrosiana, in de afdeeling: correspondentie van kardinaal Borrombo, zijn vele brieven 
van Putbanus aangeteekend. Eene uitgave van deze brieven is, naar de prefect der Ambrosiana mij daar 
onlangs mededeelde, door een Belgisch geleerde in uitzicht gesteld. De Dominicaan Philips Wannbicaker, 
Gentenaar, wendt het gebouw der Ambrosiana aan, bij wijze van zijscherm op het schouwtooneel van zijnen 

16» 



116 ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 

persoon of hunne reisbibliotheek in quarantaine houdt. Vóór den vrede van 
Munster ziet men niet gaarne Bataven in het gebied van Napels; zelfs een 
Heinsius moet van de Gevolmachtigden in Westfalen een paspoort vragen. De 
rijkdommen voor hun vak van studie in Italië opgeslagen overweldigen hen. 
Vroegere leermeesters en geleerde kennissen dragen bovendien, vriendelijk, tijd- 
roovende collationeeringen op. Vraag hoe het nog in onzen tijd met reizende 
klassiek-literatoren in Italië gaat, en bedenk wat het, in de eerste eeuwen van 
hun wetenschap, toen menige editio princeps jong was en de schrijnen der boeke- 



Triumphus literatoram (Mediolani apud haeredes Pacifici Pontii et Joan. Baptistim Piocalbum Impressores 
Archiep. MDCXI.) Voor tijd en plaats, en milieu van studie een welsprekend, zij het dan ook eenigsxins 
rhetorisch document. Het moet ons aangenaam aandoen, dat een Nederlander, wanneer hij in Italiaanscben 
stijl een „Trionfo" schrijft, zoo dadelijk en zoo vaak daarna gelegenheid krijgt namen van landgenooten in 
te lasschen. Hij noemt vooreerst sichzelf, en wel als leerling van Putbanus; heeft droomvisioenen van Rome 
en Perugia (LiPSias' vriend, Bovciari, wordt zelfs in een droom niet vergeten). In den eigenlijken triomfstoet 
vallen hem op: Johannes Schbpperus, Johannbs Cooohius van Kortrijk, zijn eigen stadgenoot Hibkonymus 
TiMMERMAVNUS, de Bruggenaar Audbiiarus db Grijzb, en bovendien Francisous Zwbbrtius. Dan is er 
„. ...theatrum etiam erectum, in quo cantabant cantantium turba" en wat hem prettig aandeed «ejus medium 
Pbtrus Karrb tenebat, Cortracensis, Musica et modestia insignis !" In een redevoering van den kardinaal 
wordt tot prins der letteren benoemd: Ertcius Putbanus. die op zijn beurt een speech houdt, waarin hij 
LiPSius in de hoogte steekt. Nog een woordje van Maxiiciliaan Vribndt en daar ontvlamt de strgd van 
Italianen en Nederlanders om den voorrang in het vak der oude letteren t 

Toen JusTUS Rtcqius in het voorjaar van i6is te Milaan en in de Ambrosiana kwam (hij onder- 
teekende een brief — Centuria nova pag. x8i — ^....Mediolani, ex-bibliotheca Borromea") was het tooneel 
leeg, Putbanus afgereisd; Wannbicakbr naar Bologna voor studie en Schbppbrus op het punt naar Spanje 
te vertrekken. Later vinden wij er o. a. Vossius (Sylloge, II pag 564.) en Pbtrus Paulus Bosscha, biblio- 
thecaris, van wien wij een werk over de Ambrosiana kennen. 

Voor de Laurenziana tal van berichten van studie van Nederlanders (Zie vooral Sylloge, II pag. 793.) 
Behalve Hbinsius, die er zich een tijd lang voor vestigde in Florence, Vossius (Sylloge, III pag. 67) en 
Gronoyius, die daar (Sylloge III 566.) een haastig bezoek bracht. 

^Nederlanders in de Vaticana" een studie op zich zelf ! Ik stip eenige namen aan ; Erasmus (zie Nolhao, 
Erasme en Italië, pag. 68* 61 noot i; 72); Schottius, die in zijn Itinerarium zegt (pag. 178.) van de 
Bibliotheca Vaticana: ^XiSTUS P. M. nostra memoria nuper mirifice auxit, omavit, illustravitque picturis (vgL 
hierbij wat ik in dit tijdschrift meedeelde over Arrigo Fiammingo en zijn aandeel daar als schilder) atque 
aedificio immenso....'' Schottius vraagt later, op een plaats in een brief, dien ik te gelegenertijd zal uit- 
geven naar aÜBchriften uit de Vaticana. Schottius was in de reisbibliotheek van Hooft, die de Vaticana 
bezocht (Reisheuchenis, Van Vlotbn II pag. 430.) 

„'t Palays van den Paus. 

„De Bibliotheca van SiXTO Quinto ende daerin particulierlyck de boecken, die de laeste Coninck 
Hbvrik de 8e van Engellant aen Lbonb Decimo sondt, met syn eige handt ondertekent; ende eenen 
Virgilius ende Terentius manuscripti, die seer out syn." 

Uit dezen Terentius teekende Theod. Galle het portret van den blijspeldichter voor zijne, reeds in 

de vorige studie genoemde Illustrium llmagines, No. 140 : „Terentius in antiquo libro Vaticanae Bibliothecae." 

JusTUS Rtcqius heeft eens een treffende lofrede op Rome, als centrum van studie en stad van 

bibliotheken, uitgesproken, in de voorrede bij de Orchestra van Laurus. In de Vaticana heeft hij, naar uitzone 

brieven en werken blijkt, vlijtig gestudeerd. 

Wij mogen ook niet vergeten, dat een landgenoot Hbnrious Gravius prefect der Vaticana geweest 
is (Miraeus Elogia pag. 59.) Tot besluit een getuigenis omtrent Heinsius van Allatius aan een Italiaansch 
collega, dat hij vindt: „Nella Vaticana quanto puo desiderare. .. .'» hetgeen zeker niet te veel gezegd is. 

Voor wetenschappelijke agenten en kopisten, in dienst van buiten Italië gevestigde geleerden het een 
en ander in ds brieven van du Peiresc (in de groote uitgave van de Docum. Hist. de France; Min. de 
l'instr. publ. I pag. 196—197; 205-293.) Langermannus collationeert voor Heinsius in de Vaticana (Syl- 
loge II pag. 744). 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN, 117 

rijen groote verrassingen bereidden, de studiereis eene inspannende bezigheid 
geweest moet zijn voor onze schriftgeleerden in Latijn en Grieksch. 

Wij weten van velen, die, doorvoed met klassieke schrijvers, van Mantua 
tot Posilippo reisden met VergUius, eenen TibuUus doorleefden in Umbri^ en 
Suetonius herdachten bij de standbeelden-verzameling op het KapitooL ^) Dat zij 
aan al de verblijdende en verheven gevoelens geen uitdrukking gegeven hebben 
in het een of andere reisverhaal of in brieven aan verwante zielen is te wijten 
aan een overmatigen zin voor tekst-kritisch werk ofte verklartn uit een bewustzijn 
van eigen onbekwaamheid andere dan der geleerdheid ontroeringen uit te drukken. 
De bloemen, die zij uit de rijke flora van Italië meebrachten, vormen, als wij 
ze zorgvuldig bijeenlezen, eenen kleinen ruiker, die het wijdsch herbarium der 
philologie mag opluisteren. 

Hadden zij dan tenminste maar een cahier voor losse aanteekeningen, als 
schilders hunne schetsboeken *), meegenomen, thuis uitgewerkt en als een reis- 
handboek uitgegeven. Hooft's Reisheuchenis komt ons van zelf in gedachten, 
een zeer onvolledig en eenzijdig register, ons dierbaar om hetgeen wij tusschen 
de regels doorlezen. Toch was het beter te maken geweest door nuchterziende 
menschen, op weg door Italië, zooals zij bij honderdtallen getrokken zijn den 
langen weg over Siena en Viterbo. 

Bij gebrek aan eigenlijke reisherinneringen in boekvorm, moeten wij ons 
wenden tot andere inlichtingen over het verblijf van onze geleerden in Italië. 
De eenigzins droge werken van MiRAEüS, Valeriüs Andreas, Foppens en 
Paquot*s folianten met den titel Mémoires, brengen de feiten en sparen dikwijls 
de moeite op andere woeste gronden van verzamelde kennis uit te gaan. Er is 
zelden veel te winnen, wanneer men de bronnen der lexica ter hand neemt. De 
deugden, de gaven, het werk moeten zoo uitbundig geprezen worden, dat het 
leven, het gewone bestaan van den man er bij weg valt. De reis naar Italië 
prijkt als een van de titels van lof en blijft de verplichte episode, zonder meer 



1) Ik verwijs tot nader order naar de gedichten van Nic. Hbinsius. De opdracht aan Cassiano del 
Pozzo bevat veel voor de Icennis van het leven en streven van Hbinsius te Rome ; naar de gedichtjes van 
JUSTUS RycqiüS, EpistoU selectarum centuria nova pag. 79 op Sant Onofrio (1610) het beroemde uitzichtspunt 
over Rome en een lievelingsmstplaats van Torquato Tasso, voor wien hij een graüschrift opstelt, en pag. 
134—126: op Napels en omstreken; pag. 151 — 152: op Posilippo, Sanazzaro herdacht. Verder terug naar 
Lakvihus Torrbntiüs, Poemata sacra (Antwerpen, Plantijn, 1594) tegenover pag. 323 een Ode met 
herinneringen aan de dichterlijke jaren van zijn jeugd in Rome. 

>) De laatste ontdekking van een Italiaansch schetsboek van een Nederlandsch schilder is van vrij 
jongen datum. In de Rassegna d'Arte van Juni 1906 deelt Fabriczy een vondst mede van een aantal schets- 
bladen in een portefeuille van het museum te Stuttgart, die blijkbaar bij elkaar hooren en naar de bijschriften 
van een Nederlandsch artiest zijn. De kenner Fabriozy stelt op grond van de bouwgeschiedenis van het 
speciaal onderwerp : architectonisch belangwekkende stadsgezichten, als termijnen de jaren 1568 en 1579. 



118 ITALIË EN DE NEDERLANDEK. 

over den invloed van de reis op de inzichten en denkwijze van den geleerden 
ontdekker van de streken van den Aeneas. De levensbeschrijvingen dragen niet 
dan bij uitzondering gegevens, die niet uit de brieven der geleerden bekend zijn, 
aan. Het doorwerken der lange rijen korte berichten is meer een onvermijdelijk 
kwaad ter wille van, dan een verstandelijk genoegen in verband met deze studie. 
Bij stukjes en beetjes krijgen wij voor bepaalde onderwerpen, bijvoorbeeld: 
studie en promotie van Nederlanders aan Italiaansche universiteiten, genoeg 
bijeen, dat het, zoolang wij niet aan de bronnen zelf: de archieven der Acade- 
mies putten, aan het eind loont, het werk verricht te hebben. Data, en niet 
meer waarde en bekoring, dan aan data eigen is. 

Hoeveel aantrekkelijker wordt de studie, zoodra wij van hier uit haar 
onderwerp gaan bezien. 

In plaats van, onder voorlichting van een compilator, de geleerden plotse- 
ling op een punt van een ver land te zien opduiken en weer verdwijnen tot het 
komt : van het professoraat, dat in het vaderland aangeboden wordt, het gelukkig 
huwelijk en de voorbeeldige zonen wachten wij hen hier af. 

Daar wij hen zien aankomen en weten waar zij moeten belanden, maken 
wij kwartier in Milaan en Bologna, in Pisa, Florence en Rome. 

De Italiaansche bronnen zijn, ook voor dit onderwerp, voor elk bepaald 
tijdstip, altijd ver vooruit op de boeken van hetzelfde soort in andere landen. 
Ik noem Vasari, die vijftig jaar v66r VAN Mander de levens der schilders 
schreef, als men ze bij ons een eeuw nk van Mander nog niet wist te maken. 
Eene vergelijking van Meursiüs' boek over Leiden^s hoogeschool met de werkjes 
over de Academie-wereld van Rome toont een verschil, waarvan wij hier al de 
voordeden genieten. Met de Orchestra van Giovambattista LaüRO, de Pino- 
catheca van Erithraeus (Janus Victorius Roscius); en de Apes Urbanae als 
bibliog^aphische legger, kan men zich een volkomen beeld maken van het ge- 
leerde Rome in de eerste helft van de XVIIdeeeuw. Dat wandelt van het Collegio 
Romano naar de Vaticana, verzamelt inschriften op weg in de Campagna, houdt 
eene redevoering y,zonder een enkele maal de letter R te gebruiken" (Rbandita), 
richt gespitste belangstelling telkens op nieuwe smakelijke onderwerpen. De 
anecdote wordt als een machtig stijlmiddel aangewend. Vasari had daarvoor 
in zijn Vite de modellen gegeven en in de volgende eeuwen was hij wèl bekend 
in Italië, waar men de kunstgeschiedenis niet als een specialiteit, doch als een 
gewoon studievak erkende en beoefende. Zijn voorbeeld vond in de eerste helft 
van de XVIIde eeuw navolging in de levensbeschrijvingen van geleerden. Deze 
auteurs droegen de kunst weer over aan Baldinucci en vooral aan Passeri, 
die op uitmuntende wijze de levens der schilders vertelde. Het gaat ongemerkt. 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 119 

het glijdt van de handen van de eene categorie van schrijvers in de goede 
zoi^en van de andere, met echt Italiaansche gemakkelijkheid. 

Ik ga hier eene uitweiding maken, welke ik voor het recht begrip noodig 
acht en in eene studie beter op hare plaats is, dan in eenig geregeld verhaal, 
dat later opgesteld zou kunnen worden. Om niet te ver te gaan — hoe verlei- 
delijk het onderwerp ook moge zijn — laat ik de anecdote, als zuiver Italiaansch 
versiersel van een behoorlijk boek buiten sprake. Voor een experiment in ver- 
gelijkende literatuurgeschiedenis kan een ieder zich eene anecdote van Vasari 

naast eene proeve van VAN Mander leggen I Hier komt het op aan: de 

Italiaan geeft de anecdote meestal als een bewijs van „refietto'', den indruk, dien 
zijn geleerde, schilder, staatsman op zijne omgeving maakte. De persoon bezien 
in het openbaar leven en getoetst aan uiterlijkheden, die zijn karakter verraden 
of verbergen. Zijn „portamento" (wijze van optreden), zijn gebaren, en de klank 
van zijn stem, zijn kleeren en zijn opschik, samengevoegd tot de persoon, die 
men van de avonden op de Piazza di Spagna — lees de waardige beschrijving 
van PoüSSIN's wandelingen bij Bellori — ; in het atelier — over Sal VATOR 
Rosa bij BaldinüCCI — ; in de osteria — Passeri over onze landgenooten — , 
of in de Academia voor oogen kreeg. 

De Italianen hechten vooral waarde aan het optreden. Wie gemakkelijke 
en innemende manieren in harmonie weet te brengen met een groote zelf bewust- 
heid en, zoodra het noodig blijkt, doortast, desnoods hard en koud voor z^n 
zaak opkomt, is vrij zeker van hunne bewondering. Een voor de hand liggend 
en duidelijk voorbeeld geeft de hoogere clerus, van prelaat tot paus, meer be- 
wonderd door de Italianen, naarmate zij in de openbaarheid met grooter glans 
en wilskracht optraden. De „grandezza" is daar nu nog bewaard in ceremonies 
en gebruiken, in schrijftrant en gebaren, een status quo ante, die ons, indien wij 
goed weten te zien, terug kan verplaatsen, wat wij zullen verlangen, naar het 
pontifikaat van Urbanus VUL Evenmin is het type van den letterlievenden 
prins der R. K. kerk uitgestorven. Naar voorbeelden van onze dagen is het 
mogelijk de belangwekkende figuur van den kardinaal Barberini, die Heinsius 
aan zijn tafel ontving, voor onze verbeelding te brengen. 

De plaats van een buitenlandsche geleerde in het Rome van de XVIIde 
eeuw, zijn roep in de studeerende wereld hier, stonden in onmiddelijk verband 
met zijne intuïtie voor de nieuwe omgeving. Indien hij, de Noord-Nederlander, 
het verschil in geloofsbelijdenis op zij wist te zetten en, zoover doenlijk, de 
stijfdeftige manieren van het Noorden aanpaste aan de Zuidelijke vrije en waar- 
dige gemakkelijkheid, kon hij staat maken op groote waardeering. Uitteraard 
waren de Zuid-Nederlanders in veel gunstiger omstandigheden, wanneer zij het 



120 ITAUÊ EN DE NEDERLANDEN. 

tooneel van de Romeinsche geestelijke wereld betraden. Van Rubens en van 
DiJCK verwondert het ons volstrekt niet, dat zij de algemeene erkenning van 
hun talenten wisten te verwerven. Eer verbazen wij ons dat de Curie zich deze 
kunstenaars liet ontslippen en hen niet met gouden ketenicn in Rome vasthield. 

Christina van Zweden in haar leven te Rome, bekeerlinge, die aan 
hare geestelijke vaders naar den trant der Romeinsche prinsessen te peinzen 
gaf, bekoord buitendien door aangename menschen van wetenschap en aantrekke- 
lijke onderwerpen van studie, geeft een openbaar voorbeeld, in de XYIIdeeeuw, 
voor de machtige bekoring, die menschen uit het Noorden in Rome omvat en 
vast houdt. Wij hebben altijd de gelegenheid in de geschiedenis van deze 
bizondere vrouw toelichting te vinden, indien het een en ander van dien tijd 
ons vreemd voorkomt. Tevens is het dienstig te bedenken, dat ISAAC Vossius 
en Heinsius, landgenooten, die in Italië opgevallen zijn, in de omgeving van 
Christina van Zweden geleefd hebben. 

Na deze uitweiding is geen andere noodig. Met nog een Ideine overwe- 
ging is het gemis aan levensbizonderheden over onze Nederlandsche geleerden 
in de Italiaansche bronnen, beter verklaard. Onze geleerden kwamen uit het land 
van, laten wij het zacht uitdrukken, overgroote nationale zelfgenoegzaamheid 
t^enover een geloof, dat zij hier breed gevestigd en algemeen erkend zouden 
vinden. Nu is het denk ik niet de afkeer van de Italiaansche geestelijken- 
biografen van personen, die zij als afvalligen moesten beschouwen, doch de 
terughoudendheid van de vreemde bezoekers van de bibliotheken der pausen en 
kardinalen, die hen buiten de aandacht van de schrijvers der courante nouvellen 
der geleerden-republiek van Rome hield. De voortdurende zelfbeperking maakte 
hen schichtig en schuchter, hetgeen zeker schaadde aan het frank optreden, dat 
den Italianen zou bevallen. Wellicht stonden zij ook beteuterd, wanneer zij een 
pausdom, dat het gezag der predikanten in het vaderland met een paarwoorden 
pleegde af te maken, in vollen glans voor zich zagen. Alleen de aanhankelijk- 
heid van Eminenties en eminenten der R. K. kerk aan hun lievelings-studie, de 
philologie betoond, moet hen reeds zachter gestemd, dan de kerkeraad thuis zou 
billijken en met henzelf in ongelegenheid gebracht hebben. Dit is de kleine 
omstandigheid, die meetelt ; en nu is nog niet eens gesproken van een afzonderlijke 
vrees voor Propaganda Fide 

Onopgemerkt zijn velen door Italië getrokken, die zich later op de reis 
zouden beroemen en de vruchten van hunne studie z66 rijp op de Europeesche 
markt brengen, dat na jaar en dag, ook de verbaasde Italianen voor het schoone 
ooft uit den eigen hof van de stille kweekers der philogie moesten spreken. Ze 
zijn dan aangekomen in roemruchtigheid der geleerden-lexica I 



1 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 121 

Er staat ons nog een rijke voorraad inlichtingen ten dienste, wel niet 
onmiddellijk voor den boekhandel bestemd, als de levensbeschrijvingen, doch 
spoedig genoeg gemeengoed geworden: de brieven. Het stuk van de Sylloge 
van BuRMANNUS met de correspondenties van Isaac Vossius en Nicolaas 
Heinsius bevat in menigte brieven op reis in Italië geschreven of gericht aan 
kennissen, die zij in Italië gemaakt hadden. De Hamburger geleerde HOLSTENIUS^), 
een aarts-bibliothecaris in Rome, de vertrouwens-man van den kardinaal Barberini 
voor zaken van boek- en bibliotheek-wezen, later prefect der Vaticana, heeft daar 
eene zeer voorname plaats. Hij deelde in zijnen tijd de lakens uit. Verschanst 
in boeken en bl&ren overzag hij de velden en burchten der philologie. Monte- 
cassino, Perugia, Siena en Pisa met wat zij bevatten van kerkvaders, geografen 
en Latijnsche schrijvers, zoowel als de monumenta van historie en literatuur in 
de standaard-bibliotheken der BORROMEl en der Medici, hij kende het alles en 
was voor de geleerden, die uit het buitenland kwamen een sta4g bureau voor 
inlichtingen. Zijne briefwisseling, de kopie-boeken van de epistels, die hij voor 
kardinaal BARBERINI schreef, liggen verspreid over twee afdeelingen vandeVati- 
kaansche bibliotheek: de Vaticana Latina en de Barberiniana. Zijne nalatenschap 
in brieven is voor de XVIIde eeuw, wat de correspondentie van FuLVlO Orsini 
en van kardinaal SiRLETO was voor de XVI eeuw, met dit onderscheid, dat 
de zestiende-eeuwers leefden in een meer bewogen tijd en dat de brieven van hun 
hand) zonder veel toevoegsel, dadelijk mooie boeken konden worden. De deftige 
en droge brieven van de kamergeleerden der zeventiende eeuw kunnen alleen 
vakmenschen, als coloratuur van Variae Lectiones, behagen. Er zit bij lange niet 
zoo veel achter deze bedaarde oefeningen van het verstand en van het geheugen. 
FuLVlO Orsini beteekent: het reglementeeren van de wetenschap der archaeologie; 
SiRLETüS een vaan op het bolwerk van een bedreigd geloof, daar LiNDANUS voor het 
vijandelijk vuur stond en Plantijn de grondvesten hielp sterken. De papieren winkel 
van HOLSTENIUS verveelt, het fonds van de brieven van twee zestiende-eeuwsche 
Hoogmogenden in oudheidkunde en geloof houdt den onderzoeker in voortdurende 
en zeer geschiedkundige spanning. Het „cinquecento" blijft echter fragmentarisch. 
Het eischt veel studie een beeld te ontwerpen van den tekstcritikus en penning- 



1) Behalve de bekende literatuur, als zijne brieren T. F. Boissonadb, Lucas Holsteni Epistolac ad 
diversos, Parisiis MDCCCXVII; njn grafschrift in de Germaansche nationale kerk de Santa Maria dell' 
Anima, medegedeeld door Fosoblla (Iscrizioni, Parte XVI pag. 486) en nader toegelicht door ScHiiiDTLnr 
in zijn onlangs verschenen Geschichte der Anima vond ik bizonderheden over zijn leven door hem zelf mede- 
gedeeld in een handschrift der Vaticana (Vat Lat 9066) en z^ne benoeming tot civis Romanus in het 
Kapitolijnsch archief (Decreti di Consegli, Magistrati Cittadini Romani; 9 Sept. 163 1). 

Voor den kring der geleerden om H0LSTBNIU8 : Lbon PBUssibr Les amis de HOLSTBNius (MéL Ec. de 
France 1886—1887.) 

Oud'Holland 1907. 16 



122 ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 

kundige Laevinus Torrentius^), die in betrekking tot Romeinsche geleerden, van 
eenen PAULUS VAN MIDDELBURG, bisschop van Fossombrone, die den eersten 
stoot gaf voor de invoering van de tijdrekening, nu bekend als de Gregoriaansche. 
(Ik haal met bedoeling twee voorbeelden uit zeer verschillende vakken van weten- 
schap aan.) Evenzoo is het op het gebied der kunstgeschiedenis gemakkelijker 
de bronnen uit de Nederlanden, die Baldinucci kende, aan te wijzen, dan uit 
Vasari de berichten van Lampsonius ') af te scheiden van hetgeen van Calcar 
hem verteld kan hebben. De veiligste weg door het veld van deze studie gaat 
terug van de zeventiende eeuw, welvoorzien van degelijke bronnen-literatuur, naar 
vroeger tijden, onder anderen ook om door analogie te gissen, waar de bronnen 
ontbreken: HEEMSKERK te benaderen naar Breenberch en Christophqrus 
LONGOLIUS naar JUSTUS RYCQIUS. 

De Sylloge bevat verscheidene namen, die op het spoor brengen van 
onuitgegeven brieven. Andere prefecten van de Barberiniana en de Vaticana 
lieten correspondenties na, welke rechtens, of naar eene begrijpelijke gewoonte 
door laatste wilsbeschikking, tot het corpus der bibliotheek, die zij bestuurd 
hadden, was gaan behooren. Bovendien werden toen afschriften van geleerde en 
puik-Latijnsche brieven gemaakt en met evenveel zorg, als de autografen bewaard. 
De namen Allatius, Annibale Albano zijn bakens in de duizenden titels van 
de afdeelingen der Vatikaansche bibliotheek. Ook van buiten Rome zijn goede 



1) Zijne bij Planttn in 1594 uitgegeven Poemata Sacra beratten o. a. een gedicht aan eenen paus Pius, dien 
bij waarschijnlijk TÓór het pontifikaat, vaak te Rome gezien had. Ifij herdenkt andere pausen en draagt aan hen 
dichtwerk op, o.a. Marobllus II, Pius IV, Grbgorius XIII; tusschenbeide verschijnen kardinalen als Sirletus, 
BoRROMBO en de „societas sanctissimi nominis Jesu." Hier een gedicht aan ,Gabriblem Fabrnum, Cremonen- 
sem vetttstis auctoribus corrigendis nobilem" Aan Octav. Panagathus, dien hij niet meer of minder dan 
„Italiae ingens gloria gentis" noemt, (in de Deliciae poet. Belg. Frankfort 1614) In deze bloemlezing is, behalve 
dit en nog een ander gedicht van v. D. Babokbv (op een reisgezel, die blijkbaar met hem in Italië geweest 
is) menig document van de Renaissance in de Nederlanden der zestiende eeuw te vinden. Alciatus, Jovius en 
Bembo tegenover Hercules met het Bacchuskind en de Knidische Venus. 

Een datum omtrent Labvinus Torrbntius in Jabnig Lib. Congrat. S. M. de Anima pag. 151. „Laevinus 
TORRENTius Gandavensis eocl. canonicus et Archidiaconus. Brabantiae in eed. Leodiensi eiusdemque eed. et 
Rad Episcopi Nuncius apud PiUM IV P. M.... ducatum aureum dono dedit 1560 Kalendis Maiis." 

S) Over Lampsonius o. a. by Beoker, Schriftquellen zur Geschichte der Niederlftndischen Malerei ; 
pag. 78. Van Italiaansche zijde eenige sprokkelingen in Archivio storico Italiano. Nuova Serie Tom. II. 
Parte I pag. 241 — 242 en Tom. XI. Parte I pag. 241 — 24a. 165. Ook in Alcuni documenti artistici non mai 
stampati. Firenze. Le Monnier. 1885. Het is eene ,nozze"-uitgave, opstellen, volgens een aardig Italiaanseh 
gebruik, door geletterde en geleerde vrienden geschreven en voor een vriend ter gelegenheid van zijn 
huwelijk samengebracht tot eenen weiverzorgden bundel. Gewoonlijk wordt slechts een zeer kldne oplaag 
gedrukt, dan blijven de exemplaren in handen van personen, die er een buitengewone waarde aan hechten 
en ze in het familiebezit houden. Historische Instituten en bibliotheken hebben sedert lang hun aandacht 
gevestigd op die boekjes en hebben een goed aantal in bezit gekregen. Het zou aanbeveling verdienen 
in dtaten altijd het bibliotheek-adres op te geven. Van deze «publicazione per nozze" is het bijvoorbedd 
Florence, Marucelliana Miscell. 648. (21.) 

Een oordeel over Lampsonius van Italië uit naar de Nederlanden gezonden, in den belangr^ken brief 
van Lambbrt Lombard bij Gayx« Carteggio III pag. 175. 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 123 

collecties brieven, die mede op onze landgenooten betrekking hebben, hier ge- 
komen. Ik signaleer even de brieven gericht aan den professor te Pisa, Paganino 
Gaudenzj, omdat zij een mooie aanvulling leveren in het Iter Italicum van 
NiCOLAAS HeinsiuSi vooral voor zijn onverdroten belangstelling in het oproer 
van Massaniello, dat hem anders uit zijn studie te Napels gejaagd had. 

Paganino Gaüdenzj^) stond in geregelde briefwisseling met Cassiano 
del Pozzo *)j dien wij uit den bundel Elegieën van Heinsius kennen. Om dezen 
Romeinschen geleerde en niet minder om de Italische elegien groepeert zich een 
aantrekkelijk stuk van het leven van een Nederlandsch geleerde in Italië. Hetgeen 
wij weten van het verkeer van HeinsiüS met Cassiano DEL Pozzo, en van de 
dankbaarheid ook aan anderen betoond, met het toezenden van exemplaren van 
den druk te Venetië van zijne Elegieën, toont ons den vertegenwoordiger der 
Nederlandsche wetenschap van eenen zeer sympathieken kant. Onwillekeurig 
komt ons, wanneer wij van zijne onderhandelingen met Venetiaansche uitgevers 
lezen, een ander beroemd landgenoot in de gedachten, die ook te Venetië een 
boek ter perse l^de, bestemd voor zijne vrienden, de philologen: Erasmus, die 
aan de zetters van AldüS Manutius de Adagia dicteert! 

Het keurig geconserveerd octaafje der gedrukte werken van de Barberiniana 
is zeker een van de boekgeschenken van HeinsiüS geweest. Wij vinden daar 
trouwens ook in handschrift lofdichten van dezen en eenen anderen Nederlandschen 
bewonderaar: Reyer Anslo. 

De brieven aan Cassiano del Pozzo liggen waarschijnlijk te Turijn; 
daaronder zal het een en ander van Nederlanders moeten zijn. De andere corres- 



1) Ik doe mijn voordeel met de volgende plaats bij Tisabosohi (Storia della I^tteratura Italiana VIII 
pag. 184 seqq.) «Paganino Gaudbnzj da Poschiavo nella Valtellina, Professore in Pisa dal 1637 fino al 1649, in 
cm fini e d'inseghare, e di vivere, h autore dl un grandissimo numero d'opereTeologiche,Filosofiche,Ginridiche 
Storiche Poetiche, Mediche, Oratorie, Antiquarie, della quali ei da il Catalogo, insieme colla vita del loro Autore 
il P. Nicsron. Ei potrebbe perciö ad ogni Capo di questa Storia venir rammentato; ma io credo, ch'appena 
egli meriti d*esser nominato in alcuno, perciocchö volendo egU abbracciare ogni cosa, niuna ne strinse, e fft 
Scrittore superficiale e leggiero." 

T1RABO8CHI h«%eft den man seker op djn plaats gezet Het is zijn specialiteit. Wij moeten hem echter 
genesteld in Pisa, ook beschouwen als een van die adressen, waar zijne landgenooten en collega's in het 
buitenland om inlichting en bemiddeling kwamen vragen. Als zoodanig komt hij telkens in de betrekkingen 
tusschen Italid en de Nederlanden voor. Daarbij zij vermeld, dat hij een groote belangstelling toonde voor onze 
vaderlandsche geschiedenis o. a. voor het werk van Faiciasub Strada en op vriendschappelijken voet stond 
met onzen Dietschen Romein Djrk Amsidbn. 

2) In LuMBROSO, Cassiano del Pozzo is een duidelijke tabel van de correspondentie van den geleerde, 
welke te Turijn moet liggen, met biographische aanwijzingen en ook zijne wetenschappelijke werkzaamheid in 
korte trekken geschetst. In een fragment, hier mede uitgegeven, is Cassiano del Pozzo zelf aan het woord. 
Hij staat in het volle Romeinsche leven en toont zich alom wereldwijs. Aan de bronnen en uit een reeks 
brieven bij Bottari, Lettere pittoriche wordt ook Blosmaert genoemd, die oude vazen uit de verzameling 
GiusTinANi in prent bracht. De naam GiusmiANi brengt op Ambidbn, die tot een markies uit het geslacht 
in nauwe betrekking stond. Het Maecenaat, de kunst, de hoogere journalistiek, de Italianen en de uitlanders, 
met een sterk contingent Nederlanders trefifen w^ hier ongedacht in een goede nabuurschap. 

16» 



124 ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 

pondenten van den Pisaanschen professor hebben het ook telkens over „Heinsio," 
en mettertijd hoop ik in de dossiers van Carlo Dati en andere Accademici te 
Florence, den aardigen kring, waar Salvator Rosa eens het kunstenaars-element 
in vertegenwoordigde, meer over hem te vinden. 

Bemoedigend is het voor ons, dat ten minste voor een van onze geleerden 
het materiaal voor de geschiedenis van zijne Italiaansche reis zoo volledig bij 
elkaar komt, dat het niets te wenschen overlaat Naar de uitwendige omstandig- 
heden en als zoon van zijnen vader leeren wij hem zeker goed kennen, uit de 
gedrukte verzamelingen en uit de groep handschriften der Urbinate. Indien eens 
een vakman der klassieke philologie eene afzonderlijke studie wil wijden aan de 
tekstkritische verdiensten van Heinsius en het profijt, dat hij van zijn Italiaansche 
reis trok, zal het naar mij door een specialiteit op het gebied van geleerden- 
brieven Dr. Molhuysen verzekerd werd, zeer loonen. Bij voorbaat moet de 
slotsom te trekken zijn, dat Heinsius aan meer bejaarde Italiaansche collega's 
lessen gaf, hoe de teksten te behandelen naar rationeele beginselen. Hij heeft 
hen dit evenwel met zoo groote kieschheid aan het verstand gebracht, dat het 
vakkennis moet eischen, steeds in den bescheiden man den koenen baanbreker 
en onder de schepsels voor anderen lof zijn licht te herkennen. 

Voor het milieu van wetenschap in Milaan, Florence, Rome en Napels, 
ook al zijn er geen vermeldingen van Nederlanders op studie-reizen in Italië, 
hebben wij te zoeken naar de brievenbundels van de plaatselijke beroemdheden. 
Bij dozijnen zijn titels vermeld van ^Epistolae, Literae", al dan niet ^iSelectae^' 
en naar de klassen van de geadresseerden of naar den inhoud ingedeeld. 

In Italië gaat de kunst minstens terug op OviDlUS. De auteurs vatten al 
vroeg in de middeleeuwen het schrijven van een brief weer als een kunst en de 
geleerden de epistolographie als een van de meest decoratieve proeven van 
wetenschap op. De „brieven'' zijn voor de geschiedenis van wetenschap en kunst 
een deugdelijk hulpmiddel of wij de depêches der Venetiaansche gezanten, de 
kattebelletjes van Vasari, de „document! d'amore" in de brieven van een 
Florentijnsche moeder, of de keurig gestelde naar breven zweemende brieven 
van een secretaris van eenen kardinaal nemen. Voor de groote verzamelingen, 
voor de herdrukken gaat het zonder moeite en brengt het ineens in het midden 
van het leven. Bezwaren doen zich eerst op, wanneer wij willen raadplegen de 
gedrukte brievenboeken van „dii minores." Ik heb op dat punt vele teleurstel- 
lingen ondervonden in Romeinsche bibliotheeken, waar ik dergelijke boekjes bij 
de hand dacht te vinden. Hoewel ik den moed niet opgeef, en hoop meer fortuinlijk 
te zijn in locale bibliotheken, durf ik niet eens te ramen, wat zij voor het 
onderwerp van deze studie, globaal genomen, zullen kunnen bevatten. 



ITAUÊ EN DE NEDERLANDEN- 126 

Al wachtende op de bijen, die ver buiten de korf der Barberini zwermden, 
loven wij buiten het hof van den gepurperden ijmker meer dan een ouden stok. 

De brieven van DE Peiresc, van de gebroeders Dupuy, van de uithuizigen, 
die zich gaarne tot de Apes Urbanae rekenden, werpen ons een helder licht op 
de studeerende wereld van de zeventiende eeuw, teekenen het type van den 
omnis homo in wetenschap, die met alle mannen van beteekenis in zijne dagen 
voeling houdt. De belichting is niet alleen klaar, als het verstand van Fransche 
geleerden, doch het heeft, indien niet eenen artistieken, toch eenen warmen toon, 
die het geheel gezellig maakt. Zij volgen daar te Parijs en in de provincie, wat 
er te Rome te doen is, met open oog. Zij laten zich leiden door 's lands inge- 
boren goeden smaak, zoowel in de keus van hunne correspondenten als van de 
onderwerpen, daar zij hunne bizondere belangstelling op richten. Een gewoonte 
die niet verloren is gegaan, brengt Fransche geleerden tot een kleine zelfbe- 
heersching in het vervelen van hun collega's met overbodig vertoon van kennis, 
en tot eenige inspanning, wanneer het er op aankomt de resultaten van onder- 
zoekingen mee te deelen. Wij leven nu met hen mee, vatten de diepere voldoe- 
ningen van hunne bewerkingen van oude teksten, volgen de lange jachten naar 
codices; bezien met welbehagen den olifant, die door de zeventiende eeuw waart, 
als het neushoorndier in DüRERS dagen, bekommeren ons om een doos met 
penningen, die met de galeien van Civitavecchia naar Marseille te lang uitblijft, 
beknibbelen op boekhandelaars-rekeningen, kijken over hun schouders naar de 
doozen met brieven — nu zouden het kranten en tijdschriften zijn — en ... « 
wie daar in hunne landen aan gene zijde van de Alpen is, ziet met hen uit, ver- 
langend in een verlangen, dat klassieker dan klassieke philologie is ... . naar Italië. 

Hier ben ik aan een van de bezwaarlijke punten in studie van de betrek- 
kingen tusschen Italië en de Nederlanden, van Italië uit ondernomen. Het is nog 
mogelijk te schatten den indruk, dien een brief van een geleerden naam, een 
teekening of een prent gemaakt nieten hebben, ontvangen, gelezen, vertoond, 
bewonderd waar zij aankwamen, besmoezeld door de vingers van ontelbare pos- 
tiljons en brievengaarders van buiten, van binnen als een g^ranaat-appel uit het 
Zuiden, vol pit van wijze zaken, of kristallen afrchijn van het Zuiderlicht. 
Maar het vraagt een hoofdstuk beschavings*geschiedenis en een stuk historie van 
de ontvankelijkheid der wetenschap- en kunst-lievende psyche in het vaderland, 
indien wij de g^oep, uit het studeervertrek en uit den schilders^inkel, recht 
willen zetten in de lijst van den tijd. Met de ruiterlijke verklaring dat ik mij 
vooreerst niet bekwaam acht de waterspiegels te bepalen, waar het nieuwe licht 
der Renaissance zijn weerschijn deed flikkeren, teeken ik eenige schreven op 
de peilschaal aan. 



12* ITAUË EN DE NEDERLANDEN. 

pondenten van den Pisaanschen professor hebben het ook telkens over „Heinsio," 
en mettertijd hoop ik in de dossiers van Carlo Dati en andere Accademici te 
Florence, den aardigen kring, waar Salvator Rosa eens bet kunstenaars-element 
in vertegenwoordigde, meer over hem te vinden. 

Bemoedigend is het voor ons, dat ten minste voor een van onze geleerden 
het materiaal voor de geschiedenis van zijne Italiaanscbe reis zoo volledig bij 
elkaar komt, dat het niets te wenschen overlaat. Naar de uitwendige omstandig- 
heden en als zoon van zijnen vader leeren wij hem zeker goed kennen, uit de 
gedrukte verzamelingen en uit de groep handschriften der Urbinate. Indien eens 
een vakman der klassieke philologie eene afzonderlijke studie wil wijden aan de 
tekstkritische verdiensten van Heinsius en het profijt, dat hij van zijn Italiaansche 
reis trok, zal het naar mij door een specialiteit op het gebied van geleerden- 
brieven Dr. MOLHUYSEN verzekerd werd, zeer loonen. Bij voorbaat moet de 
slotsom te trekken zijn, dat Heinsius aan meer bejaarde Italiaansche collega's 
lessen gaf, hoe de teksten te behandelen naar rationeele beginselen. Hij heeft 
hen dit evenwel met zoo groote kieschheid aan het verstand gebracht, dat het 
vakkennis moet cischen, steeds in den bescheiden man den koenen baanbreker 
en onder de schepsels voor anderen lof zijn licht te herkennen. 

Voor het milieu van wetenschap in Milaan, Florence, Kome en Napels, 
ook al zijn er geen vermeldingen van Nederlanders op studie-reizen in Italië, 
hebben wij te zoeken naar de brievenbundels van de phiatselijke beroemdheden. 
Bij dozijnen zijn titels vermeld van „Epistolae, Literae", al dan niet „Selectae" 
en naar de klassen van de geadresseerden of naar den inhoud ingedeeld. 

In Italië gaat de kunst minstens terug op OviDiUS. De auteurs vatten al 
vroeg in de middeleeuwen het schrijven van een brief weer als een kunst en de 
geleerden de epistolographie als een van de meest decoratieve proeven van 
wetenschap op. De „brieven" zijn voor de geschiedenis van wetenschap en kunst 
een deugdelijk hulpmiddel of wij de depêches der Vcnetiaansche gezanten, de 
kattebelletjes van VaSARI, de „documenti d'amore" in de brieven van een 
Florentijosche moeder, of de keurig gestelde naar breven zweemende brieven 
van een secretaris van eenen kardïnai' 
voor de herdrukken gaat het zonder m< 
van het leven. Bezwaren doen ztch eei 
gedrukte brievenboeken van „dü minon 
lingen ondervonden in Romeinsche bibi 
de band dacht te vinden. Hoewel ik dei 
te zijn in locale bibliotheken, durf ik 
onderwerp van deze studie, globaal gene 



Al wacitendc op de b,j„, di, „ „, 

loven «tij buiten het hof van den „„ ° * korf der B;.,!, ■ . 

De bneven v„ D. ft, *", ^^f ^"JMer u.JZtTT"^"- 
die »cli ganrae tot de Aces UA. e»l»oeder, Di;p,,v "*° «»k- 

de «udee^ende .e,.,d ^rdy^e!;::,:''"*». - J^;:; r'"-'^", 
on,™ homo in „«enschap, die „Trtet """' ""«"^ tt ^^ll' """ ''■' 
voelinj houdt. De beliehting i, „, " „ ' """"" «n beleefceni, ,• ^"^^ "" ''"■ 
geleerden, doch het heeft, indlél nfe f "° ""'' "' <«' 'mUnd '";' ''''^" 
die het geheel gezellig maak, z,° ,"°'° «»«*«, toeh !1„ '"" '^""«k» 
er .e Ro„e te doen il „.e „p^'Z^" *"• " -"^ eM„T "^"""'»»". 
boren goeden -aak, •.ooJeirdeTé.t'T *"'"°" d: r,a?'. ~' 
onderwerpen, daar zij b„„„ biJderj^" '""^ """PO'd^te^ 11' '°'^'- 
die „iet verloren ia gegaan, bren« L T'''''''"^ ■"'■ "*." &n ° ''' 

heersching in het vervelen vL, CTJ T'^ «"'«"'" tot e": !f ^''"'°°"" 
en tot eenige inspann,-.,, Tnnt kTef^^^-^^^ ««"n «'"''^ 
zoelangen „ee ,e deelen. Wij ,.,.„ „' 1 """'-' <" '"„,.„„ '™ ^';;". 

:r.rzi:::« t::*r ;- r -^"rr:- r--"- 

doere. „e. brieven _ „„ Z^^"'"" °- *«« -ho. I' nTf' 
wie daar in hnnne landen aan g^^M. ^^° " "J*'»'" "^t ° " * 
kmgend in een verlangen, dat ku " J' ! ™ ''' •*'('"■ ''. «et n,„ . *" ' ' ' " 
Hier ben ik aan :.'lTrt'' '° """'" '"•'^"^- >^ . t'"" 
«^n ..ehen Itali. en de Idl^^r:^"; -'" '" -■> ^^^^k' 
■negel* te .chatten den iadrok dien - J. "" °"'''"««>- Het Ï? 
^e^^or een prent .^.^- :;^Ji,^ Z"" ^""^^^ ^ 
bnronderf .aar zij aankwamen, be^oezelnZ! ƒ "^"' ^«•". vertii,^ 
*" " -.nevengaa-.er, van bniter^b*:',* ^°"" ™ '^""^^ 
Z-de. v.1 p,t van wijz. ,,ken. „f ^u ° % ,"" P»""»t.appel „•,'^« 
1^ te vraagt eo, hoofdstnk b-J....,-.?*""'. ^'^'J" ™ het Zuiderlicht 



°" " «" «"k biMoHe van 
1« Wche in het vaderland 
■ den schikler.vinkel, recht 
'hjke verklaring dat ik nrij 
•l™, waar bet nieuwe licht 
ten ik eenige schreven op 



126 ITAUÉ EN DE NEDERLANDEN, 

Bisschoppen ad limina, kruisvaarders, bedevaartgangers, monniken naar de 
Italiaansche kloosters van hun orde gezonden, zangers in de pauselijke schola 
cantorum, allen dienaren en dienstbaren, vereerders en gewerden van den H. Stoel. 
Vaganten, die aan Fra Salimbene liederen van golianten brachten, bohémiens in 
een wild verlangen naar nieuwe zwerftochten van het leven, naar het Zuiden 
verdwaald tot zij hun jeugdelijk vuur uitbluschten in een schelmen-roman in de 
schaduw van een pijnboom, in het halfduister van een Venetiaansche badstoo^ 
als ze geen landsknecht werden in Urbino of de piek schuurden in gezelschap 
van een condottiere. 

De vromen, die gebeden prevelend kwamen langs de heilige steden tot de 
graven der apostelen en de catacomben der martelaren, van de eerste Friezen 
in Rome, tot Rogier van der Weiden en Jan Scorel. En de zwervers, van 
de volksverhuizing tot het Sacco di Roma, de wandalen van landen of van hun 
eigen leven. Twee breede menschen-stroomen, die altijd over de Alpen zich 
hebben neergespreid over Italië, uit het Noorden. Wie terug kwam, behouden 
van den langen tocht vol gevaren, bracht zijne teleurstellingen en zijn geestdrift, 
altijd in het hart heimwee naar het heerlijke land en in de oogen de reflexen 
van de eeuwige schoonheid, die het licht in de eigen gouw vervaalde. Het moest 
een positief man zijn, erg vast in zijn schoenen, als DiRK POTTER, om langs 
den Tiber het plan te maken voor een boek als der Minnen Loep, toen men daar 
den Decamerone las. Toch is ook hier het visioen van de inspireerende vrouw, 
aan den Tiber, als later en beter voor HoOFT aan den Arno. 

Zij die zonder ontroering terug konden komen van Italië, zonder nieuwe 
indrukken voor het leven en den drang naar een meer intens en mooier bestaan, 
ongevoeligen en louter didacten vallen buiten het verband^ dat Italië met onze 
landen bindt en buiten onze belangstelling. Wij twijfelen ook aan de middel- 
eeuwsche pelgrims, of zij veel brachten van Renaissance. Bij devoten gaat alle 
nieuwe brandstof voor het geestesleven allicht in wierookwolken op. Hun ont- 
goocheling in het Rome van Alexander VI konden zij nog bedwingen met 
boetedoeningen en vrome wenschen voor de Moederkerk. Later zou de klemming 
onweerstaanbaar worden. Plagend als Erasmus, striemend als Marnix of blakend 
van een onwrikbare overtuiging als een Canisius berichtten allen van het Rome 
dat en zooals zij het zagen. Dan wordt Rome strijdleus. Op Rome wordt alle 
hoop en blaam als groote inzetten in een reuzen-gelukspel geplaatst. De Voor- 
zienigheid zal de kansen uitdeelen ! Een Bijenkorf of de Rots van Petrus. De 
Heilige Stoel of het Sant* Ufiizio, een Dies Irae of een Te Deum? Maar altijd 
Rome, of het zich voor de verbeelding der Noorderlingen breidt in den marmeren 
metropolis van Augustus, dan wel den driekroon lichtend opsteekt, als een baak 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 127 

voor verdoolde volkeren. De machtige suggestie van den naam blijft en bevangt 
ook de tegenstanders. Arminius kwam naar den Urbs Urbium, eer hij zich aan 
den spits stelde van een eigen gens togata. ^ 

Het Concilie van Trente richtte zeker de aandacht in het Noorden met 
groote spanning naar Rome. Elkeen kon weten, dat Rome de operatie-basis 
was van den vooruitgeschoven post en dat de beschreven vaderen hunne uitspra- 
ken staafden met teksten uit het groot arsenaal der Vatikaansche bibliotheek. 
Het gezag van de overoude codices der kerkvaders overblufte. Toen de kardi- 
nalen, die van Rome uit de leiding hadden, de uitwerking zagen van hunne 
zendbrieven, gedocumenteerd met bijlagen uit de eerwaardigste cimelien der 
Vaticana, riepen zij eene schaar van gewijde philologen voor de uitgave van de 
zuivere en der verbeterde teksten, uit den ganschen Orbis catholicus, op. 

Wanneer wij ook aannemen dat voor de getrouwen van het oude geloof 
in de Nederlanden de liefde voor Rome hoofdzakelijk in het stichtelijke en 
leerstellige bleef, dat nog meer middeleeuwen dan Renaissance bevatte, moeten wij 
toch dadelijk uit de menigte der rechtzinnigen de groep afscheiden van hen, die 
in uit breeder overtuiging en met grooter begqjpen de verhandelingen van het 
Concilie van Trente volgden en aan den roepstem van de torenwachters van den 
geloofsburcht gehoor gaven. 

Leuven, in de gunst van den Nederlandschen paus, steeds weiaangeschreven 
bij het Sant' UfHzio en bij de Congregatie van den Index door de gansche 
zestiende eeuw, moet het middelpunt geweest zijn, waar zich de katholieke weer- 
baarheid van die Nederlanden verzamelde, waar het nieuwste uit Rome, het 
wachtwoord, de oproep aankwam. Leuven zond theologen naar Trente; door 
bemiddeling van dezen zullen de Nederlandsche philologen, wel in patria naar 
Rome ontboden tot het werk der groote uitgaven van den Bijbel van de kerk- 
vaders en van andere godgeleerde en canonieke bronnen aangeworven zijn. Later 
trachtte LindanüS in een pleitrede voor GregoriüS XIII al die krachten te 
Rome, onder de muren van het Vatikaan, en daarbinnen te concentreeren. *) Al 
is het bij een schema gebleven, toont dit stuk toch ten eerste den prelaat zelf 
als een voortreffelijk organisator, dan de beweging van eene Roomsch-Neder- 
landsche apologeet in volle werking. Afschriften van het stuk en uitwendige getui- 
genissen uit dien tijd geven bovendien bewijzen te over, dat zijn plan, indien geen 
uitvoering, toch hooge waardeering vond in de Curie en haar naaste omgeving. 

Het plan van LiNDANUS heeft nog al de merkteekenen van den militanten 
tijd. Van Rome heeft hij zeker zijn denkbeelden, gestaafd met de voorbeelden 
van prinsen der kerk, die haar Annalen schrijven of uit in de oude handschriften 

1) Zie Verslag van onderzoekingen naar Archivalia in Italië door prof. P. J. Blok, pag. 48. 



128 ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 

grondteksten trachten uit te puren, naar de katholieke geleerde wereld van het 
vaderland teruggebracht. Om den persoon van den bisschop van Antwerpen — 
wij raden dit, al hebben wij de bewijzen nog niet bij elkaar — bleef het een 
uitzien naar Italië, een onafgebroken werkdadigheid van de drukpersen, van de 
geleerden en van de reislustige jongeren, want hij hield in stand het nieuw 
vertrouwen, dat over Trente van Rome kwam. Menigeen legde in gedachte 
dien weg af, terug naar de stad van de Zeven Heuvels. Mocht het hem niet 
inderdaad gebeuren, dan zou hij Italië in zijn hart dragen, een van de velen, 
die het van verre kenden en die weer anderen zouden opvoeden in een verlangen, 
dat eindelijk bevredigd worden kon. 

In den tijd, dat het gezag weer hecht gegrondvest was en herwonnen wat 
herwonnen kon worden, verliest het werk der geestelijken-letterlievenden veel van 
zijne belangwekkendheid. Met allen eerbied voor monnikenwerk op g^roote schaal — 
als verzamelingen van levens van heiligen, als de Annalen van verschillende 
orden en levensbeschrijvingen van opmerkelijke orde-broeders — begroeten wij 
eenen eenzamen pater die de boekerijen doorsnuffelt en, om toch vooral volledig 
werk te leveren, in Italië terecht komt, zonder groote warmte. Evenmin treft het 
ons bizonder wanneer een landgenoot op een Romeinsch seminarie de lier tokkelt 
om er een lofdicht op een Urbanus VIII bij te zingen. Er zijn zoo veel meer 
verblijdende onderwerpen dan geduld-in-wetenschap en tamheid-in-dichtmaat, al 
werden deze geoefend en betracht door Nederlanders in Italië I 

Tegenover de kerk met hare bestrijders en verdedigers, allen strijdend om 
een stuk cultuurgeschiedenis dat goeddeels in Italië lag, is in eene zwakkere 
tegenstelling de heidensche voortijd met zijne bewonderaars te plaatsen, een tijd 
die geheel Italië behoorde en eene bewondering, die in den nieuwen, pakkenden 
stijl in Italië begon en zich van hier uitbreidde naar het Noorden. De geschie- 
denis geeft meer houvast voor betrekkingen van de philologie, dan bijvoorbeeld 
wat de schoone kunsten aanbelangt. 

De verbinding van Noord en Zuid kon gemaakt worden door boeken, die 
gemakkelijker en veiliger den weg over de Alpen gingen, dan dat Brugge en 
Florence over zee de paneelen van hun portretschilders inwisselden. De boek- 
drukkunst was door Duitschers naar Italië gebracht, door Duitschers het eerst — 
in het Benedictijner-klooster van Subiaco — uitgeoefend. Zij zullen later de 
boekenmarkten van Augsburg en Ulm voorzien hebben van de Venetiaansche 
incunabelen, die in duidelijken vorm de openbaring van de oude teksten der 
Italiaansche bibliotheken brachten. Erasmus ging niet zonder bedoeling, na 
zijne promotie te Turijn, regelrecht op Venetië aan. In het eerste begin van 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 129 

de zestiende eeuw had Venetië al Europeesche vermaardheid, omdat het de klas- 
sieke schrijvers in het medaljon van keurige drukken gevat had. ErasüiuS moet 
er een eer in gesteld hebben met dezelfde letter van zijn werken te laten zetten. 

Een aardig voorbeeld van een Nederlander die geheel op avontuur naar 
Italië ging en daar wel terecht kwam levert ons een zekere CORNBLIUS de Fine, 
wiens handschriften in de Vaticaansche bibliotheek bewaard liggen. Ontsnapt 
aan de tucht van zijne leermeesters te Leuven, den Rijn op, zich vereenigd met 
een paar Duitsche jonge borsten, den langen weg in over Trente naar Italië. Zij 
houden zich op in Bologna dat eenen paus feestelijk inhaalt en komen nog juist 
voor Paschen in Rome aan. Onze Bergen-op-2k>omer kreeg den goeden inval 
opteekening te maken van de gebeurtenissen in en om Rome, feiten uit de 
wereldgeschiedenis als het overlijden van Rafael kon hij boekstaven. Wij moeten 
tot in de XVIIde eeuw gaan om een ander Nederlandsch kroniekschrijver van 
Rome: DiRK Ameiden, aan te treffen. Dit handschrift was echter, voor zoover 
blijkt, bestemd voor Italië en is in de Nederlanden niet bekend geworden. 

De kennis bij ons te lande van Italië is zeker op meer geregelden weg 
gekomen. Ik stip aan: de Leidsche uitgave van de Mirabilia ^), van 15 20; de 
verspreide berichten in boeken als Geldenhauer's Collectanea, de vertaling van 
Serlius door COECK van Aelst *), een prent als Coornhert's hof van het 
huis ^de Zasse"*). Vasari vertelt ergens*) dat men in de Nederlanden verlangde 
naar eene verhandeling over de schoone kunsten van zijne hand hetgeen ongeveer 
verwezenlijkt zou worden door van Mander. Tusschen Vasari en van Mander 
neemt HuB. GOLTZIUS eene voorname plaats in. Zijn werk kon aan ieder 
archeoloog duidelijk maken, dat een reis naar Italië voor de rechte beoefening 
van zijn vak van studie onvermijdelijk was. 



>) SCHMARSOW geeft in de Voorrede van zijne smaakvolle uitgave van : Francisoi Albbrtini Oposculum 
de Mirabilibus Novae Urbis Romae, Heilbronn 1886 op pag. XII— XIII eene beschrijTing van dese Leidsche 
editie. Over de illustratie, o. a.: ,Sie (die Ausgabe) muss in verbindung mit römischen Freunden hergesteUt 
sein ; deun sie ist mit einigen Holzschnitten ausgestattet, die auf Italienischer Zeichnung beruhen." (volgt de 
beschryving. . .) uNiederltodischen Wesen aber entspricht die Ansgiessung des bj. Geistes über Kaiser^ 
Cardinkle, Bischöfe u. a. Würdentr&ger am Schluss (fol 57b) unter welcher das Papstwappen Lso's X (in 
besonderem Holzschnitt) gedruckt ist.*' 

9) Over dese vertaling bij Greye, De bronnen van Carel van Man des 1903. Pag, 109—1 zo. 

8) De prent van de collezione Sassi met Coornherts naam voluit - waarschijnlijk naa^ een Italiaansch 
▼oorbeeld dat Heemskerk hem gebracht sou kunnen hebben — bevindt dch in het Amsterdamsch Prenten- 
kabinet. Lanciani zegt in zijne Storia dei Scavi di Roma, 1909 I pag 177: „ il documento pul rimar- 

chevole intonio questa raccolta è l'incisione senza date nè nome d'autore, che si trova generalmente inserita 
nella raccolta Lafrerj..." en weidt nog over het geval uit. 

*) In het kapittel de Diversi Artefici, na een stuk uit eenen brief van Lampsonius van 1564 October 
30 : „Questa lettera contiene oltre dó molti altri particolari, che non fanno a proposito. In altre poi mi ha 
pregato a nome di molti galantuomini di quei paesi, i quali hanno inteso che queste vite si ristampano, che 
io d fiaccia tre trattati della scultura, pittura ed architettura, con disegni di figure, per dichiarare secondo 
l'occasioni ed insegnare Ie cose dell' arti..." 

Oud-Holland 1907. 17 



180 ITALIË £N DE NEDERLANDEN. 

Met VAN Mander in volle-bezigheid zijn wij midden in den stroom der 
Italiaansche invloeden. In de beeldende kunsten zou het kort na het verschijnen 
van het Schilderboeck tot eenen stilstand komen. Het jaar dat de kunsttheore<p 
en kunsthistorische geschriften van V. Mander uitkwamen stemt zeker niet 
overeen met het hoog^tepunt van het Italianiseeren. Bij het gebruiken van zijne, 
V. Mander's, getuigenissen is het altijd wel te bedenken dat zijn Schilderboeck 
meer een terugblik is van een man, die zich houdt aan eene richting, die hem 
geholpen had, dan het credo van het geslacht, hetwelk op zijn tijd zou volgen. 
Zijne jyWtleggingen'' moeten aan geleerden uit de school van LIPSIUS al zeer 
onbeholpen voorgekomen zijn, hoogstens een vademecum voor decoratie- 
schilders. De historie-schilders die het nauw namen met de geschiedschrijving 
op het paneel, als Otto van Veen, klopten al voor van Mander bij geleerde 
heeren als LIPSIUS en van Winghen om voorlichting aan. ^) 

Het zou ons spijten, waar wij handelen over betrekkingen tusschen 
Italië en de Nederlanden, van Mander ongenoemd te laten. Toch zal het, 
wat de geleerden betreft, alleen in het voorbijgaan dienen te gebeuren. De 
verdiensten van het boekdeel, dat onder den algemeenen naam Schilderboeck 
kort wordt aangeduid, liggen op een ander terrein. De geleerden konden er 
buiten, omdat de Renaissance der beeldende kunsten hun vreemd bleef^ terwijl 
de Oudheid al hun aandacht in beslag hield. Voor hen had Vasari best onver- 
taald kunnen blijven en was niet eens de verkorte overzetting der ,,Yite'' door 
VAN Mander noodig geweest. 

Indien men tegenover het werk van den amateur — ook in den hoogeren 
zin van iemand die niet alleen liefhebbert maar ook een onderwerp, dat hij niet 
volgens al de regels van de kunst kan behandelen, liefde toedraagt — VAN Mander, 
de studies van eenen JuSTUS LIPSIUS zet, blijkt het toch al te zeer amateurs- 
werk te zijn wat de schilder van Meulenbeke levert. In de brieven van Lipsius 
treft eene verzorging van de details, eene spitsvondigheid en belezenheid voor 
de Romeinsche antiquiteiten, een ongelooflijke lexicalische kennis over de gansche 
oudheid. De geleerden uit zijn school waren doorkneed in de klassieke^Grieksche 
en Latijnsche schrijvers, en vatten zeker de uitweidingen van eenen VAN Mander 
als volksuitgave bij hun vak op, wanneer zij ooit zich verwaardigden het Schil- 
derboek ter hand te nemen. 

Nog eenige lustra en Caspar Barlaeus zou in zijn studeervertrek de be- 
schrijving van Italië maken, die dan ook flink naar de lamp riekt 

1) JusTi Lipsii Epistolarum selectarum centaria prima. Antverpiae CID IDCXIV pag. 8. Brief Tan 
J. Lipsius uit Luik aan Phil. Winghbn te Rome. XVII KaL Jun. CID IDXCII: „Vbnius qnaedam ad te 
scribet, opinor, de quibus hic ambigimtis, ant certe formam ez veteribus monumeatis velimus, ut de Jngo 
Corruli, et siqoid aliud tanget inquire et not juva." 



ITALIË EN DE NEDERLANDEN. 131 

PlETER CORNELISZOON HoOFT moest zich nog behelpen met het Itine- 
rarium van Schottius. Hij was werkelijk niet slecht af. SCHOTTIUS heeft zelf 
gezien wat hij voor anderen ging beschrijven. Tusschen zijne gestadige pt^ngen 
om deftig te blijven, voelt de lezer eene werkelijke bewondering trillen. Dat 
ontbreekt aan de Italia Illustrata, niet aan reislustigen, doch aan Dt^e en 
de Senaat opgedragen. 

Na hier verschillende punten aangewezen te hebben, van algemeen belang 
voor het onderwerp, meen ik dit opstel te kunnen besluiten met de belofte van 
een volgend, dat een overzicht zal geven van de geleerden uit de Nederianden, 
in betrekking tot Italifi, hier en daar. Op deze wijze kan ik getrouw blijven aan 
den samenvattenden titel : Studies, en geleidelijk den stof bijeenbrengen voor het 
zoo wtjdsche onderwerp : Italië en de Nederlanden. 
Rome. 



SCHILDEÏUJEN IN 1651 VOOR KARL GUSTAV GRAF VON WRANGEL 
TE 's GRAVENHAGE AANGEKOCHT. 



MEDEGEDEELD DOOR 
OLAF GRANBERG. 



HAGH, den 3 Julij, 1651. 

ECHNUNG von hier angekauften und Ubergesandten Schildereyen für 
Sne. Hoch Grafl. Gnade und Excellns. Hochwohlgcbne. Herrn Feld- 
marschall Wramgel, General Gouverneur ia Pomeren. 

Ein principal von J, Danckerts mU einigen nackten 

Figuren 

Ein principal von Terbukch mit einigen Reitern darauf 
Zwei principalen von einem f urnehml. Meister Namehs^TEEVij/etie 

und magere Kllche 

Ein von VAN DuiJNEN mit rweien Kühen darauf 

Neck ein vom erwOhnien Steen, wo der Winter ist dargestelU . 
Noch von demselben VAN STEEN Die Gesckichte der Hagar . . 
Ein principal von eintm van BeIJERT mit einer Bataille auf 

einer Brücke 

Ein von einem Meijer mii einem grossen Wein Romer darauf . 

Eine Kopie von Jordan 

Zwei principalen von WlLLEM VAN DiEST mit einer Seescktacht 

und einer Seefakrt 

Die Unkosten auf der Versteigerung . . . , 

Noch an ihn der sie ankaufte und es bestellte 

FUr die Kasten worein sie gepackt wurden nebst Einpackung und 

Zieher-Geld hier im Hagh 

For verschiedenen Unkosten in Amsterdam, wie beïfolgendc Rech- 

nung erw3hnt , 

Summa. . . 410 8 
Also von den 200 Dahlern behaltet. . . 89 12 
Summarum. . , 500 — 
H. APPELBOOM. 



M. SWEERTS. - PORTRET VAN DEN SCHILDER. 
Verzameling Thomar, Boston. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

Proeve van een Biografie en een Catalogus van zijn schilderijen. 



DOOR 



D'. W. MARTIN. 



ASS Sie sich iüT Cavalier SWARTS gar nicht interessiren 
wollen, bedaure ' ich sehr. Icli möchte sehr geroe klager über 
ïhn werden als ich bin," 

Aldus . gcbreef BayersdORFER den 28 November 1882 
" aan Sgheibler en hij liet er op volgen, dat hij, door een puur 

toeval, voor een geheel ander doel bij Krahm het artikel Swart nalezend, daar 
gevonden had, dat een steeds aan Gerard TER BORCH toegeschreven interieur 
in de Pinakothek te München in 1783 te Amsterdam verkocht was als „Cavalier 
Swartz." „Das ware also ein neuer und bedeutender Meister, dessen sich wohl 
Dr. Bode annehmen könnte. Die TrUmmer seines Oeuvre werden' sich wohl zu- 
sammen finden." 

BAYERSDORFER had juist gezien : de schilderij was geen TER BoRCH, maar 

een werk van MiCHiEL SwEERTS, ïn de achttiende eeuw gewoonlijk Cavalier 

SwARTS genoemd. Dat hij SwEERTS heette en . identiek was met den etser 

MicHlEL SWEERTS, waarover Baversdorfer ook bij Kramu reeds veel had 

Oud'Holland 1907. 18 



134 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

kunnen vinden, wist deze toen nog niet *). Maar sinds dat oogenblik werd door 
alle kenners van onze oude kunst op de schilderij van dien raadsdachtigen 
Cavalier SwARTS gelet en al ras kwam men tot de overtuiging, dat ook de kaart- 
spelers der verzameling Harrach te Weenen van zijn hand moesten zijn. Een 
ySwEERTS'' gemerkt portret in de Academie te St Petersburg bleek van dezelfde 
hand te zijn en zoo wist men, dat Cavalier Swarts en MiCHAEL Sweerts eques 
dezelfde persoon waren. 

In den Londenschen kunsthandel dook toen een voluit gemerkt genre- 
stukje van den meester op, dat zeer de aandacht trok en kort daarop in de 
collectie Hoogendijk kwam. Naar aanleiding daarvan wees Hofstede de Groot 
erop *), dat ook het Museum te Haarlem, onder den naam van Berckheyde, 
een werk van SwEERTS bezat. Bredius vond eentge jaren later in Moskou twee 
SWEERTSEN, die thans in het Rijksmuseum zijn. Kort daarop wandelend in Old 
Bondstreet te Londen, zag ik een voluit gemerkt en gedateerd schilderij van 
den meester, een beeldhouwerswerkplaats, bij een kunsthandelaar vóór de ramen 
liggen en eenige weken later dook in diezelfde stad een Sweerts op, die voor 
het Mauritshuis werd aangekocht, 

Deze aankoop deed mij steeds meer aandacht wijden aan dien opmer- 
kelijken meester, die, blijkens archivalia van Bredius^ behalve portretten en 
genrestukken ook kerkelijke tafereelen en zelfs dieren en bloemen moest hebben 
geschilderd. Waar al die schilderijen zijn, wist ik toen niet, en in veel opzichten 
ben ik tot heden, na zes jaren zoekens, niet veel wijzer geworden. Maar 
het dunkt mij onnut, nóg langer te wachten met het publiceeren van hetgeen ik 
thans bijeen heb. Immers, misschien vestigt deze publicatie nog meer de aan- 
dacht op dien merkwaardigen Hollandschen LE Nain en brengen anderen dan 
nog werken aan den dag van de soort der alleen uit inventarissen bekende 
stukken, met „een Spaanse rave", een Caketoef', „een blompotje", waardoor wij 
kanten van Sweerts' oeuvre zouden leeren kennen, waarvan tot heden alle sporen 
schijnen te zijn uitgewischt. Ook de biografie van Sweerts eischt nog heel wat 
aan\mlling. 

Al is dus in zeker opzicht niet zooveel aan den dag gekomen, als ik ge- 



1) SwBKKTS' etsen sQn beschreven bij Bartsch IV 418 vl^rg^ en bij Wbigbl SnppL 394. Virdtrt 
UUraitmr wtr SwBBRTS: Bartsch, die Kupfentichsammlung der Wiener Hof bibüothek, S. 936. — Repertorium 
f. Kunstwissenscfaaft IV 258, XX 253. Oud-HoUand XIX 137 Tigg. Naglbr op Swbbrts en de daar ge- 
noemde literatonr. Immbrzbbl op Swbbrts. Kramm op Swart en Swebrts. Bbrtolotti, Artisti Beigi ed 
Olandesi a Roma, Firetse x88o, p. 184. Ned. Spectator 1893 No. 3 en 1899 bl<* S^* Fbimmbl, Blfttter f. 
Gemfildeknnde Okt. X904, bis. Z07. Maokowskt, Pault n. Wbigand, Adolph Batbrsdorpbr's Leben nnd 
Sehriften; Mflnchen, Bruokmann, 1903 bL 435—436. Verder de Catalogi der mnsea, waar sich schilderijen 
Tan Swbbrts bevinden. 

t) Ned. Spectator» 2893. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER, 185 

hoopt had, toch heb ik het geluk gehad, verscheiden schilderijen van SwEERTS 
te vinden, of liever aan hem terug te kunnen geven, die zes jaar geleden nog onder 
valschen naam gingen of in den grooten vergaarbak der yiOnbekende meesters'' 
waren ondergebracht. Die werken zal ik in het volgende opsommen en daaraan 
laten voorafgaan een karakteristiek van Sweerts' ontwikkeling als schilder be- 
nevens een poging tot reconstructie van zijn biografie. ^). 

I. SWEERTS' LEVEN. 

De naam van den meester, die zich op zijn voluit gemerkte schilderijen 
steeds noemt MiCHAEL Sweerts, — op zijn etsen met de bijvoeging EqueS — 
en wiens HoUandsche naam dus luiden moet: MiCHlEL SwEERTS, is op allerlei 
wijzen verbasterd en komt in oude inventarissen, verkoopingen, catalogi enz. in 
de meest zonderlinge vormen voor. Nu eens heet hij Sweerts, dan weer Sw arts, 
SwART, Zwarts, Suars, Swartz of Schwarz, en het daaraan voorafgaande 
^Cavalier*' of ytChevalier'' is in zijn afkorting C of Ch zelfs meer dan eens aan- 
leiding geweest om zijn werk te doen verwarren met dat van den zestiend' 
eeuwschen Duitschen schilder Christoffel Schwartz. 

Door deze verwarringen werd het zoeken naar gegevens omtrent Sweerts' 
leven niet gemakkelijker. 

Hoogstwaarschijnlijk was Sweerts Amsterdammer van geboorte en behoorde 
hij tot een der families van dien naam, die in de zeventiende eeuw in die stad 
woonden. Zijn voornaam doet zelfs vermoeden, dat hij een lid was der koopmans- 
familie Sweerts aldaar, waarin die voornaam voorkomt.*) 

De tijd, waarin SwEERTS leefde, blijkt duidelijk uit zijn schilderijen, die 
geheel den stempel dragen van werk uit de tweede helft der zeventiende eeuw 
en, te oordeelen naar de kleeding, ongeveer tusschen 1650 en 1675 ontstaan 
zijn. Vaststaande jaren uit SwEERTS* leven zijn slechts de dateeringen 1652 en 
1656 op zijn schilderijen en het jaar van de verschijning van een serie zijner 
etsen,*) eveneens 1656. 

1) Den Heeren Dr. A. Bredius, Dr. C. Hofstsdb db Groot, E W. MoBS en Jhr. B. W. F, tab Ribmsdijk 
ben ik tot dank verplicht voor het afstaan van aanteekeningen en het geven van aanwijdngen omtrent de verblijf- 
plaatsen van enkele schilderijen. 

S) Een koopman Michibl Swbbbts komt voor in acten van notaris J. Wabnabkts te Amstenlam 
in 1636, i6a8, 1632. In z6a8 verklaart hij 24 jaar oud te xijn, in 1632 woont hQ te Kopenhagen. (Aant. 
Bbedius.) Deze gegevens, door Frimmbl in cijn catogns van Pommersfelden (1894) vermeld, slaan dus niet op 
den schilder. — Het „Chevalier" wijst minstens op een patridsche familie en het is niet onmogel^k, dat onze 
schilder behoorde tot het thans nog bestaande geslacht Swbbrts db Landas. Hiervan bleek mij echter 
nergens iets. Ik wijs verder op den vice-admiraal Isaaok Swbbrts, op den Amsterdamschen boekverkooper 
HiBROMGUMS Swbbrts en op den ,|EHeere Miohibl Swarts, Lujtenant Comel", die den aS Maart 1641 
bij notaris Cobsabrt te Haarlem een acte onderteekent met M. Swbbbts (aant. Brbdius). 

8) „Diversae Fades in nsum luvenum et Aliorum Delineata per Michablbm Swbbrts Equit. Piet. 
etc. Bmxella Anno 1656." 

18* 



ISe MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

Wanneer men nochtans een poging wil wagen, om het jaar zijner geboorte 
althans bij gissing vast te stellen, kan men dit doen op grond van zijn leeftijd 
op zijn zelfportretten. 

Op verscheiden van Sweerts' etsen en schilderijen n.L komt een jonge 
man voor, die naar alle waarschijnlijkheid de schilder zelf is. Bartsch en Nagler 
reeds zagen in dit type MiCHlEL SwEERTS zelf, slechts Weigel hield het op 
één der etsen ^) voor Gerard Terborch. Dat hij zich hierin vergist heeft, blijkt 
onmiddellijk bij vergelijking met Terborch's eigen portret. Immers juist deze 
ets, waarop het bovenbedoelde type is afgebeeld als schilder in een Italiaansch 
landschap, versterkt ons in de meening, dat wij hier het portret van Sweerts, 
die zooveel in Italië werkte, vóór ons hebben. 

Sweerts maakt op deze ets den indruk van iemand van vijf-en-dertig- k 
veertig-jarigen leeftijd. Nu heeft hij bovendien een schilderij gemaakt van gelijke 
compositie, dat in Maart 1902 te Londen verkocht werd en zich thans bij den 
Heer Thomar te Boston bevindt. Dit schilderij vertoont geheel dezelfde schilder- 
wijze als zijn meeste andere portretten, o.a. dat in de Academie van Beeldende 
Kunsten te St. Petersburg, dat 1656 gedateerd is. Evenals laatsgenoemd portret 
maakt ook het Bostonsche een sterk VAN DER HELST-achtigen indruk. Het ligt 
dus voor de hand, aan te nemen, dat het Bostonsch zehportret, dat den schilder 
op 35 ^ 40-jarigen leeftijd voorstelt, omstreeks 1656 is ontstaan^ zoodat Sweerts^ 
geboortejaar dan ongeveer tusschen 161 5 en 1620 zou vallen. Doch — ik herhaal 
het — dit blijft slechts een gissing. 

Iets vaster zijn de grondslagen, waarop SwEERTS' levensloop zich laat 
reconstrueeren. Het eerste spoor van zijn werkzaamheid meen ik te vinden in 
opschrift van een gedicht van Matthys VAN DE Merwede, Heer van Clootwijck, 
luidende : Op mijn Schilderij van HANS Hendrik Schoonveld, Hoog-Duitsch 
Edelm^ ende Schilder :. . . . gemaekt in V lest van Octob : 1648. Nadat ik driemael 
in Holland^ ende eens te Romen, van Swart heel slecht was getroffen** *) 

Wanneer met dezen Swart Michiel Sweerts bedoeld is, dan blijkt hieruit, 
dat hij, na reeds in Holland de schilderkunst te hebben beoefend, reeds vóór 
het jaar 1648 te Rome verblijf hield. 

Dat Sweerts lang in Italië moet geweest zijn, blijkt uit tal van zijn 
schilderijen. Twee daarvan dragen bovendien behalve de handteekening het 



1) Baktsch No. 3. 

1) Ujrt-heemsen Oorlog ofte Roomse Min-triomten, bU. 184. VgL XVIII 99 en Kramm op Swart. 
Het is echter ook mogemk, dat hier een schilder Swart bedoeld is, b.v. «Arent Swart, constschilder/' die 
Yoorkomt in een acte van Not. HxMinMCK te Amsterdam, van zo Oct 1676. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 187 

opschrift „Romae 1652," zoodat er geen twijfel kan bestaan aan Sweerts' 
verblijf te Rome. Bovendien vinden wij hem daar vermeld onder de leden der 
Congregazione di S. Luca in de tweede helft der zeventiende eeuw.*) 

Niet lang na 1652 schijnt SWEERTS naar de Nederlanden te zijn terug« 
gekeerd. Niet alleen wijst hierop het te Brussel verschijnen zijner geëtste serie 
^Diversae Facies in usum Juvenum et Aliorum"'), in 1656, maar bovendien doet 
de van der Helst-achtige opzet van het reeds boven vermelde 1656 gedateerde 
mansportret in de Academie van Beeldende Kunsten te St. Petersburg een terug- 
keer naar Holland, speciaal Amsterdam, vermoeden. Op een terugkeer naar 
Amsterdam wijst verder SwEERTS' portret van JOHANNES Lingelbach, ^Apud 
Amstelodamenses Pictor", mij alleen bekend door de zwartekunstprent van 
B. Vaillant.») 

Eindelijk pleit nog voor SwEERTS' terugkeer naar Amsterdam het feit|dat 
van zijn in de zeventiende eeuw vermelde schilderijen de meeste in Amsterdamsche 
boedels voorkomen en evenzoo de in de achttiende eeuw op veilingen vermelde. 

Alle verdere aanduidingen omtrent SwEERTS' leven ontbreken vooralsnog. 
Maar na het boven opgesomde geloof ik niet, dat het hl te gewaagd is, om, 
wanneer men tevens rekening houdt met SWEERTS' door en door HoUandsche 
schildertechniek, tot de conclusie te komen, dat hij, waarschijnlijk te Amsterdam 
geboren omstreeks 161 5 — 1620, na zijn leertijd in Holland op de gebruikelijke 
wijze (omstreeks 1647?) naar Italié is getrokken en daar, voornamelijk te Rome, 
heeft gewerkt tot in of na het jaar 1652, waarna hij vermoedelijk vóór of in 1656 
naar Amsterdam is teruggekeerd. 

In het volgende hoop ik aan te toonen, dat hij na dien terugkeer in 
Amsterdam in hoofdzaak als portretschilder werkzaam is geweest, terwijl in zijn 
Italiaansche periode het genreschilderen zijn voornaamste werkzaamheid was. 

II. SWEERTS' SCHILDERIJEN. 

De schilderijen, die als uitgangspimt moeten dienen voor het determineeren 
der werken van Sweerts, vervallen in drie groepen. 

A. In de eerste plaats de drie stukken, die voluit met den naam van 



1) Bertolotti t. a. p. Gedurende welke jaren Swbekts lid was der Congregazione, biykt niet. 

9) Zie den volledigen titel boven blz. 135, noot 3. 

8) Titel : Johannbs Lingblbach. Apnd Amstelodamenses Pictor. Sohwartz Eques Pinx. B. Vaillant 
fee et Exc. (Nr. 29 van de lijst hierachter.) — B. Vaillavt maakte zwarteknostprentjes (een mater dolorora 
en een Christus), die veel overeenkomst vertoonen met de manier van Swkerts* Ook graveerde hij het portret 
van den vice-admiraal ISAAC Swberts. Wijst dit op relaties van Michibl met Vaillant en zou de vice* 
admiraal tot de familie van onzen schilder behoord hebben? Ziehier allerlei vragen, waarbij men nog kan 
wijzen op mogelijke relaties van Michibl Swbbrts met de fiunilie Bbbrbstbtn, die zooveel schilderijen 
van hem bezat. 



188 MICHIEL SWEERS ALS SCHILDER. 

den schilder gemerkt zijn, nl. : de Damspelende Pages der verzameling HOOGENDIJK, 
gemerkt: „Michael Sweerts fecit an" 1652 Roma"; vervolgens de Schilders- 
werkplaats, die de beteekening „MiCHAEL SWEERTS fecit Romae 1652" draagt, 
en eindelijk het Mansportret in de Academie van Beeldende Kunsten te St. Pe- 
tersburg, dat gemerkt is: „A. D. 1656... Michael Sweerts Fc.*' 

B. In de tweede plaats kunnen als uitgangspunt dienen die schilderijen, 
die door etsen van SwEERTS als zijn eigen werk bekend zijn, nl. het zelfportret 
in de verzameling Thomar te Boston en de Vader met zijn Zoon in de collectie 
van Graaf SCHöNBORN op het kasteel Pommersfelden bij Bamberg in Beieren. 

C. In de derde plaats zijn er een viertal werken, die om andere redenen 
aan Sweerts kunnen worden toegeschreven, nj. het portret van Jeronimus 
Deütz, in het bezit van DOUAIR* van Reenen te Bergen, dat reeds in 1692 
als ^Cavaillier Swarts" vermeld wordt; het Werk van Barmhartigheid te 
Pommersfelden, dat waarschijnlijk identiek is met een der ^Zeven Werken 
van Barmhartigheid/' in 1692 in een inventaris vermeld en dat bovendien te 
Pommersfelden nog in 1719 den naam droeg van „Cheval. SCHWARZ." En eindelijk 
het Interieur te München, dat in 1783 nog „Cav. Swartz" heette. Deze drie 
werken kunnen dus — gegeven hun stilistische overeenkomst met die der eerste 
twee groepen — bij de reconstructie van SwEERTS' oeuvre eveneens als uitgangs- 
punten dienen. Daarbij kan men nog voegen het portret van een Heer en zijn 
Knecht in de verzameling de Bordes te Velp, dat gemerkt is met hetzelfde uit 
M en S bestaande monogram, waarmede SwEERTS sommige zijner etsen merkte, 
en dat zich ook technisch bij de bovengenoemde werken aansluit. 

Deze negen schilderijen zijn derhalve zonder den minsten twijfel als 
authentieke werken van MiCHlEL SwEERTS aan te merken. 

Bestudeert men de bovengenoemde stukken nauwkeurig, dan merkt men reeds 
spoedig op, dat zij, In weerwil van zeer veel overeenkomst, ook enkele technische 
en stilistische verschillen vertoonen. Op een enkel na, de kleurige Pages^ zijn ze 
alle naar grijs gestemd, liefst met donkere achtergronden of althans een fond, 
waartegen de figuren zich sterk afteekenen. Er is weinig ruimte om de figuren, 
weinig ronding, maar een sterk streven naar scherpe omlijning. Er is nergens 
veel actie, nergens werkelijke levendigheid. In de portretten is iets stils, vaak 
iets peinzends dat naar het droefgeestige zweemt. In de figuurstukken is door- 
gaans de aandacht gelijkelijk verdeeld over de figuren en het met zorg bewerkte, 
sterk op den voorgrond tredende stilleven. 

Opmerkelijk is het zeer weinig voorkomen van groen. Het blauw is meest 
grijzig, het rood bijna steeds naar den bruinen kant. 



MICHIEL SWEERS ALS SCHILDER. 189 

Bij nadere vergelijking ontwaart men, naast die gemeenschappelijke eigenschappeni 
enkele verschillen. Zoo heeft de Schilderswerkplaats in den kunsthandel te Londen, 
evenals de schilderij met de Pages een sterk op enkele punten geconcentreerd 
licht, en een oranje-achtige gelaats kleur, die iets aan BEGA doet denken. 

Het Interieur te München en de twee schilderijen te Pommersfelden ver- 
toonen een lichtrooden vleeschtint en missen elk streven naar concentratie van 
licht. Daarentegen vertoonen zij in de kleuren zeer veel overeenkomst met de 
eerste g^oep. De portretten eindelijk te St. Petersburg, Boston en Velp hebben 
met deze laatste groep weliswaar gemeen de lichtroode gelaatskleur, maar vertoonen 
veel minder verscheidenheid van kleur dan de twee genoemde groepen : slechts 
grijs treedt er op den voorgrond, en een rood, dat sterker is dan in de andere 
stukken en meer aan Metsu doet denken (vooral op het stukje te Velp). 

Naar analogie van de negen aldus in drie groepen te splitsen schilderijen 
zijn gemakkelijk de volgende stukken als werken van SWEERTS te herkennen: 

lo. Bij de Pages en de Londensche Schilderswerkplaats, beide trouwens 
gedateerd uit hetzelfde jaar 1652, sluiten zich technisch volkomen aan : i<> het 
Interieur in het Museo Civico te Milaan, waarop geheel dezelfde kleurverdeeling 
en dezelfde concentratie van licht is als op de Schilderswerkplaats, en bovendien 
dezelfde gelaatskleur, dezelfde scherpe kontoeren en dezelfde typen in de figuren. 

Dit is ook het geval met de beide schilderijen in het Rijksmuseum te 
Amsterdam, waarop niet alleen dezelfde typen voorkomen en — in de Schilders- 
werkplaats — dezelfde pleisterbeelden, maar waar ook de gelaatskleur, het licht, de 
kontoeren en de. andere kleuren overeenstemmen. Eindelijk zijn — schoon meer 
uitsluitend in grijs en bruin gehouden — op dezelfde wijze geschilderd de ,,Siesta'^ 
die het Mauritshuis bezit, de Beeldhouwer te Hermannstadt en het portret 
te Bergen. 

20. Tot de groep van het Interieur te München en de beide Pommers- 
feldensche stukken is in de eerste plaats te brengen de schilderij met de kaart- 
spelers in de verzameling Harrach te Weenen, welk stuk reeds sedert verscheiden 
jaren in den München'schen catalogus technisch op één lijn met het Münchensche 
gesteld wordt. De karakteristieke lichtroode gelaatskleur, de voorliefde voor 
lichtrood in de kleeding, en andere kleine trekken, die de Harrach'sche 
schilderij vertoont, vinden wij op de Pommersfelden'sche stukken terug, al zijn 
die dan ook — vooral het Werk van Barmhartigheid — compositioneel geheel 
verschillend. Geheel in den trant der stukken te München en bij Harrach is 
verder de Teekenschool in het Museum te Haarlem, die reeds in 1893 door 
Hofstede de Groot aan Sweerts is toegeschreven. 

30. Het valt niet moeilijk, om, naar analogie van drie der bovengenoemde 



140 inCHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

portretten (te St. Petersburg, Boston en Velp), nog een viertal andere schil- 
derijen met één borstbeeld of halffiguur aan Sweerts te geven, nL een aan 
DüJARDiN toegeschreven portret bij den Heer Humphrey Ward te Londen, 
twee kinderkopjes, als j^onbekend" tentoongesteld in het Museum te Stuttgart 
(nrs. 299 en 300) eneen vrouw, die ongedierte zoekt, door Graaf VOnHoensbroech 
als y,onbekend'* ingezonden op de tentoonstelling te Dusseldorp in 1904. Al 
deze schilderijen vertoonen den eigenaardigen lichtrooden vleeschtint, die het 
Bostonsche en andere portretten kenmerkt. De twee stukken te Stuttgart en 
dat van Graaf VAN Hoensbroech behooren hoogstwaarschijnlijk tot een serie 
van vijf zinnen, en verbeelden den Smaak, het Gehoor en het Gevoel. De twee 
overige, het Gezicht en de Reuk, zjjn tot heden niet bekend. 

Ik heb de volgorde der drie groepen, waarin men deze twintig schilderijen 
m. i. moet splitsen, expresselijk zóó gekozen, omdat het mij voorkomt, dat ze 
zoo chronologisch juist is. Immers de eerste groep bevat twee gedateerde schil- 
derijen van 1652 (de Pages en de Schilderswerkplaats), de laatste een van 1656, 
(St. Petersburg, Mansportret), terwijl de middelste in haar eigenschappen van licht 
en kleur juist tusschen die twee invalt. Immers, de meeste schilderijen der tweede 
groep vertoonen de vleeschkleur van de derde en de meerdere bontheid — als 
men dat bij Sweerts zoo noemen mag — van sommige stukken der eerste groep. 
Het lig^ dus voor de hand, aan te nemen, dat de periode van ontstaan ') dezer 
stukken valt tusschen. die der beide andere groepen. Opmerkelijk is evenwel de 
sterke overeenkomst, die enkele werken der derde gfroep, vooral het Jongenskopje 
(de Smaak) te Stuttgart, vertoonen met enkele der tweede, b.v. de Teekenschool te 
Haarlem. Op menig punt staat dan ook groep 2 dichter bij groep 3 dan bij 
groep I, zoodat in ieder geval groep 2 als onmiddellijk aan groep 3 voorafgaande 
moet worden beschouwd. 

Het is te hopen, dat gedateerde schilderijen eenmaal de juiste verhouding 
dier stukken mogen aantoonen. Zoolang dit evenwel nog niet het geval is, meen 
ik wel te mogen aannemen, dat de aangegeven volgorde der groepen als de meest 
waarschijnlijke moet worden beschouwd. 



1) Hofstede de Groot — die schreef, toen er nog minder schiljderijen van Sweerts bekend waren — 
onderscheidt (O. H. XIX) twee groepen, zonder te spreken over een verschil in tijd van ontstaan, nl. 1^ de 
Pages, het Interieur te Milaan en de Siësta (allen door mij onder groep z gebracht); ao het Interieur 
te München, de Teekenschool te Haarlem, Vader en Zoon te Pomraersfelden en het Interieur hV) Harrach 
(alle door mij onder groep a gebracht). Hetzelfde onderscheid dus, als het door mij gemaakte, waarbij ik 
echter nog een afzonderlijke groep portretten voeg. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 141 

III. SWEERTS ALS SCHILDER. 

Bij de beoordeeling van SwEERTS als schilder moeten wij vooropstellen, 
dat zij slechts gebaseerd kan zijn op het kleine deel zijner werkzaamheid, dat 
wij boven opsomden. Ruim twintig schilderijen kennen wij nog slechts van 
heoL Maar wij weten tevens, dat nog minstens evenveel schilderstukken van 
zijn hand hebben bestaan, die in oude verzamelingen worden vermeld. En wan- 
neer wij de lijst van die werken (hierachter opgenomen) overzien, dan blijkt, dat 
SWEERTS' schildertalent zich ook heeft geuit in richtingen, die wij geheel nog 
niet kennen. Wel kunnen wij ons de daar genoemde portretten voorstellen, en 
ook weten wij wel, hoe een ^pleysterstuk", als onder n^. 37 genoemd, er moet 
hebben uitgezien, en desnoods ook kunnen wij ons een voorstelling maken van het 
schilderij met een vrouwtje, dat een meisje kamt, dat eenmaal, als zooveel stukken 
van SWEERTs, tot de verzameling der familie Deutz behoorde. Maar, ^een Per- 
siaen", ^de Geboorte", ^Joseph Maria" etc, j^een Indische rave", „een cacketoet", 
yieen blompotje'', ziedaar werken van den meester, die geheel en al vallen buiten 
hetgeen wij van hem kennen. Als bloem-, noch als dierschilder kennen wij hem, 
en wat kerkelijke stukken, als de Geboorte van Christus, Josef en Maria betreft, 
kunnen wij slechts gissingen maken naar analogie van zijn Beweening Christi, die 
hij naar zijn eigen, thans verloren schilderij etste (Bi.) en van de Mater Amabilis 
en den Jcsus Admirabilis, die Troyen graveerde naar SwEERTS' eveneens thans 
verloren geschilderde composities. Of die groot of klein waren, of ze caravaggesk 
van licht waren, is niet na te gaan. Alleen is een algemeene invloed van den toen- 
maligen Italiaanschen smaak te bespeuren. 

Wat verder betreft de ^Zeven werken van Barmhartigheid", die in 1692 
worden vermeld, deze schijnen te zijn geschilderd in den trant van het „Werk van 
Barmhartigheid'*, dat op het kasteel Pommersfelden wordt bewaard. 

Onder de ruim twintig schilderijen van SWEERTS, die wij kennen, schijnt er 
geen enkel te zijn ontstaan in de jaren vóór zijn vertrek uit Holland. Immers 
van al zijn genrestukjes is er geen zonder Italiaansche reminescenties (b.v. kijkjes 
in een Italiaansch landschap) en onder zijn portretten ken ik er geen, waarvan 
de kleeding valt in den tijd waarin wij mogen onderstellen, dat hij discipel in 
Holland was. 

Want dat hij in Holland eerst leerde^ bewijst zijn volmaakt Hollandsche 

penseelbehandeling, reeds in de vroegst gedateerde werken (1652), waarvan er 

trouwens een (de Pages) onmiddellijke verwantschap vertoont aan de Duck-Codde- 

Duyster-richting. 

Onze kennis van zijn ^oeuvre" begint met de groep schilderijen, die omstreeks 
Oud-Holland 1907. 19 



142 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

1652 zijn ontstaan, dus in Rome. Zij vertoonen Italiaansche doorkijkjes en ook 
enkele Italiaansche volkstypen, b.v. de straatjongens op een der Amsterdamsche 
stukken en de ateliersknechts enz. op eenige andere schilderijen. SWEERTS toont 
zich in al deze schilderijen reeds een kunstenaar, die technisch volkomen ^klaar" 
is, die sterk genoeg is tevens om niet al te veel onder den invloed der Italiaansche 
kunst te geraken. Op HoUandsche wijze ontleent hij zijn onderwerpen aan zijn 
onmiddellijke omgeving en bij voorliefde schildert hij het leven van de jonge kun- 
stenaars in Kome. Hij beeldt ze af tijdens en na het werk, in het atelier of in de 
herberg. Evenwel geeft hij nooit ruwe of platte voorstellingen en vermijdt hij 
voorzichtig hetgeen een Jan Steen met voorliefde zou hebben gegeven. Geestig 
zijn ligt dan ook ver buiten Sweerts' sfeer. 

Zijn wijze van uitbeelden is TERBORCH-achtig deftig, kalm en voorzichtig. 
Nauwkeurig overweegt hij zijn compositie en toont zich daarbij vooral een meester . 
in het groepeeren van stillevens, b.v. een hoop pleisterkoppen en torso's, een 
hoopje beeldhouwerswerktuigen en dergelijke. Sterke actie weet hij niet te geven. 
Vooral bij de vechtpartij, in 't Rijksmuseum, blijkt dit : zijn acties zijn daar nog 
niet meer dan academische standen. Deze moeilijkheid ontwijkt hij meestal, want 
in zijn meeste genrestukken, ook van iets later, geeft hij liefst juist een korte 
pauze tusschen bewegingen weer, b.v. het even hokken van het kaartspel (op de 
schilderij bij Harrach), het even staan kijken naar een torso; het oogenblik tusschen 
het geven van een boodschap en het vertrekken van den boodschapper (Mun- 
chen) enz. 

Van zijn beide composities van 1652 — onze uitgangspunten voor dezen 
eersten tijd, waarin hij reeds lid der Congregazione di S. Luca schijnt te zijn ge- 
weest — is er een, de Pages, vrij bont van kleur, in dat opzicht herinnerend aan 
de richting van DuCK, Codde enz. en misschien wel een laatste verwerking in 
Italië van onvermengde HoUandsche herinneringen. Want reeds het tweede stuk 
van dat jaar, de Schilderswerkplaats, vertoont coloristisch een andere eigenschap 
van SwEERTS, die voor zijn verdere Italiaansche werk karakteristiek blijft: zijn 
voorliefde voor grijs en voor het naar grijs stemmen van de overige kleuren van 
zijn palet. Daar komt nog bij het caravaggeske licht, dat in verscheiden van 
zijn werken van ±1652 heerscht. 

Deze beide eigenschappen heeft SWEERTS gemeen met de Fransche schilders 
Le Nain. De vraag rijst nu, of hij onder hnn invloed heeft gestaan. Mogelijk 
is dit zeer zeker en men zou dan een verblijf van hem te Parijs moeten aanne- 
men, voordat hij in Italië kwam, omstreeks 1648. Dit zou ook enkele andere 
eigenaardigheden van Sweerts kunnen verklaren, die hij met de LE Nain*s gemeen 
heeft, b.v. zijn voorliefde voor het kleeden van zijn figuren in jassen met een 



J 



MCHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 148 

enkele rij van zeer dicht opeen gezette knoopen, een liefhebberij, die voor de 
LE Nain's al even karakteristiek is als voor Sweerts. 

Met zekerheid is echter niets hieromtrent vast te stellen. De overeenkomst 
kan toevallig zijn en haar oorzaak vinden in gelijkheid van persoonlijken smaak 
op bepaalde punten. Stellig kunnen wij echter aannemen, dat SWEERTS — indien 
bij het werk de LE Nain's niet heeft gekend — den invloed der richting van de 
Caravaggisten een dergelyke wijze onderging als de LE Nain's, speciaal LouiS 
LE Nain, bijgenaamd y^le Romain.^' 

Hetgeen de LE Nain's als Franschen aan die richting ontleenden, verwerkte 
Sweerts als Hollander. Door zijn persoonlijken aanleg werd hij — zoover wij 
kunnen nagaan — geen HONTHORST. Integendeel : zijn TERBORGH-achtig gedistin- 
geerde aard deed hem het intieme van de HoUandsche kunst behouden en zoo 
werd hij geen academicus, maar bleef hij zijn kracht zoeken in kabinetstukken, 
welke hij echter meer dan eens in Caravaggesk ^kelderlicht" deed verschijnen. 

Het sterk concentreeren van het licht schijnt mij toe, bij SwEERTS uit 
geen anderen invloed voort te komen. Het stamt zelfs vrij direct at van Cara- 
VAGGlO's kunst, hetgeen vergelijking b.v. met diens Madonna van den Rozenkrans 
(Weenen) en Dood van Maria (Louvre) duidelijk toont 

Deze invloed is echter, gelijk gezegd, in andere opzichten niet merkbaar 
en in vele van Sweerts' andere genrestukken ontbreekt hij zoo goed als geheel, 
wèl een bewijs, hoe zelfstandige hij bleef tegenover den anderen smaak, dien hij 
te Rome vond. 

Indirecte invloed van PlETER VAN Laer duikt ook even op, hier en daar, 
en het schijnt wel, dat SwEERTS ook werken der Venetiaansche school, als het 
„Artistensouper'* van GioVANNi DA San Giovanni (Uffizi) en de Boetvaardige 
Magdalena van Carlo Saraceni (Rome, Palazzo Doria) heeft gekend. 

Zoo is er in die afbeeldingen van schilderswerkplaatsen en spelende en 

rookende jongelui van dien eersten tijd in Italië — zoo in de jaren rond 1652 — 

wel eenige invloed van de hem omgevende kunstrichtingen aan te wijzen. In de 

andere, misschien iets later — 't zij nog in Italië, *t zij reeds na zijn terugkeer 

in Holland . — ontstane stukken, die ik boven onder groep 2 samenvatte, is die 

invloed nog minder merkbaar, aangezien het caravaggeske licht daar vrijwel 

geheel verdwenen ^is. Zijn schilderijen wijzen dan nog slechts in het geheel 

Italiaansche milieu (München, Harrach, Haarlem) invloeden aan van zijn Roomsch 

verblijf, maar daarmede is dan ook alles gezegd. De voorliefde voor grijs — 

die Sweerts ook in de werken van later bijbleef — is ook hier, maar het licht 

is vlakker, en in de vleeschkleur mengt hij meer rood en minder geel: ze krijgt 

dien lichtrooden tint, die verder een der karakteristieke eigenschappen van zijn 

19» 



144 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

figuren zou blijven en waardoor deze er estetisch niet op zijn vooruitgegaan. In 
het algemeen is het weergeven van de materie en kleur der menschelijke huid 
het zwakke punt van SwEERTS. Hij heeft er blijkbaar mee getobd en het roze 
j,recept'* schijnt hem op den duur nog het best bevallen te zijn, beter dan het 
Bega-achtig oranje van zijn eersten tijd. 

SWEERTS' portretten en afzonderlijke figfuren schijnen, op dat te Bergen 
na, alle omstreeks het jaar 1656 — de dateering van het Petersburgsch portret — 
te zijn ontstaan. Boven zette ik de redenen uiteen, waarom het zoo goed als 
zeker is, dat SWEERTS in 1656 weer in Amsterdam terug was. Geen der schil- 
derijen nu uit deze periode (groep 3) verzet zich tegen deze onderstelling. Inte- 
gendeel: het Petersburgsch portret doet denken aan VAN DER Helst, dat bij 
H. Ward aan DüJARDIN; het Gevoel in de collectie HOENSBROECH verraadt in 
het sujet invloed van Frans Hals, de twee kopjes te Stuttgart, vooral het jongetje, 
zijn aan den Delflschen Vermeer verwant, aan wien trouwens de manier van 
opleggen der verf in groote vlakken, die aan heel deze groep — en ook aan 
groep 2 — eigen is, doet denken. 

Zoo schijnt het wel, dat SwEERTS na zijn terugkeer in Holland sterk op 
zich heeft laten inwerken de werkwijzen van verscheidene der groote kunstenaars, die 
hij in zijn vaderland werkzaam vond. Van den een interesseert hem de houding 
die hij aafn zijn portretten geeft, bij den ander trekt hem een bohémienne-sujet aan, 
bij een derde weer sluit hij zich aan op enkele technische punten. 

Maar toch is ook hier die invloed — al is hij meer merkbaar dan de 
Italiaansche in Italië — niet zóó sterk, dat niet vóór alles SWEERTs' eigen per- 
soonlijkheid aan zijn werk het domineerend cachet geeft. Gelijk in zijn figuur- 
stukken zijn ook in deze groep gebleven zijn kalme observatie en weloverwogen 
schildering, zijn voorliefde voor scherpe contouren en zijn karakteristieke kleur- 
combinaties, waarin nu evenwel hier en daar een warmer, aan METSU herinnerend 
rood sterker optreedt dan vroeger. Als portretschilder ontdekken wij echter thans 
bij hem een eigenschap, die in zijn figuurstukken niet zoo op den voorgrond 
treedt, nl. een trek naar het zwaartillende, peinzende, een zekere voorliefde om 
in de koppen een meer dan noodigen ernst te leggen. Het sterkst is dit in het 
portret te St Petersburg, 

Het is waarschijnlijk, dat het portretschilderen sedert SWEERTS' voornaamste 
werkzaamheid is gebleven en dat hij in bepaalde kringen van Amsterdam als 
portrettist een zekere vermaardheid genoot 

Tot ver in de i8e eeuw kenden de Amsterdammers zijn naam en zijn 
werk, gelijk uit de veilingen dier dagen blijkt. Maar daarna is SWEERTS' naam 
en daarmede ook zijn kunst in het vergeetboek geraakt, en helaas zoodanig, dat 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 145 

wij thans reeds zéér tevreden mogen zijn, dat wij tweeentwintig van zijn werken 
bij elkander hebben en ons zoo tenminste gedeeltelijk een voorstelling kunnen vormen 
van de werkzaamheid van dezen merkwaardigen artist, dien Bayersdorfer terecht 
een „bedeutenden Künstler", heeft genoemd. 

Want ik geloof niet te overdrijven, wanneer ik dezen Hollandschen LE Nain 
rangschik onder de zeer opmerkelijke meesters onzer groote schild erschool. 



LIJST VAN SCHILDERIJEN VAN MICHIEL SWEERTS. 

A. Schilderijen^ waarvan de verblijfplaats bekend is. 

1. Portret van den Schilder. Verzameling W. B. Thomar, Boston. Mass. 
Noord- Amerika. Halffig., naar voren gewend, met palet en penseelen in de 
linker hand en één penseel in de rechter. Staande in een bergachtig 
landschap met heldere lucht. Hij heeft lang krullend haar, donker gewaad 
en witte ondermouwen. 

Doek, 95^ X 74. Vgl. de afbeelding. 

Verkocht bij Foster te Londen, 5 Maart 1902, n^. 57, als portret van 
G. TER BORCH. Door SwEERTS zelf geetst (Bartsch 3). Weigel Suppl, 
houdt het voor het portret van G. TER BoRCH, Bartsch ziet er Sweerts 
zelf in. Vgl. boven, blz. 136. 

2. Portret van Jeronimus Deutz. Bergen bij Alkmaar, Douair^. VAN REENEN 
geb. Rendorp. Hij staat, \ naar links gewend, tot de heupen zichtbaar^ 
tegen een donkeren achtergrond. De linker hand, waarin hij zijn hoed 
houdt, steunt in de zijde, de rechter houdt hij onder de kin. Hij heeft 
lange bruine haren en blauwe oogen en is gekleed in een grijs costuum 
met nestels om het middel, en een witten platten kraag met twee neer- 
hangende koordjes. Sterk licht' van links. 

Op doek, 10 1 X 76. In vergulde lijst. 

Reeds met het portret van ralthasar Deütz (zie n®. 30) vermeld in de 

nalatenschap van ^Vrouwe Agneta Deutz, wed. d. H. Zachar. Beere- 

STEYNy overleden 13 Febr. 1692 te Amsterdam*', als ^het conterfettsel van 

d'Heer Jeronimus Deutz, met de vergulde platte lijst, geschilderd door 

Cavaillier Swarts, f 40. — ." 

De toeschrijving aan SwEERTS is van J. Ph. V. D. Kellen. Vgl. hiervoor 



146 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

Hofstede de Croot in O. H. XIX, die de verblijfplaats der schilderij 
nog niet kende. 

3. Portret van een jongen Man. Londen, HüMPHREY Ward. Jongmensch 
met aangenaam uiterlijk, bijna van voren gezien, iets naar links gewend. 
Halffig. levensgroot. Hij heeft een lichte snor en krullend haar; een haar- 
vlok rechts op zijn voorhoofd werpt daar een sterke schaduw op. Hij is 
gekleed in een zwarte jas en draagt om den nek een langen witten doek, die 
vóór langs zijn lichaam hangt. Een stuk van een wit hemd en daarover 
een rood vest met twee gouden knoopen is onder den doek zichtbaar. 

Doek, 70^ X 55. 

Veiling coU. Douair® INSINGER VAN LoON e. a. Ams t. 17 — 20 Nov. 1903, 

N®. 42 als K. DU Jardin. 

4. Portret van een jongen Man. St. Petersburg, Academie van Beeldende 
Kunsten, no. 537. Een jongmensch met lang haar, in zwarte kleeding 
met opengesneden mouwen, waaruit een breede witte hemdsmouw tevoor- 
schijn komt, zit in schilderachtige houding aan een tafel. Hij heeft een 
eenigszins lijdend uiterlijk en kijkt vol gedachten in de verte, den toe- 
schouwer niet aanziende, het voorovergebogen hoofd van voren gezien, iets 
terzijde gewend. Hij steunt zijn hoofd met de linker hand en leunt met 
zijn linker elleboog op een tafel, die links vóór hem staat en met een 
groen kleed bedekt is. In de rechterhand, die eveneens op de tafel rust, 
houdt hij een vel papier. Aan de pink heeft hij een grooten brillant. 
Op de tafel een tinnen inktkoker met twee pennen, een blauwe beurs, 
eenige aanteekenboeken en gouden muntstukken in rijen naast elkaar en 
op hoopjes gelegd. Aan het afhangend tafelkleed is een klein vel papier 
gehecht, waarop staat: A. D. 1656 Raiio quique Reddenda en daaronder 
in mooie fijne letters: Michael Sweerts Fc. Donkere achtergrond, levens- 
groote figuur, tot aan de knieën zichtbaar. 

Doek, 111^X93^. 

Geschenk van SCHOEWALOFF in 1758. 

Herinnert sterk aan van der Helst, vooral aan diens portret van POTTER. 

5. Heer en Knecht. Verzameling C. J, de Bordes, Velp. In een vertrek, 
waarin rechts een openstaande deur, zit links op een stoel een heer^ wien 
door zijn knecht de rijlaarzen worden uitgetrokken. De heer, volgens de 
traditie een heer DE Bordes, is een man van middelbaren leeftijd met lange 



I- I 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 147 

donkerbruine lokken en flauw zichtbare donkere snor. Hij draagt een lange 
grijze jas met een rij dicht op elkander gezette knoopen en een platten 
slappen halskraag; een grijze vilten hoed bedekt zijn hoofd. Een donker- 
grijze broek met grijze strikken, bruine kousen en roode overkousen 
volmaken zijn kleeding. Hij zit, naar rechts gewend, den beschouwer 
aankijkend, op een houten stoel en houdt met beide handen zijn linker 
knie vast, terwijl zijn knecht, een jonge man met lange bruine lokken, 
hem de linker laars uittrekt. De knecht draagt een donker bruine jas, 
waaronder op twee plaatsen een wit hemd zichtbaar is, een bruine broek, 
lichtbruine kousen en lage schoenen met zwarte strikken. Achter den heer 
links ligt een hond, daarachter staat een tafel met een Oostersch tapijt, 
waarop o. m. een degen. Op den voorgrond rechts twee sporen met fijne 
glimlichtjes, een pantoffel en een omgekeerd zadel met zachtroode voering. 
Op den achtergrond een mat-groen en rood gestreept gordijn. Aan den 
muur hangen eenige schilderijtjes. Door de open deur rechts ziet men 
een park met avondhemel, fontein en obelisk. 
Gem. rechts op den bolster van het zadel: M.S. 
Op doek, 70 X 50. Vgl. de afbeelding. 

6. Vader en Zoon. Pommersfelden no. 561. De vader (Sweerts zelf?) is 
gekleed in een karmijn-roode jas en draagt een bruine bonten muts met 
roode veer. Hij zit in een leuningstoel; hij heeft het gelaat naar den be- 
schouwer gewend, maar kijkt naar boven. Zijn rechter hand rust op den 
schouder van zijn zoon. De zoon, een blonde jongen, in 't grijs gekleed, 
kijkt rechtuit naar den beschouwer en houdt een stuk papier in de hand, 
waarop een roodaard-schets. Kniestukken, levensgroot. Donkere achtergrond. 
Doek, 121 X9Ö. 

Vermoedelijk reeds 17 19 in die collectie. Heette toen ScHWARZ, later 
Cavalier Schwartz. 

VgU Frimmel's Catalogus der collectie, van 1894. en O. H. XIX. Door 
Sweerts geëtst (B.2) in tegengestelden zin. Op de ets houdt de vader 
een pijp in de hand en blaast hij rook uit. Ook draagt hij er een gouden 
keten, die op de schilderij ontbreekt. Op de ets heeft de jongen, in plaats 
van een blad papier, een stuk brood in de hand. 

7. De Jonge Beeldhouwer^ Museum te Hermannstadt n^. 995. Een jongen 
met lange blonde haren en bruin-gele jas houdt met beide handen een nog 



148 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER, 

niet geheel voltooiden Laokoon-kop vóór zich uit. Hij kijkt naar rechts. 

Aan den kleinen vinger van beide handen draagt hij ringen. Zwartachtige 

achtergrond. Halffig., half levensgroot. 

Dr. Bredius, aan wien ik deze beschrijving dank, teekende bovendien nog 

aan: ^Geheel kleur en toon van Sweerts. Kop breed gedaan. Het geheel 

breed behandeld, de handen bijzonder uitvoerig. De grauwe toon van den 

marmeren kop en het bruingeel der jas geheel als SWEERTS.'* 

Op doek 6i X 44. 

Afgebeeld in : M. CSAKI, die Baron Brukenthalische Gemalde-Galerie, Her- 

mannstadt 1903. Plaat 30. 

Heette vroeger Sandrart. De nieuwe toeschrijving is van BrediüS. Vgl. 

ook Frimmel in Repertorium f. Kunst w. XXIV, blz. 481. 

8, De TeekenschooU Haarlem, Stedelijk Museum, N®. 11. In een ruim ver- 
trek met donkeren achtergrond zitten verscheiden jongens te teekenen om 
een modelschijf, waarop een naakt mannelijk model. Rechts staat de leer- 
meester, van achter gezien, sprekend met een heer. 

Doek, 75 X 108. Afgebeeld in dit tijdschrift, jaargang XIX, blz. 137. 
Vroeger aan JOB Berckheyde toegeschreven, maar reeds in 1893 door 
Hofstede de Groot als Sweerts herkend. Vgl. dit tijdschrift, jaar- 
gang XIX. Zie ook Ned. Speet. 1899, blz. 58. 

9. De Schilder swerkplaats, In den Londenschen Kunsthandel. In een ver- 
trek met donkeren achtergrond, waarin een halfgeopende deur, staat in het 
midden, ten voeten uit zichtbaar, een in 't grijs gekleede jonge man met 
lang krullend donker haar. De linker hand houdt hij in de zijde, in 
de rechter houdt hij een gipsafgietsel, dat hij aandachtig bekijkt. Links 
van hem een tafel vol afgietsels naar beeldhouwwerken, o. a. een Juno- 
kop. Achter die tafel staat een jonge man met een muts op zijn krul- 
lend haar en met palet en penseelen in de linkerhand. Hij wijst den 
ander met de rechter hand op een torso, dat op tafel ligt. Achter rechts 
van hem een schildersezel. Rechts achter komt een knecht, met een 
witten doek om 't hoofd, binnen met een hoop gipskoppen enz. in de 
handen. Op den voorgrond rechts op den vloer teekengereedschap, liYiks, 
tegen de tafel geleund, een groote guitaar en, op een stoel, een open- 
geslagen oblong muziekboek. 

Gemerkt op een papier op de tafel: MiCHAEL Sweerts fecitRomae 1652.^' 

Doek, 75 X 60. Vgl. de afbeelding. 

Verscheiden gips-afgietsels zijn dezelfde als die op n^. 10 van deze lijst. 



I 



M. SWEERTS. - DE SCHILDERSWERKPLAATS. 
In den kunsthandel te Londen. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 149 

10. De Schilderswerkplaats. Amsterdam, Rijksmuseum No. 2281. In een ruim 
vertreki waarin links een venster, rechts een geopende deur, waardoor men 
een Italiaansch stadsgezicht ziet, zit links op den voorg^rond, naar rechts 
gewend, een jong schilder, in het geel gekleed, te teekenen naar een groot 
gipsmodel, dat midden in het vertrek staat. Twee andere jongelieden, in 
het zwart gekleed, kijken naar zijn werk. Links in het midden der werk- 
plaats is een ander bezig, naar een naakt manspersoon te schilderen, 
terwijl verder nog een jongen een Juno-kop van gips, die op een tafel 
staat, zit na te teekenen. Rechts is een man bezig, roode verf te wrijven. 
De rechterbenedenhoek van de schilderij wordt door een hoop gipsaf- 
gietsels naar antieke beelden ingenomen. Doek, 71 X 74. Tegenhanger 
van het volgend nr. Bruckmann phot. 

11. De Kaartspelers, Amsterdam. Rijksmuseum No. 2282. Vóór een huis zitten 
een drietal jonge mannen rond een ton kaart te spelen. Hun aandacht en 
die van drie toeschouwende mannen wordt afgeleid door een tooneel, dat 
zich rechts op de schilderij afspeelt, waar een man twee vechtende jongens 
scheidt. Een kleine jongen maakt van het oogenblik gebruik, om een der 
spelers den zak te rollen. Rechts op den voorgrond ligt een hond te slapen. 
Doek, 71X74. Tegenhanger van No. 10 van deze lijst. Bruckmann phot. 

12. De Kaartspelers. Weenen, verzameling Harrach No. 59. In een vertrek 
met donkeren achtergrond, links een geopende deur met uitzicht op een 
Italiaansch landschap met donker bewolkte lucht, zitten op een lange bank 
met de beenen schrijlings erover, twee jongelieden, en daarachter, tusschen 
hen in, een derde. Zij spelen kaart en de linksche toont den beschouwer 
lachend zijn kaarten, waarbij drie azen. De rechtsche trekt met de rechter 
hand één kaart uit de vier, die hij met de linkerhand vasthoudt en kijkt 
met aandacht naar zijn spel. De linksche is naar rechts gewend, de middelste 
naar voren, de rechtsche naar links. De linksche is in 't rood gekleed en 
draagt een roode muts en grijze kousen, de rechtsche draagt een oranjegeel 
costuum, een blauwe muts en blauwachtig paarse kousen. 

Tusschen beide mannen in liggen drie zilverstukken en een stapeltje kaarten, 
waarvan de middelste jongen grijpt, terwijl hij in zijn linkerhand vier 
kaarten vast houdt. Voor op den grond een steenen kan, een halfvol glas 
en een tinnen bord, waarop een pijp en een papier met tabak. Rechts nog 
een mes en een brandende lont. 
Oud-Holland 1907. 20 



150 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

Op doek, 60 X 53. In zeer slechten toestand. Achtergrond deels overschilderd. 
Afgeb. in Frimmel» Blatter f. Gemftldekunde Heft 6, Okt 1904, blz. 107. 

13. DamspeUnde Pages. Verzameling HOOGENDIJK, den Haag. In een vertrek 
met donkeren achtergrond staat rechts een kamerschut, waarvóór een 
jongen, die blijkbaar op een boodschap wacht. Op den voorgrond zit 
linksi op een taboeret met blauw kussen en geel en blauwe franje, een jonge 
man met lange blonde haren. Hij draagt een rood jak met witte onder- 
mouwen en geeloker-kleurige kousen. Hij is naar rechts gewend en ziet 
den toeschouwer aan. Rechts van hem is een tweede jongeling bezig een 
schijf te zetten op een verkeerbord. Hij draagt een zwart costuum met gele 
ondermouwen en gele kousen, die tot over de knie reiken. Tusschen deze 
beide personen een kleine jongen die toekijkt en wien een naar rechts 
kijkende man, in bruin costuum en met breeden platten kraag, de hand 
op den schouder legt. Rechts nog een jongen^ '/é ^^^^ links kijkend, met 
de rechterhand naar rechts wijzend en gekleed in rood pak met witte 
ondermouwen. Rechts beneden een stuk papier, waarop staat: yiMiCHiEL 
SwEERTS fecit an 1652 Roma." / ■- , 

Doek, 48X39. I f<:uian.6si 

Zie Hofstede DE Groot in Ned. ( /gomfc / Speet. 1899 blz. 58, en den 

Catalogus der tentoonstelling-HooGENDiJK, Den Haag 1899. 

13^. Jongelingen aan het Verkeerbord. Vijf k zes Figuren tegen donkeren 
achtergrond, sterk van kleur, zorgvuldig en ^solide" van schildering, sterk 
onder invloed van Caravaggio en ook op LE Nain gelijkend. Gemerkt: 
MiCHAEL SwEERTS fecit Ao 16 12 Romae." Aldus een aanteekening van 
Dr. WiLH. Bode, die deze mij welwillend afstond. De bewuste schilderij 
werd I Mei 1897 met de collectie van Sir I. EWERETT MiLLAls te 
Londen bij Christie verkocht (no. 99), en ook door FRiEDLaNDER (Reper- 
torium XX 252) beschreven. Deze zegt, dat de figuren kleiner zijn dan 
op de schilderij te München (no. 14 van deze lijst) en spreekt van ^schone 
und entschiedene Farbung'*, terwijl de opvatting aan de Duck-Codde-richting 
herinnert. Ook hij leest het jaartal als 1612. 

Deze aanteekeningen kloppen geheel met den indruk, dien no. 13 maakt. 
Hoogstwaarschijnlijk hebben zij dan ook op die schilderij betrekking en 
is in plaats van 1652 bij vergissing 1612 gelezen. 

14. In de Herberg^ München no. 390. In een vertrek, waarin op den achter- 
grond een groote schouw en links een doorkijk in een gang met een trap. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER, 151 

ziet men vier jongelui Links op een stoel zit er één, naar rechts gewend, 
den beschouwer aankijkend. Hij heeft een vilten hoed op en rookt een 
lange goudsche pijp. Rechts van hem zit op een bank, naar links gewend 
met den rug naar den beschouwer, een iets oudere jonge man met een 
grooten vilten hoed op. Hij is bezig een tinnen bierkan naar den mond 
te brengen en geeft een boodschap aan een jorgen, die tusschen deze 
twee personen vóór de schouw staat. Deze jongen, die blijkbaar op het 
punt is om heen te gaan, groet, door zijn witte muts even van 't hoofd 
te lichten. Rechts in den hoek bij de schouw zit nog een manterooken. 
Doek 100X96. 

Verk. P. LocQüET, Amst 1783 f iii als Cav. Swartz. Phot. Hanf- 
ST^NGL en Brückmann. 

Zie verder Catalogus München en ^Bayersdorfers Leben u. Schriften*' 
t. a. p. (titel zie boven blz. 134 noot i). 

15 De Rockers. Milaan, Museo Civico n^ 118 (46). In een vertrek met don- 
keren achtergrond staat een man met lange bruine lokken, driekwart naar 
links gewend^ den beschouwer aanziende. Hij is gekleed in grijs costuum 
met witte manchetten en kleinen platten witten halskraag. Hij draagt een 
slappen . grijs vilten hoed. In iets voorovergebogen houding is hij bezig, 
een kleine goudsche pijp te stoppen. Achter hem een stoel met roode 
leuning, waarop een roode mantel licht. Links van de hoofdfiguur, \ naar 
rechts gewend, een man, die een punt slijpt aan een potlood of krijtje. Hij 
draagt een roode muts. Geheel links een jongeling in 't bruin, met roode 
manchetten en zwarten hoed, in profiel naar rechts. Hij houdt de linker 
hand, waarin een papier met tabak, omhoog. Rechts op den achtergrond 
treedt een jonge man met een kaars binnen. Het sterkste licht valt op 
het lijf van de hoofdfiguur. 
Op doek, binnen de lijst 66 X 48. 
Legaat-DE Cristoforis aan de stad Milaan, 1876, als onbekend. 

16. Twee Rockers aan een Tafel. St. Petersburg, P. Semenov. Deze schil- 
derij, vroeger in de collectie van den senator MiAKiNiNE te St. Peters- 
burg, is mij niet nader bekend. De toeschrijving aan SWEERTS is van 
Bredius. 

17. Siësta. Den Haag, Mauritshuis, n®. 657. In een landschap, waarin men 
links op den achtergrond bergen ziet en op den middengrond rustende 
schapen en een ezel, zit tegen een huis rechts een jonge man, met half 
ontbloot bovenlijf, naar ongedierte te zoeken. Rechts een slapend jongetje, 

20» 



152 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

tegen een steen geleund, Links, aan de voeten van den man, ligt een 
hond te slapen. Op den voorgrond links eenige kippen, op den achtergrond 
rechts een man en een vrouw, 
Doek, 78^ X 71. 
Phot. Bruckmann. 

18. Herder in een Grot. Riga, Stedelijk-Museum, No. 176. In een grot met 
rechts een doorkijkje naar buiten, zit, naar rechts gewend, op een rotsblok 
een herder, gekleed in een jas van lamsveL Hij brengt een kan aan den 
mond, die hij met beide handen vasthoudt. Hij draagt geelgrijze wollen 
kousen en leeren sandalen met riemen. Vóór hem op den grond een bruin- 
lederen tasch. Rechts van hem een jongen in 't rood. Tusschen de twee 
een rotsblok, waarop een eenvoudig middagmaal. 

Gem. op den rotsblok onder het linker been van den herder: C. S. 

(=z Cavalier Swarts??). 

Op doek, 44 X 35. 

Toeschrijving van Hofstede de Groot. 

19. Het Gehoor. Stuttgart, Museum, No. 300. Meisje, borstbeeld, iets naar 
rechts gewend en naar links kijkend, wijst met de rechterhand op de noten 
van een muziekstuk, dat zij in de linkerhand houdt Donkere achtergrond. 
Doek, 53%X4i. Vgl. de afbeelding. 

In den catalogus onder de rubriek HoUandsche School der 17e en i Sleeuw. 
Behoort vermoedelijk tot een serie van ^vijf zinnen'\ waartoe niet alleen 
de tegenhanger in Stuttgart (No. 20 van deze lijst) behoort, maar ook 
waarschijnlijk No. 21 van deze lijst. 

20. De Smaak. Stuttgart, Museum, No. 299. Jongen, borstbeeld, iets naar links 
gewend, den beschouwer aanziende. Hij houdt in de rechterhand een van 
boven geopend ei, waarin hij met de linker een beschuitje doopt. Hij heeft 
lange blonde haren, een grijze jas en witten platten kraag. 

Doek 54X41. VgL de afbeelding. 

In den catalogus onder de rubriek Hollandsche School der 17e en 18 eeuw. • 
Behoort vermoedelijk tot een serie van vijt zinnen. Vgl. de opmerking bij 
No. 19 van deze lijst 

21. Het Gevoel. Schloss Haag, Graf VON HOEKSBROECH. Een vrouw, borstbeeld 
van voren gezien, het hoofd iets naar links gewend, met verwarde haren, 
die onder een wit kapje uitkomen. Zij is bezig, met haar beide handen 



M. SWEERTS. - HET GEVOEL. 
Verzameling Graf von Hoensbroech, Schloss Haag. 



M- SWEERTS. - DE SMAAK en HET GEHOOR 
Museum te Stutlgart 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 158 

een vloo te ^knappen'^ Zij draagt een donker, grijsblauw jak. Grijze 
achtergrond. 

Doek, 56 X 42. Vgl. de afbeelding. 

Tentoonstelling te Dusseldorp 1904, n®, 409a van den catalogus, als on- 
bekende Hollandsche meester der 17^ eeuw, Onderdien naam door Bruck- 
MANN, gefotografeerd. Reeds door Hofstede DE Groot (Repert. f. Kunstw. 
XXVII, 578) aan SwEERTS gegeven. 

Sluit zich in uitvoering aan bij n^ 19 en 20 van deze lijst, waarmede het 
in afmetingen genoegzaam overeenkomt, om te vermoeden, dat het met 
deze tot één serie behoort, VgL verder de opmerking onder n®, 19 van 
deze lijst. 

22. Een der Werken van Barmhartigheid. POMMERSFELDEN n<>. 562^ Eenjong- 
mensch, rechts op de schilderij, geeft aan een ander, die naakt is, een 
witten doek of hemd. De eerstgenoemde heeft zwarte lokken en draagt 
een karmijnachtig rood costuum en een bruine bonten muts. Van den ander 
zijn gelaat en handen donkerder dan het lichaam. Halfüguren. 

Doek, 116 X 102. 

Vermoedelijk reeds 17 19 in de collectie. Heette toen ^Chev. Schwarz** 

welke benaming het stuk ook in 1746 had. 

Vgl. Frimmel's catalogus der collectie, van 1894. 

Waarschijnlijk een der zeven Werken van Barmhartigheid, beneden 

onder n®. 41 vermeld. 

B. Schilderijen van Sweerts, alleen bekend door etsen enz. 

van hem en anderen. 

23. Maria^ Johannes en Magdaléna^ weenend over het lijk van Christus. 
Geetst door Sweerts. (B i. De ets is gemerkt Michael Sweerts Eques 
pin. et fecit.) 

24. Portret van W. VAN DER BORGHT. Door Sweerts geetst. (B. 4. De ets 
is gemerkt: Michael Sweerts Eq. Pi et fc.) 

25. Mansportret^ halffig., iets naar rechts gewend. Door Sweerts geetst (B. 5. 
De ets is gemerkt: Ca. Michael Sweerts Pi et fe.) 

26. Mansportret^ halffig., iets naar links gewend. Door SWEERTS geetst. (B. 6. 
De ets is gemerkt: Michael Sweerts Eq. Pi et fe.) 

27. Mater Amabilis. In ovaal Borstbeeld met doek over het hoofd, \ naar 



154 MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. 

links gewend. Door I. Troyen gegraveerd. De ets is gemerkt: L Troyen 
Fe. M, SwEERTS Eq. Pi.). 

28. Jesus Admirabilis. Borstbeeld, \ naar rechts gewend. Door 1. Troyen 
gegraveerd. (De ets is gemerkt: M. Sweerts Eq. P. I. TroyeN.) 

29. Portret van JOHANNES LiNGELfiACH. Door B. VaïllaNT gegraveerd. Op 
de prent staat: Johannes Lingelbach. Apud Amstelodamenses Pictor. 
ScHWARZ Eques Pinx. B. Vaillant fee. et Exc. 



C. Schilderijen^ alleen bekend uit inventarissen en van veilingen. 

30. ^Het conterfeytsel van <PHeer Balthaser Deutz, gedaen door Cavailler 
SWARTZ in een hooge vergulde lijst'' Getaxeerd op / 50 in den inventaris 
van „Vrouwe Agneta Deutz, wed. d. H. Zachar. Beeresteyn, over- 
leden 13 Febr. 1692 te Amsterdam.'* 
31-33. j^Drie conterfeytsels in vergulde lijsten, van SWEERS." Inventaris van den 
desolaten boedel van Hendrick Lourensz Spiegel den Jonge, Amsterdam 
18 Januari 1667. Getaxeerd samen op f 70. 

34. Een Persiaen, door'CHEVAUER Zwarts. /i 0.0. Verk. Qüiryn van Biesüm, 
18 Oct. 1719, Amst. HOET I, bl. 231, no. 96. 

35. jfEen bedelaersgeselschapje ofF een grotje van Cavallier Swarts." — 
Inventaris W. Spieringh, overleden te Delft 23 Jan. 1689 (prot. notaris 
W. v. RuYVEN, Delft). 

36. j^Een pleysterstuck van M. SWBERTS.'* Inventaris als voren. 

37. ^Beelden in een Kamer^ van de Cavallier Swartz." / 6o, Verk. Amst. 
13 Mei 1705. HoET I, bU 76 no. 7. 

38. y^Een Vrouwtje dat eèn Meisje kamt^ overheerlyk van konst, door de 
Cavellier Swartz." ƒ44. Verk. Anthony Deutz, Amst. 7 Mrt. 1731. 
HOET I, bl. 361, no. 8. 

39. De Geboorte, door Cavalier Swarts." ƒ 15. Verk. Joan de Vries, bur- 
gemeester van Amsterdam, 13 Oct 1738, den Haag. HOETi, bl. 565 no. 104. 

40. y^Een Joseph en Maria van C. Swarts.** Verk. Amst. 28 Mei 1706. 
(Aanteekening van Dr. Bredius). 

41. De seven Werken van Barmhartigheid. Komen voor in den boedel der 
sub 29 genoemde weduwe van Zacharias Beeresteyn. Of hier een of 
meer schilderijen bedoeld zijn, blijkt niet. Mededeeling van Dr. Bredius, 
gepubliceerd in Frimmel's Catalogus van Pommersfelden, 1894, blz. 180. 

Misschien is een der schilderijen van SwEERTS te Pommersfelden (no. 562) 
identiek met een der bedoelde stukken. Vgl. verder hierboven no. 22. 



MICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER. VSS 

42. ^en Indische rave van SwEERS en nog twee dito's.'^ Inventaris van 
goederen, nagelaten door JANNETJE RijCKEN, wed. DiRCK RiJCKEN, be- 
vonden in 't huys de schelp, staende in de Diemer. 

43. „Een Cacketoet^ van SwEERS.** Inventaris als voren. 

44. „^Een blompotje door SwEERS". Inventaris Wed. van JEAN Faulconiee. 
Amst. 13 Juli 1662. Not. N. Crüys. Getaxeerd op / 6. 



D. Abusievelijk aan Sweerts toegeschreven schilderijen. 

Behalve de bovengenoemde worden verscheiden andere schilderijen voor 
werken van SWEERTS gehouden. In de eerste plaats het sinds jaren aan den 
meester toegeschreven Musiceerend Geselschap^ Augsburg n^. 593 (Afgebeeld o.a. 
Klass. Bilderschatz n^. 1637). In deze schilderij kan ik de hand van SWEERTS 
niet zien; er is geen voldoende overeenstemming met een der bovengenoemde 
werken. 

Hetzelfde is het geval met de Jonge Mannen aan de Ontbijttafel^ in het 
Stedelijk Museum te Maagdeburg. ') Ik ken deze schilderij slechts van de fotografie 
maar meen daarnaar voldoende te kunnen oordeelen, om te zeggen dat het stuk 
noch technisch, noch compositioneel voldoende met de ontwijfelbaar echte schil- 
derijen van Sweerts overeenkomt, om er den naam SwEERTS, die er door BODE *) 
2^n gegeven is, aan te mogen blijven geven. Er is in dat stuk veeleer een zeer 
opmerkelijke verwantschap met schilderijen der LE Nain's te constateeren, aan 
wie Hofstede de Groot, die het stuk met eigen oogen zag, het dan ook toe- 
schrijft. ') Het sterkst blijkt de overeenkomst met de LE Nain's uit de triktrak- 
spelers in de verzameling van Graat L. DE Seyssel, afgeb. in : A. ValabrèGUE, 
les Frères LE Nain, blz. 120. 

Evenmin schijnt mij van SwEERTS het aan hem toegeschreven Interieur 
met Soldaten enz. in de verzameling van Dr. K. TrüBNER te Straatsburg, terwijl 
mij ook de toeschrijving aan SwEERTS van de schilderg met een Jongen^ teekenend 
naar een Pleisterkop (collectie S. H. Fraser, Southill, Engeland) minstens ge- 
nomen twijfelachtig lijkt. 

Jhr. B. W. F. VAN Riemsdijk toonde mij een door hem vervaardigde 
schets naar een Interieur met rookende en drinkende Boeren^ in 1901 berustend 



1) Afgeb, in Frimmbl's Bl&tter f, Oemftldekunde, Band m, no. 8, S. 150. 
1) Zoo ook, onafhankelijk van hem, Frimmsl, in djn „BUtter" t. a. p. 
>) Repertorium f. Kunstw. XXVII 578. 



166 HICHIEL SWEERTS ALS SCHILDER 

bij den Heer Adolf J. Fürth te Keulen (op paneel, h. 28 X b. 37 C.M.), eenigs- 
zins TSNiERS-achtig van compositie, doch dat wel van SWEERTS zou kunnen zijn. 
De schilderij ts met een uit M en S bestaand monogram gemerkt, gelijk aan dat 
wat SWEERTS op sommige zijner etsen bezigde. Ik ken de schilderij niet, durf 
dus geen oordeel uit te spreken. 

Ten slotte wijs ik aog op den Jongen^ dit een schüderij nateekêut^ in de 
collectie COOK te Richmond (afgeb. in the Burlington Magazine Vol. 7, 1905, p. 434), 
welke schilderij ik een tijdlang voor Sweerts gehouden heb, doch die, schoon in 
zeer vele opzichten aan Sweerts herinnerend, m. i. toch niet genoegzaam met 
zijn tot heden mij bekende werken overeenkomt, dan dat ik ze thans nog met 
beshstheid aan den meester zou durven blijven toeschrijven. 

Den Haag, Augustus 1907. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND 



Dr. J. HUIZINGA. 



^E vraag naar den oorsprong en de beteekenis der zo<^e- 

1 naamde Rolandsbeelden is door Mr. S. Grataha in een bespre- 

L king van een Duitach werkje over dit onderwerp met reden 

i genoemd ^een vraagstuk, dat uit den aard der zaak hier te 

.(lande minder belangstelling heeft gewekt dan aan de overzijde 

j der grens. In geen onzer steden toch wordt een beeld van 

t hout of steen gevonden, dat met den naam Roland" wordt 

bestempeld." ') — Het moet inderdaad het plechtige staren van de raadselachtige 

oude figuren zelf zijn geweest, dat in Duitschland reeds meer dan drie eeuwen 

lang zulk een stroom van verhandelingen en beschouwingen: lüstorisch, juridisch, 

archeologisch, in de eerste plaats fantastisch, heeft uitgelokt. Onder hen, die er 

faun vernuft aan hebben geschonken, treffen wij Melanchthon en LeebNIZ, om 

van minderen te zwijgen. 

Het gebied van verspreiding der echte Rolanden laat zich aldus omschrijven: 
een gesloten gebied in Oostfalen tusschen Harz en Bliddoi-Elbe, met een uitlooper 
Nordhausen in ThUringen en een uitham aan de overzijde der Elbe tot in de 



1) Huicom, laejawgaog. t>L 440: HXLDlUint, Dit Rolandibildei DetittcUudi io dnlhtindaljlliilfer 
Fonchnng nnd uush den Qnellen. 

Otid-Heliand igofj. 21 



158 EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 

Neumark Brandenburg, voorts eenige verstrooide Rolanden in het Westen 
(Hamburg, Bremen) en in het Oosten (Elbing, Riga). ^) — Van de echte Rolanden. 
Buiten het omschreven gebied van Saksisch recht waren een menigte plaatsen, 
die op het bezit van zulk een eerwaardig monument, 't zij nog bestaand of 
slechts in de historie vermeld, prat gingen. Al die aanspraken zijn door den 
verdienstelijken ^Rolandsforscher" Georg Sello krachteloos gemaakt, tal van 
pseudo-Rolanden uit het onderzoek geroyeerd ; en daarmee is de basis daarvan 
verbeterd. Zijn vonnis luidt: ^dass alle Rolande, welche westlich und südlich 
einer im Wesentlichen durch Weser, Thüringerwald, Erzgebirge, Riesengebirge 
markirten Grenzlinie genannt werden, jeder historischen Legitimation baar ihre 
fragwürdige Existenz antiquarischer Wichtig^huerei verdanken," *) en strengelijk 
worden de ontmaskerden uitgewezen: yjn der Rolandgeschichte ist kein Platz 
für dieselben.*' »). 

Onder die gebannenen telt Sello ook éen gewaanden Roland op Neder- 
landsch gebied, namelijk te Amsterdam. Hij verwerpt dien mijns inziens vol- 
komen terecht, zooals ik hier beneden uitvoeriger zal toelichten. Maar nu moet 
ik voor een anderen Nederlandschen Roland, waarop, voor zoover mij bekendis, 
de aandacht nog niet is gevallen, een heel bescheiden plaatsje in het onderzoek 
bepleiten. 

Voor den Nederlandschen lezer evenwel mag daaraan een vluchtig overzicht ' 
van den stand der kwestie wel voorafgaan. Een overzicht, dat op eigen kritiek 
over de opgesomde verklaringshypothesen geen aanspraak maakt, en zich tot het 
boog noodige bepaalt, onder verwijzing naar de reeds aangehaalde geschriften 
van Sello en Heldmann en de nog te vermelden opstellen van R. Schröder, 
S. Rietschel en anderen. 

Daar hebben wij dan allereerst de onvermijdelijke mythologische verklaring. 
De hemel beware mij er voor, met geringschatting te spreken van een verklaring, 
waarover Jakob Grimm het licht van zijn genie heeft laten schijnen. Maar het 
is iets anders, of wij met de aandoening, die Grimm's gedachten altijd wekken, 
ook wanneer zij ons het minst gegrond schijnen, van een meer vermoed dan 
betoogd verband tusschen ,,Irmens£lulen und RolandsSlulen*' lezen ^), dan of wij 



1) Ribtsohel, Historische Zdtschrift 89, S. 485; G. Sbllo, J>t\ Roland ra Bremen, Bremen 1901, 
S. 3 ; id., Zur Litteratur der Roland-BildsAalen, Deutsche Geschichtsbl&tter, a, S. a« — De onderdom der nog 
bestaande beelden gaat zeker niet de 14e eeuw te boven. 

^ Der Roland zu Bremen, S. a. 

8) Roland- Rundschau, Deutsche Geschichtsbl&lter, 4, S. 170. 

*) Irmenstrasse und Irmens&ule, 2815 ; Deutsche Mythologie!, 366 ; Tgl. Sbllo, D. Geschichtfbl. 2, 
S. 74; Heldmann, a. a. O., S. 48. — Later stelt Gruim de Rolandsbeelden niet ouder dan de X4e eeuw. 
Over een Terklaring van Elabd Hugo Mbtbb zie Sbllo en Hbldmann, aldaar. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 159 

vernuftige mythologische combinaties van den allerjongsten tijd lezen, waarvan 
Paul Platen de uitvinder is^). De verklaring weifelt tusschen Donar en Tiu, 
dat zij hier genoeg. 

Een tweede hypothese heeft door den beroemden naam van RlCHARD 
SCHRÖDER gezag en verspreiding gekregen. Geheel nieuw was zij niet, trouwens 
reeds sedert de i/de eeuw beweegt zich het onderzoek feitelijk tusschen drie of 
vier mogelijkheden van verklaring. Door den samenhang met SOHM^s gerucht- 
makende theorie van het ontstaan van het stadrecht kreeg SchröDER's verklaring, 
die hij zelf later aanmerkelijk gewijzigd heeft, nog een bijzondere aantrekkelijk- 
heid. In haar laatste formuleering komt zij hierop neer. *) Als teeken van den 
marktvrede diende reeds in den Frankischen tijd bij voorkeur het marktkruis. 
Uit de eigenaardige neiging tot opeenhooping van symbolen, die hetzelfde be- 
duidden, sproot het voort, wanneer aan dat kruis nog andere teekens van den 
koningsban werden gehecht: handschoen, zwaard, vaan, hoed enz. In de vaste 
marktplaatsen werden die marktteekens in blijvenden, dikwijls monumentalen 
vorm aangebracht: het marktkruis werd stadkruis. Sinds het einde der 13e eeuw 
trad in vele Noordduitsche steden in de plaats van het kruis een kolandsbeeld, 
dat dus heeten mag: de monumentale drager der gebruikelijke marktteekens. 

Deze verklaring trachtte SCHRöDER als de noodzakelijke te bewijzen, door 
de andere hypothesen, die voor en na geopperd waren, te elimineeren. Teekens 
van de hooge jurisdictie kunnen het niet zijn, redenee'rt hij, want zij komen voor 
op plaatsen, die nimmer de hooge jurisdictie bezeten hebben. Teekens van rijks- 
vrijheid evenmin, want van al de steden, waar Rolandsbeelden voorkomen, gold 
alleen Nordhausen reeds in de Middeleeuwen als rijksstad. Teekens van stadrecht 
zijn het ook al niet, want zeven Rolanden hebben gestaan in marktvlekken of 
dorpen, die eertijds markten zijn geweest. Derhalve kunnen het slechts markt- 
symbolen zijn geweest. 

Alleen op deze negatieve argumentatie berustte eigenlijk Schröder's 
bewijs. Positief kon hij de betrekking tusschen den Roland, respective het vaste 
kruis, en de markt niet aantoonen, gelijk reeds Keutgen betoogde.*). Bij geen 
enkelen Roland vindt men inderdaad de marktteekens kruis of vaan aangebracht; 



1) P. Platen, Zur Frage nach dem Unptung der Rolandss&ulen, 1899; Der Ursprung der Rolande, 
Z90Z; id. 1903; zie Hbldmavn, S. 51 ff. 

*) R. SoHBÖDBs, Weichbild, in: Histor. Aofs&tze zum Andenken an G. Waitz, 1886, S. 306; Die 
SteUang der Rolandssftulen in der Rechtsgeschichte, in ; Die Rolande Deatschlands, Festscbrift, 1890, S. i ; 
Marktlcreuz und Rolandsbild, in: Festscbrift für K. Wbinhold, 1896, S. 118; Lcbrbucb der Deutschen 
Recbtsgescbichte 1903, S. 635. — Vgl. SoHM, Die Entstebung des deutscben St&dtewesens, S. 28. 

8) Untersncbungen über den Ursprung der deutscben Stadtverfassung, 1895, ^« 7^* 

21» 



100 EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 

SCHRÖDER beriep zich te dien opzichte op onechte Rolanden. ^). Niet van al de 
dorpen, die een Roland bezaten, was het bewijs, dat zij eenmaal marktplaats 
waren geweest, geleverd. 

De veronderstelling, dat de Roland als drager dient van een symbool van 
den koningsban, 't zij dan met bijzondere betrekking tot den marktvrede of niet, 
strekt ook tot uitgangspunt voor de verklaring, waardoor Rietschel in zijn 
Markt und Siadi die van Schröder heeft getracht te verdringen, en waarvoor 
hij den bijval van velen^ o. a. VON Below*), heeft gevonden. 

Na te hebben betoogd, dat er geen positieve bewijzen zijn voor het ver- 
band van den Roland met de markt, wijst Rietschel er op'), dat op verschil- 
lende plaatsen executies en rechtzittingen vóór den Roland worden gehouden, 
een gewoonte, die reeds voor de 14e eeuw te bewijzen is. Het hooggerecht van 
den schout van Halle heeft plaats voor den Roland, de schepenvonnissen worden 
er ^uf dem Schöffenstuhle vor dem Roland' geveld. Die van Elbing draagt 
'halsyser', dient derhalve als kaak ^), gelijk op meer andere plaatsen. 

Wijzen reeds deze omstandigheden er op, dat men den Roland opvatte 
als ,,Wahrzeichen der Blutgerichtsbarkeif', RiETSCHEL heeft voor die verklaring 
nc^ gewichtiger argumenten. Het hoofdattribuut van den Roland, dat behalve 
bij een paar zeer late beelden, aan allen gemeen is, is het breed^ rechte, bloote 
zwaard, dat hij in de rechterhand draagt met de punt naar boven. Een scheede 
aan den gordel draagt geen der oudere beelden. Welnu, gaat Rietschel voort") : 
„Das Schwert ist also nicht die Kriegswaffe des gehamischten Mannes, es wird 
von ihm nicht an der Seite getragen; er hat es nur zum augenblicklichen Ge- 
brauche in die Hand genommen, um es dann wieder wegzulegen. Ein solches 
nur zeitweise in Benutzung genommenes Schwert ist aber des Ricktschwert. 
Ofienbar haben wir also in dem Schwerte des Rolandes das Grerichtsschwert, das 
Symbol der hohen Gerichtsbarkeit, zu erblicken. Der Roland aber verkörpert 
den Tr^er dieser Gerichtsbarkeit, mag man nun — wofür sich Sello ent- 
scheidet — an den höchsten Richter, den König oder Markgrafen, oder an den 
niederen Inhaber des Gerichtsbannés, den mit grSlflichen Rechten ausgestatteten 
Landesherrn oder (bei geistlichen Fürsten) seinen Vertreter im Hochgerichte, 
den Vogt, denken." 

Voor deze in 1897 opgestelde verklaring heeft Rietschel later nog andere 

1) RiSTSOHSL, Markt und Stadt in tturem rechtUchen VerhUtnit, 1897, S. 230; Sbllo, D. Qe- 
schlchtsbl. a, S. 70. 

t) Stftdtewesen und Bürgerthnm, S. ^. 

8) Markt und Stadt in ihrem reditlichen Verh&ltnifl, S. aa7 fL — Ook dexe rerklaring sluit reeds t>9 
oudere onderzoekingen aan. 

A) RiBTSCHBL, Historische Yierteljahrschrifti 9 (1906) S. 539; Markt und Stadt, S. 2397. 

s) Markt und Stadt, S. 332. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 161 

aardige ai^menten bijgebracht^). Naast het zwaard is het in *toog vallendste 
kenteeken der oudere Rolanden, dat zij blootshoofds staan. Schrijft nu niet de 
Saksenspiegel 3» 69, $ i voor, dat rechters, die bij koningsban dingen, noch 
kappen noch hoeden, noch hoedjes noch huiven zullen dragen? Ook de mantel, 
die hun daar voorgeschreven wordt, wordt door sommige Rolanden gedragen. 
Het is geheel en al de rechter uit de verluchte handschriften van den Saksenspiegel . 
Het oudste Rolandt}rpe, onbetwijfelbaar die te Halle, die een 13e eeuwsch model 
vertoont*), leidt dus èn door zijn uiterlijke kenteekenen èn door zijn vroegere 
bestemming tot de verklaring, die Rietschel met steeds grooter stelligheid 
heeft herhaald: ^as monumentale Bild soUte zweifellos nicht anderes bedeuten 
als die dauemde Gerichtsherrschaft des fiirstlichen Stadtherm über die Stadt."*) 
Waar hij voorkomt in steden, die nooit de hooge jurisdictie hebben bezeten, moet 
men den stadheer als den oprichter van het beeld beschouwen, misschien juist 
ter herinnering aan zijn gezag. Waar de Roland harnas, handschoenen en schild 
draagt, die op zichzelf bij den rechter niet passen, moet men een jongere 
wijziging van het t}q)e aannemen. 

Beslist ontzenuwende argumenten schijnen er tegen Rietschel' s verklaring 
niet aan te voeren te zijn. Sello maakt er zich heel gemakkelijk af, door het 
samengaan van beeld en rechtshandeling zuiver toevallig te noemen. ^) Heldmann 
erkent, dat de Roland van Halle^ de gewichtigste steun voor Rietschel's hy- 
pothese, een standbeeld van den gewonen rechter, een symbool der hooge juris- 
dictie is, maar tracht vervolgens dien Hallenser Roland zelf als niet-typisch, 
niet-authentisch te disqualificeeren, *) het is geen echte Roland, beweert hij. Ook 
SCHRÖDER geeft toe, dat de Roland van Halle als de met den koningsban be- 
kleede rechter moet worden opgevat, doch betwijfelt, of daarom altijd bij eiken 
Roland aan een kenteeken der hooge jurisdictie is gedacht: het zwaard kon 
evengoed op den koningsban in het algemeen doelen, terwijl het dan in 
Halle speciaal op den gerechtsban, in Munster *) op den marktban sloeg. ^) 

Eén methodisch gebrek kleeft Rietschel's verklaring aan, waarop Keutgen 
gewezen heeft *), nl. dat hij afzien moet van de eenige oude traditie omtrent de 



1) Historische Zeitschrift 89 (1902), S. 457, Ein neuer Beitng zur Rolandsforscbung (G. S£LL0, Der 
Roland zo Bremen); rgl. Hist. Vierteljahrschrift, 8, S. 86; 9, S. 535. 

*) Hoewel het huidige beeld eerst uit 17x8 stamt. 

9) Hist. Zeitschr. 89. 8. 464. 

4) D. GeschichtsbL a, S. 73. ' 

B) Die Rolandsbilder Deatschlands, S. 62—76 ; opnieuw in : Bolandsspielfiguren, Richterbilder oder 
Königsbilder, 2905, de Ribtsoh£L, Hist. Vierteljahrscbr. 9, S. 539. 

9) Waar een arm met een zwaard ten tQde der markt nit den toren werd gestoken. 

7) Zeitschrift der Savigny-Stiftnng, 37 (1906), S. 46^. 

9) Deutsche Ut. Ztg. 1903, Sp. 91 — 94. 



162 EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 

beteekenis van den Roland» die ons uit de Middeleeuwen zelf is bewaard, die 
van den Roland van Bremen. 

Deze gold onbetwistbaar reeds in de 15e eeuw als symbool van de stede- 
lijke vrijheid. Hieraan knoopt Sello zijn hypothese^). Hoe is het Bremer 
beeld*) aan die beteekenis gekomen? Men kan het niet beter verklaren dan door 
aan te nemen, dat het oorspronkelijk een standbeeld van den stadstichter Otto I 
is geweest, een ^Leibzeichen'* van den koning, door den aartsbisschop Adaldag 
(936 — 988) opgericht ten teeken, dat Otto I hem met den gerechtsban over de 
nieuwe stad had beschonken. Zoo te Bremen, zoo ook te Maagdenburg. Naarmate 
de steden zelf hun vrijheid op den stadheer veroverden, werden de beelden als 
teekenen der stedelijke vrijheden aangezien, vonden als zoodanig navolging in 
vele Saksische steden, in het bijzonder die met Maagdenburger recht, en werden, 
terwijl men Otto I snood vei^at, weldra voor Karel de Groote later voor 
diens paladijn Roland aangezien. Tot de laatste naamswijziging zou hebben 
bijgedragen, dat de Duitschers op de tochten naar Italié in de 12^ eeuw in de 
kerken van Lombardije, o.a. te Verona, beelden hadden leeren kennen, die Roland 
voorstelden, en zeer veel op de Noordduitsche koningsbeelden geleken. 

Sello's verklaring rust niet op bijzonder soliede gronden. Haar kracht 
ligt in het punt van uitgang : de Bremer Roland geldt reeds in de Middeleeuwen 
als symbool der stedelijke vrijheid. Maar de verdere opbouw is wankel. Daar- 
gelaten dat het niet al te best strookt met wat wij weten omtrent de kunstge- 
schiedenis van Noord-Duitschland, om aan te nemen, dat de aartsbisschoppen 
van Bremen en Maagdenburg in de 10" eeuw standbeelden zouden hebben op- 
gericht voor Otto I, is het type der Rolandsbeelden voor de verklaring als 
koningsbeelden niet gunstig. De kroon, die steeds de middeleeuwsche konings- 
beelden kenteekent, ontt^reekt bij alle oudere Rolanden, evenals schepter, rijks- 
appel of vaan. 

De belangrijke verdiensten van Sello liggen dan ook naar het algemeen e 
oordeel meer in de zorgvuldige kritische verzameling en schifting van het bron- 
nenmateriaal, in het vaststellen van herkomst, authenticiteit en ouderdom der 
beelden, dan in zijn eigen hypothese. 

Het gewichtigste argument voor het vaststellen van den ouderdomstermijn 
vond Sello in een plaats van de Magdeburger Schöppenchronik, die op het 
jaar 1278 voor het eerst melding maakt van het Rolandsspel, dat later in ver- 
schillende streken van Noord-Duitschland voorkomt: het rijden en steken naar 



1) Der Roland su Bremen. 

^ In Z404 op last van den Raad weer opgericht, nadat het oude in 1366 was vernield. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 168 

een houten pop, waarover straks nader. Sello vermoeddei dat men den naam 
Roland van het beeld op de markt spottenderwijs op die speelpop had over- 
gedragen, en vond daarin het bewijs^ dat de marktbeelden reeds in de 13^ eeuw 
Roland genoemd werden ^). 

Door deze verhouding van marktbeeld en speelpop om te draaien, heeft 
nu Heldbiann een geheel nieuwe verklaring van het probleem, tot nu toe de 
laatste, gevonden, die hij met evenveel eigen zekerheid als kennis en scherp- 
zinnigheid verdedigt. 

In de meeste oudere Rolandplaatsen is een houten Roland aan den lateren 
steenen voorafgegaan. Welnu, zegt Heldmann, die oude houten Rolanden 
waren niets anders dan de houten poppen, die voor het Rolandsspel dienden. 
Het is het spel, dat in het Middelnederlandsch Quinteine heet*). In zijn meest 
ontwikkelden vorm is het aldus : jonge lieden rijden met gevelde lans tegen een 
draaibare houten figuur, die in de eene hand een schild met een ring of iets 
dergelijks draagt, in de andere een zak met asch of meel, of een los bevestigden 
knuppel. Het is er om te doen den ring er uit te steken en tegelijk de asch- 
of meelzak of den knuppel te ontgaan. Dit spel werd door het stadsbestuur 
zelf in eere gehouden, en verheugde zich in groote belangstelling; de speelpoppen 
stonden op de markt en werden nu en dan van stadswege vernieuwd of op- 
geschilderd. 

De overgang nu van speelpop tot symbool van stadsvrijheid of hoog- 
gerecht is volgens Heldmann in Bremen te zoeken. De oude houten Roland 
was in 1366 verbrand. Omstreeks 1400 was Bremen er op uit, met allerlei 
middelen zich de suprematie in de Hanze te verzekeren, bij voorbeeld door een 
reeks van oorkondenvervalschingen, waaraan de burgemeester JOHAN Hemeling 
de voornaamste schuldige moet zijn geweest. Hij zou o. a. in een Bremer stads- 
kroniek verschillende plaatsen hebben geïnterpoleerd, waar van den Roland 
wordt gesproken in verband met een vervalschten vrijheidsbrief van Hendrik V 
uit II II, en tot staving van Bremen's aanspraken zou het dezelfde Hemeling 
zijn geweest, die in 1404 een nieuwen kolossalen Roland, na dezen behendig 
als symbool der stedelijke vrijheid te hebben geïnterpreteerd, heeft doen oprichten. 
Andere steden zouden voor en na Bremen's voorbeeld hebben gevolgd en hun 
houten spel-Rolanden door steenen figuren hebben vervangen, die dan hier als 
symbool der stadsvrijheid, daar van het hooggerecht werden aangezien. 

Heldmann's uiteenzetting van de Bremer vervalschingskwestie is uiterst 



1) Der Roland m Bremen, 8. xa ft. — Sbllo's pogingen, het voorkomen der beelden reeds Sn de xse 
eenw te bewQsen, worden door Ribtschbl mUlnkt geacht, Hist. Zeitschr. 89, S. 459. 
^ Zie het artikel Quinteine in het Mnl. Wdb. 



164 EEN WESTFRIESOHE ROLAND. 

scherpzinnig, en de verklaring, die hij daarmee gegeven heeft van het feit, dat de 
Roland van Bremen sedert de 1 5e eeuw als symbool der stedelijke vrijheid geldt, 
wordt algemeen als zeer gelukkig beoordeeld. Ik ga daarop niet verder in. ') 
Het bewijs evenwel, dat de voormalige Rolanden niets anders zijn geweest dan 
poppen voor het steekspel is daarmee in 't minst niet verder gebracht. Het blijft 
ontbreken, tenzij men een snuggeren inval mocht toejuicheni die thans ook den 
naam Roland als 'rollend^ van lat rotulare, weet te verklaren. *) — Heldmann's 
opvatting is door velen hoofdschuddend ontvangen ; Sello, RiETSCHEL, SCHRÖDER 
en Keutgen verwerpen haar*), ook nadat Heldmann in een nieuw geschrift 
zijn bestrijders heeft te woord gestaan, terwijl Gratama, Beyerle en Heck 
haar niet onaannemelijk achtten.*) 

De bedenkingen van Schröder en Rietschel, naar mijn oordeel over- 
tuigend, betreffen beide de psychologische onmogelijkheid, zich de toedracht zóo 
voor te stellen, als Heldmann wil. Tot in de 14^ eeuw heeft men lustig Roland 
gespeeld. Het spel raakt uit de mode, de houten poppen verkwijnen, totdat 
plotseling een Bremer politicus op den inval komt, ze te verheffen tot symbolen 
van wat de stad het allermeest ter harte ging, haar vrijheid. En al de andere 
steden vinden die metamorphose zoo kostelijk, dat ze zich haasten, haar na te 
volgen! — Z,oo begrijpelijk het is, wanneer wij een ernstig rechtssymbool geparo- 
dieerd zien, zoo ondenkbaar is zulk een overdracht. SCHRöDER vraagt met een 
geestige vergelijking, of dan iemand er aan denken zou, de houten duif, waarop 
in zijn Pommersch geboortestadje in 2djn jeugd nog werd geschoten, thans, nu ze 
uitgediend heeft, tot rijk^adelaar te verheffen. 

Bovendien, de speelpoppen werden slechts tijdelijk opgesteld, volstrekt 
niet altijd op de markt, en na de feestelijkheid opgeborgen. En het type der 
Rolandsbeelden klopt er slecht mee: juist het zwaard kan de spel-Roland be- 
zwaarlijk gedragen hebben, en de pop had natuurlijk uitgestrekte armen. En 
eindelijk: als de spel-figuur primair was, zou dan de naam Roland te begrijpen 
zijn ? Zulk een pop heet Turk of Saraceen (zooals in de Quinteine inderdaad 
voorkomt), maar niet naar Karel's roemrijksten hdd, den bestrijder der onge- 
loovigen. Om het alweer, nu met Rietschel, over te brengen in onzen tijd: 



1) Men de Hildmahn's Die Rolandsbilder Deutschlands, S. 98^x70; rerder Ph. H£0K, DieRolands- 
ttelle des Bremer Heinridanums, Hist. Yierteljabrschrift 9, (1906), S. 125, 305 ; Gsatama, Museum za, 440. 

8} JosTBS, Roland in Schimpf und Ernst, aangehaald door Ristschbl, Hist Vierteljahrscfarift. 8, S. 
87 ; 9, 8. 537. — Hbldmann zelf aanvaardt die etymologie niet. 

8) Sello, Vindidae Rulandi Bremensis; Rietsohbl, Hist. Vierteljahrsdirift, 8, S. 86; 9,8.535; 
Hbldmanh, Rolandsspielfiguren, Riditerbilder oder Königsbilder, Halle 1905; Bohrödbr, Zdtsdirift der 
Savigny-Stiftung 27, S. 457; Kbutgbh, Literatnrblatt fftr germ. und rom. Philologie Z905, 8. 355, 

4) Gratama, Museum ia, 440; Bbtbrlb, Zs. der Savigny-Stiftung 25, 8. 393; Hbck, Hist. ViertdJ. 

9* S. laS. 305* 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 165 

zoo*n mikpunt heet Napoleon maar geen Moltke of Blücher. De naam Rolands- 
spd is slechts te begrijpen, wanneer men aanneemt, dat er reeds ernstige Rolands- 
beelden bestonden, en dat de pop, wegens zekere gelijkenis daarvan, spottenderwijs 
dien naam kreeg. 



BCaar nu onze Westfriesche Roland. Hij is volstrekt niet pas aan 't licht ge- 
komen, doch voor zoover ik heb kunnen nagaan, heeft hij niet tot bijzondere opmer- 
kingen aanleiding gegeven. Bij Pols, Westfriesche Stadrechien !) tweede deel, 
blz. 399, lezen wij onder de keuren, door schout en schepenen van Burghom 
gemaakt, 'tot nutscappen van den gemeene lande van Borchorn' in 1505, als 
artikel 4: 

yltem so waer twee vrouwen kijven ende lelijcke hoeraefleche (lees : hoer- 
aefteghe) woorden geven, die verbeuren elx x se., off sy sullen twee uren aen 
Roelant staen op eenen rechtdach, ende dan malcander vergiffenisse bidden, off 
ten waer saeck dat den rechter docht, dat men se swaerlicke corrigeren soude". 

Daar hebben wCi dus den Roland, en wel zonder eenigen twijfel als kaak, 
in nauw verband met de rechtspraak derhalve. Een reeks van vragen knoopt 
zich aan deze plaats vast In de allereerste plaats: is de lezing onbetwijfelbaar ? 
De keuren van Burghorn zijn uitgegeven naar een Memoriaalboek behoorende 
tot het archief van den polder Burghorn, thans berustende onder den Provin- 
cialen archivaris van Noord-Holland te Haarlem. Dit Memoriaal bevat afschriften 
van de handvesten, keuren en andere stukken, deels naar de origineele charters, 
deels naar destijds nog bestaande oude registers of keurboeken, op 22 Februari 
1622 door den notaris W. ƒ. VAN SCHOTERBQSCH gecollationeerd en accoord 
bevonden. Pols gebruikte echter voor de uitgave niet het Memoriaalboek zelf, 
maar een nauwkeurig afschrift, door Mr. G. DE Vries Az. genomen. — Door de 
welwillendheid van den Heer GONNET, die het Memoriaalboek naar het Archief 
te Groningen zond, heb ik mij van de juistheid der lezing „aen Roelant* * 
kunnen overtuigen (op blz. 25 van het Memoriaalboek). Die waarborg is vol- 
doende, want het is ondenkbaar, dat een zoo zinrijke en onverwachte lezing door 
den afschrijver der oude keuren zou zijn verzonnen. 

De tweede vraag, die zich voordoet, is: ontleende Burghom deze keur 
en daarmede wellicht ook den Roland aan een andere Westfriesche stad? — De 
Westfriesche steden, zegt POLS, *) schijnen na het bekomen van stadrecht dadelijk 



1) Werken der Vereen, tot uitg. der bronnen van het Oode Vadeilandiche Recht, eerste reeks No. 7, 
i888| ae deel 1885. 

t) t. a. p. U, bL vu. 

OudrHolland 1907. , 22 



166 EEN WESTFRIESCHE ROLAND 

keurboeken te hebben aangelegd, grootendeels of geheel geput uit de keuren van 
een oudere stad. Hoorn, Enkhuizen, Grrootebroek en Schellinkhout schijnen daarbij 
onmiddellijk uit de keuren van Medemblik te hebben geput, de andere steden 
ontleenen haar oudste keuren alle aan Schellinkhout. Die van Medemblik echter, 
in zekeren zin de grondvoorraad van Westfriesche stadskeuren, zijn niet bewaard. 
De keuren van Burghor n, de allerjongste Westfriesche stadstichting, zijn dan ook 
in hoofdzaak aan de naburige plaatsen ontleend, hoewel met meer wijziging dan 
gewoonlijk. Het artikel omtrent kijvende vrouwen wordt aangetroffen te Hoorn, 
Enkhuizen en Grootebroek. Het luidt aldaar: 

Hoorn, Oud Keurboek, no. 2$*): „Item waer twee wiven scelden, diever* 
bueren elc tien scelling of den stien te draghen, ter goeder waerheit" 

Nieuw Keurboek, no. 58 •) : y^Item daer twie vrouwepersonen kyven, 
elcx sal verbueren thien stuvers of daervoer die stien draghen, tot discretie van 
schepenen." 

Enkhuizen, no. 19 J) : „Waer twie wyvcn sceelen (ander hs. scelden) die 
verhoren elc tien scelling of den stien te draghen." 

Grootebroek, no. 12 *): „Oeck so waer twie vrouwen kijven, die verbueren 
heerlick den stien té draghen of X scelling." 

Een overeenkomst in de strafbepaling *) derhalve, die het waarschijnlijk 
maakt, dat het artikel reeds in de Medembliksche keuren voorkwam, maar nergens 
een spoor van den Roland. Ook elders mocht ik zulk een spoor niet ontdekken ; 
de Roland van Burghorn blijft voorloopig een volkomen geïsoleerde verschijning. 

Zoodoende rijst als derde vraag: Wat was dat Burghom, dat zulk een 
Duitsch rechtssymbool moet hebben bezeten? — Het antwoord op die vraag doet 
het feit, dat juist hier de Roland opduikt, slechts te zonderlinger uitkomen: 
Burghorn is naar allen schijn nooit meer geweest dan een klein poldertje met 
een gehucht van ongeveer acht huizen en dertig inwoners. 

Tusschen de Zijpe ten Noord-Westen en de Schagerwaard, die met de naburige 
meertjes de Noordelijke voortzetting vormde van deHeerHugowaard, ten Zuid-Oosten 
verbond de smalle strook lands, waar Sint Maarten en Valkkoog liggen. Geest- 
merambacht met de Schager en Niedorper koggen. Een zeer belangrijk punt was 
het: de eenige toegangsweg te land van Kennemerland naar Westfriesland *), bij 



1) t a. p., bl. 24. 

5) ib.. bl. 84. 
t) ib., bl. Z96. 
4) ib., bU 240. 

6) Over de itraf van het steenen dragen zie men Bijdragen voor Vad. Qesch., Nieuwe reeks, II bl. 
aii ; Tgl. Rechtsbronnen van Utrecht, I bl. 47S; Friescbe Stadrechten, 37, 96. 

9) Behoudens de enkele dijk, die tusschen Alkmaar en Ursem de Waard van de Schermer scheidde, 
en bij Oterleek gemakkelijk door de West-Friecen kon worden afgesloten. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 1«7 

den Zuidelijken hoek van de Zijpe door den Eenigenburg beschermd. Het was 
naar alle waarschijnlijkheid dit land, dat Dirk II aan het klooster te Egmond 
had geschonken. Nadat het geweld der zeevloeden er de dijken had verwoest en 
het land gedurende vele jaren vernield (annihilata) had gelegen, moet het kort 
vóór 1250 door abt Lubbert opnieuw met groote kosten zijn bedijkt^), en 
sedert draagt het den naam het Nieuweland van St. Maarten. Bij die nieuwe 
bedijking schijnt, naar de onderstelling van Mr. G. DE Vries Az., door een 
inlaag, die den Westfrieschen zeedijk langs de Zijpe benoorden Valkkoog een 
kromming naar het Z.O. deed maken, een stuk land van omtrent 300 morgen 
tusschen St. Maarten en Schagen te zijn buitengedijkt en aan de Zijpe prijsge- 
geven, die daar voortaan dus een inham vormde. 

Die inham is thans de polder Burghorn. Op 2 Maart 1456 verleende 
hertog Philips van BouRGONDië aan Willem van Schagen, bastaard van 
hertog Albrecht, op diens verzoek octrooi om te mogen bedijken „eenen ham 
off hoeck slijcklants buyten den voorsz. Vriesendijck binnen Gheestmanambochte 
dijckaedse, streckende al langes der heerlijkheyt van Schagen ende den ban van 
de Nieulandt, groit wesende omtrent driehondert mergen, als van sinte Martins- 
kercke int voorsz. Nieulandt affgaende rechtuut tot Burchhorn." ') Daarbij werd 
den Heer van Schagen de heerlijkheid over het nieuw te winnen land geschonken, 
ter vermeerdering van zijn heerlijkheid van Schagen. Volgens twee extracten, 
een uit een geschreven miasaal in de parochiekerk te Schagen, een ander uit een 
dito te St. Maartenskerk werd met de bedijking in 1462 begonnen. ') Het schijnt, 
dat het werk 10 Februari 1463 voltooid was; althans toen had de Schagerdam 
zijn functie van zeedijk reeds verloren, blijkens het privilegie, op dien datum 
door Heer Willem gegeven, omtrent een sluisje, door hem in den voormaligen 
zeedijk gelegd, waardoor de polder Burghorn voortaan in de Schagerkogge 
uitwaterde. *) 

De nieuwe polder kwam te liggen op de grens van het gebied, dat door 
de groote bestuursorganisatie van Willem VI in de jaren 1408 tot 141 5 in zulk 
een buitengewonen toestand was gebracht: de groepsgewijze vereeniging der 
Westfriesche dorpen onder stadrecht. Op de grens, want juist het Noordelijk 



1) Van den Bbrgh, Oorkb. v. HoU. en Zeel. I No. 533 ; G. DB Vries Azn., De Kaart van Hollands 
Noorderkwartier in 1288, Verh. Kon. Akad. III, 1865, bl. 23 vg. 

>) Pols, t. a. p. I bl. zo6. Burghom heette dus de noordhoek van den inham, waarschijnlijk naar den 
Eenigenburg. 

t) Mem. Tan Burghom, bl. 62; Pols, t. a. p., I bl. izii. 

*) Inventaris van het Archief van Schagen, Kronyk van het Historisch Genootschap XIII bl. 244. Vgl. 
G. DE Vries Azn., Het Dijks- en Molenbestuur in HoUand's Noorderkwartier, Verh* Kon. Akad. Z, 1876, 
bL 557. 

22» 



106 EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 

dcd van Geestmerambacht met YaDckoog en Sint Maarten was van die r^eling 
m^esloten geUeven* ^) Wat Schagen betreft, waarmee Burgbcmi door zijn heer 
in nauwe relatie kwam te staan, op 12 Mei 1415 was het door WnxEM VI als 
een der vier steden van Niedorperambacht met poortrecht begiftigd % maar ver- 
.beurde dat met bijna alle Westfriesche steden wegens deelname aan den grooten 
opstand der Kennemers in 1426 door het vonnis van den hertog van Bourgondie 
van 13 Augustus 1426. *) Een nieuwe politiek werd thans gevolgd : Philips van 
BouRGONDiE vestigde in het Westfriesche gebied een aantal heerlijkheden, waar- 
mee de aanvoerders, die zich verdienstelijk hadden gemaakt in het weerstaan van 
den opstand, en de bastaards van Beieren werden beschonken : Willem van 
Beieren, bastaard van Holland, admiraal van Holland en kastelein van Medem- 
bliky kreeg in 1427 de heerlijkheid Schagen met die van Barsingerhom, Haring- 
huizen, G>lhom en Keinze. Op 6 Augustus 1427 verleende de nieuwe heer opnieuw 
stadrecht aan Schagen, Barsingerhom en Haringhuizen; ^) de handvesten berusten 
evenals de vroegere op het stadrecht van Medemblik, dat is indirect op dat van 
Haarlem. Gaandeweg kr^en ook de andere Westfriesche steden hun stadrecht 
opnieuw: Hoogwoude^ dat als heerlijkheid aan Eduard den bastaard was ver- 
leend, in 1450. *) 

Inmiddels had Willem van Schagen de hem verleende heerlijkheid over 
het nieuw te bedijken gebied aan zijn jongeren zoon Willem gegeven, die er 
waarschijnlijk nog vóór den aanvang der bedijking, in 1462, een handvest aan 
verleende, overgenomen van die van Hoogwoude^. Het eerste artikel luidt: 

^In den eersten so sullen die van Burchome wesen onder een poirtrecht, 
ende sal wesen een stede genoemt Burchhom, ende sy sullen in den saken van 
der stede gebruyken een nieuwe zegel, dat sy doen sullen maken off sijs te doen 
hadden/' — Uit ^32 die rijcxste poorteren van der stede voorsz.", die drie jaar 
poorters waren geweest en ook te Burghom hadden gewoond en schot en ongeld 
betaald, zou de heer jaarlijks op Nieu^aarsdag vijf schepenen zetten. Maar er 
zijn waarschijnlijk nooit 32 poorters, laat staan rijke, in de stad Burghom geweest. 
In 1477 ^ordt den heer van Burghom vergund, om schepenen te kiezen uit twee 
of drie der naaste dorpen, omdat in Burghora niet genoeg geschikte personen te 



i) Pols, t a. p. I, bL XIX. 

S) Pols, t. a. p. I, bL XIX, 36. 

s) HandTetten van Haarlem, bL 83. - Op za April daaFaan?ooiafgaaiide had Jacoba aan die Yan Schagen 
op hon belofte ran bestand, Termeerdering van hon voorrechten beloofd; Kronyk v.luHist.Qen. XIII,bLa43. 

*) Pols, t a. p. I bU XXYIII, 47; Schoosbl, Chronyk ran Schagen, bL 58. 

S) ib. bL 67. 

«) Sb. bl. zxx. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 169 

vinden zijn. ^) Deze bepaling wordt ook opgenomen in de handvest; waannee 
Jan van Schagen, die 14 Augustus 1475 de heerlijlcfaeid verwierf, in 1489 de voor- 
rechten van 1462 hetzij verving of uitbreidde : ^Item ende om dies willen dat, 
onse vryheyt ende heerlickheit van Burchom noch qualyken bewoont wesende, 
luttel ondersaten daer binnen geseten sijn, so sullen onse gesworen ende oock 
onse uutpoorters also wel scepenen ende in onsen gerechte mogen wesen, indien 
sy bij ons dairtoe gecoren worden als voorsz. is, als die binnen onse vryhes^t 
ende beerlickheyt van Burchom woonachtig ende geseten sijn".*) 

Er is geen aanw^zing, dat het ooit veel voorspoediger is geworden, al heb- 
ben schout en schepenen van Burghorn tot in het einde der 18^ eeuw hunne 
functies vervuld. De Enqueste en de Informatie kennen den naam Burghom in 
het geheel niet. In een quohier van 1632 'komt het voor met 9 huizen. *) 

Aan een deftig raadhuis, waarvoor een steenen Roland prijkt, zal hier dus 
wel niet te denken vallen. Burghorn ontleende aan de handvest van Hoogwoude 
ook de bepaling ^Waer men 't recht doen sal'\ ^Item so sal men dat recht 
houden op vijff roeden na den kerckhove tot Burchhom, des sullen die van 
Burchhora aldair doen maken een huijs dair men die vierschaer in houden sal".*) 
— Of dat huis werkelijk is gebouwd ? Een kerk schijnt Burghom in het heg^ der 
i6de eeuw bezeten te hebben, hoewel daarvan noch bij VAN Heussen, noch in 
de Taxatielijst der Proosdij van Westfrisia van 1 509 iets wordt vermeld. *) Op 
26 November 1507 maken Jan van Schagen en de schepenen met eenige poorters 
van Burghorn een dotatie ten behoeve van de cure en de pastorie van Burghom, 
die toen van die van Schagen schijnt te zijn gescheiden, aangezien de schenkers 
tevens beloven, den pastoor van Schagen voortaan te zullen betalen „twie gouden 
hartoch Phlips gulden off paijment dier waerde voir d'offsnijdinge van de cure 
voorsz." *) De kerk stond er blijkbaar reeds, want terwijl het stuk de belofte bevat, 
^te doen maken tot onsen costen een eerlyck Priesterhuys tot behoeff des cures (sic) 
ende pastoirs voorsz.'*, wordt van de kerk gesproken in dezer voege :onder de lande- 
rijen, die Jan van Schagen schenkt is ^een gars lants in die vier ackeren omtrent 
die noortsijdt van de selve kercke van Burchom gelegen''.^) Een kerk, die nog gebouwd 
moet worden, gebruikt men toch niet, om een belending aan te wijzen. Ook de 
keuren van 1505 spreken in verschillende artikelen van een blijkbaar bestaande kerk. 



1) Archief ran de Heeren en de Heeriykheid van Schagen, Verslagen omtrent 's RQks oude Archieven 
XXV bl. Z79, 307; ook reeds vermeld Kronyk v. h. Hist. Gen^ IX, bL 41 z. 

t) Pols, t a. p. I bL zz6. 

t) Dtbk BmtGKS TAN ScHOORKL, Chronyk van de stad Medemblik, Z736, bl. z8i. 

4) Mem. van Borghom, bL za. 

6) Bronnen voor de G^hiedenis der KerkelQke Rechtspraak in het bisdom Utrecht in de Middeleeawen, 
nitg. door Mr. J. O, C. Joostdig en Mr. S. Mullks Hzn., I bL 393 (O. V. Rb. se reeks VUL) 

€) Mem. van Borghom, bL 87. 1) ib. « 



170 EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 

Het blijft wat vreemd : de kerk heeft, naar 't schijnt, niemand later weei^ezien, 
en of ooit het priesterhuis, waarvan de dotatie spreekt, en het rechthuis, dat de hand- 
vest van 1462 voorspelt, werkelijk zijn verrezen ? ik srcht het hoogst onwaarschijnlijk. 

De gegevens, die men voor de vraag: wat was de gedaante en de plaats 
van dien Roland, uit de plaatselijke gesteldheid van Burghorn afleiden kan, zijn 
van louter negatieven aard. Zelfs zou ik niet al te stellig durven beweren, dat 
het inderdaad een menschelijke figuur is geweest, en niet eenvoudig een kaak 
of schandpaal van het gewone model. Tweemaal toch wordt in de handvest van 
Burghorn van 1489 de kaak genoemd, zonder dat er van Roelant sprake is: 
art 41: „... so wie eenen quaden eedt sweert ende daeroff betuycht wort mit 
twee tuygen, die sal ons gelden X pont, ofThy sal drie dagen aen een een uur lanck 
op die kake staen enz." ^); art. 63 : „ . . . men sal denselven eer-, seker- ende trouwelose 
persoon by onsen scout ende gerechte corrigeren, op een kaek te stellen ende 
anders, nae gelegentheyt van de saicke ende na den beschreven rechte."*) 

Misschien vindt men daaromtrent nog een zijdelingsche opheldering in het 
volgende feit. In sommige Westfriesche steden wordt de kaak aangeduid met 
de benaming de Potboef. De Chronyk van ae vermaarde Zee en Koopstad Hoorn 
van Feiken Rijp (1706) vertelt"), hoe te Hoorn in 1673 een opstootje plaats 
had van ruiters daar in garnizoen tegen matrozen. Als belhamel zou een der 
ruiters voorbeeldig worden gestraft. „Dese knaap dan wierd gevonnist, om een 
sekere tijd aan de schandpaal te pronk te staan, welke schandpaal geplaast was 
digt bij het stadhuys, aan de sijde van de kaak, of so genaamde Pot-boeff." En 
Dirk Burger van SchoOREL verhaalt in zijn Chronyk van Medenblik *) op het 
jaar 1710: ^Den 2 October hebben die van ïwisk, Opperdoes en Medenblik, 
een partij van 30 a 40 stuks Heydens, zoo oude als jonge, tot Abbekerk ge- 
bragt, dewelke daar in 't gat wierde gezet, ende den volgende dag zijnde den 
3 October, wierden 'er 4 a 5 aan de Potboef gezet, en met modder gegooyt, en 
doen altemaal uytgebannen, behalven een Mans Perzoon, dewelke sat tot den 
6 October, en wierd doen meede aan de Potboef gezet, en met modder gegooyt, 
en voor 25 jaar gebannen". •) 



1) Pols, t. a. p. I bl. 136. s) ib. bl. 132. 

t) bl. 337. De soldaat verkoos den dood boven de schandpaal, en werd gefusilleerd. 

*) bl 347. 

6) De stad Abbekerk was in 14x4 gevormd uit de dorpen Abbekerk, Twisk, Midwoude en een dee 
van Lambertskage. De handvest van 1414 vermtldt: ,,Ende dat recht sal men besitten in den prochien van 
Abbenkerck op vijf ende twintich roede na den kerchove" (P0L8, I bU 33.) Daar stond in de i8e eeuw 
*t gemeene Raadhuis, waar men dus de kaak te soeken heeft (Tegenw. Staat van Holland, V bl. 459.) — Bij 
hun heidenjacht handelden de burgers naar een keur van 1531: „waer 't zaacke dat er eenige overlast van 
boeven ende rabouwen ofte anders quam, ende die docke geklept worde, dat alle man elk in sijn dorp 
malkanderen bijstaan moeten, aldaar zij het geruchte hooren, op een boete van III pont" (Pols, II bl. 383). 



EEN WESTPRIESCHE ROLAND. 171 

De Potbocf. 't Is wel heel wat anders dan Karel's paladijn. KlLIAAN 
zegt: „potboeve-Nebulo vagus et validus, encaenia et festa genialia passim con- 
sectans : a liguriendis oUis sive poculis dictus." ^) Moet het ons wellicht in 
verband met den Roland van Burghorn aan een kaak in de gedaante van een 
mcnschelijke figuur, in West-Friesland gebruikelijk, doen denken ? Wie lust heeft, 
mag ja zeggen, en zich zelfs voorstellen, dat die pot boeven van Hoorn en Abbe- 
kerk eertijds ook Roelant hebben ^eheeten. Voorzichtiger schijnt het mij, zich 
van zulke gissingen te onthouden. 

Waar al de vorige vragen ons reeds tot zulke povere uitkomsten leidden, 
daar blijft de belangrijkste vraag: hoe is Burghorn aan zijn Roland gekomen? 
natuurlijk geheel zonder bevredigend antwoord. Een toevallige importatie uit 
Duitschland schijnt mij het aannemelijkst. Maar hoe? De Wittelsbachsche her- 
komst der Schagen's kan het ons niet verklaren. Hun vrouwen zijn inde 15* eeuw 
alle uit den Hollandschen adel : Hodenpyl, BOEKHORST, SwiETEN, enz. •) — Was 
het Hoorn of Enkhuizen, waar wij den Roland aantroffen, dan lag de veronder- 
stelling voor de hand, dat een of ander varensgast van Duitsche reizen den naam, 
misschien ook de zaak, had ingevoerd. Had de brave schoolmeester Valcooch 
ons in zijn wonderlijke Chronyk van dé Zijpe maar wat van zijn fantazie gespaard 
voor een korte opheldering ! 

Zoo zou ik tenslotte als positieve uitkomst van dit onderzoek geen ander 

weten te noemen dan dat Heldmann's bewering, dat de benaming, ^^Rolanden'^ 

voor schandpalen of kaken eerst aan de geleerde litteratuur der laatst verloopen 

eeuwen te danken is •), er ten stelligste door wordt ontzenuwd, en RiETSCHEL'S 

e rklaring er zoodoende een indirecten steun door verwerft. *) 

Voor de volledigheid dient hier ook nog even de Roland van Amsterdam 
besproken te worden. In tegenstelling met dien van Burghom, ons enkel bij 
name overgeleverd, bezitten wij van hem beschrijvingen en afbeeldingen. 
Toch kan hij mijns inziens veel minder op authenticiteit aanspraak maken. *) 

Onze berichtgevers zijn : Wagenaar in zijn Amsterdam •), Le Francq 



1) Etymologicnm, i. v., met* een paar bew^splaatsen in de noot. Vgl. Mnl. Woordenboek i.v.Potridder. 

S) Van Leeuwen, Batavia illustrata, 1078. 

>) Die Rolandsbilder Deutschlands, 8. 32. 

^ Hierbij cij nog gewezen op hetgeen Van Oosten de Brutn omtrent het opgerichte zwaard in het 
Haarlemsche wapen opmerkt : ,,Zoo geloof ik, dat 't zwaard in ons stads wapenschild, van d'oudste Hollandse 
Gtaaven afkomstig, en daarin gesteld is ten teken van 't Hooge Oraafl^ke Rechts-gebied, 't welk binnen 
deeze Stad, in oude tijden, allermeest, immers over geheel Kennemerland geoefend is." De stad Haarlem en 
haare Geschiedenissen| 1765, bl. 47. Hij zegt verder, dat ScHEBVSUUSy Harlemnm p. 8 dit ook als 
gevoelen van Boxhorn aanhaalt. 

*) Het Beiblatt znr Magdeburger Zeitung, 1890, No. 9—19, waar Sillo ook den Amsterdamschen 
Roland moet hebben besproken, was mQ niet toegankelijk. 

^ Jan Wagenaak, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen ens., Tweede stnk, 1765, bL 4x4. 



172 EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 

Berkhey in zijn Nafuiêrlijkê HistorU van HolUmd^) en 'de Naamloosiana.^ Het 
laatste geschriftje geeft een afbeelding (door C. Philips JacobsZi 1772) ook 
BëRKHEYi maar deze heel klein en schetsachtig. Wij vernemen dan, dat er in 
de i8e eeuw een oud beeld, in de wandeling Steenen Roeland genaamd» stond 
aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal tegenover de Koll^ in de stoep van het vierde 
huis van de Pottebakkersste^. Een zeer fraaie teekening van het huis, waarop 
te zien is, hoe de Steenen Roeland er vóór stond, werd door den Heer Moes 
teruggevonden in den Atlas van den Heer R. W. P. DE Vries. Zij is van Gerrit 
Labiberts, die er achterop schreef: ,,de Steene Roeland gestaan hebbende voor 
een huis op de N. Z. Voorburgwal over de Kolk, weggebroken in dfi. 1774- G. 
Lamberts 18 16 na eene oude afbeelding." Het huis draagt het jaartal 162 1 
in den gevel. Volgens Wagenaar heet het huis reeds in de oudste opdrachtbrieven 
(hoe oud, vermeldt hij niet) van ouds Steenen Roeland. Het beeld was in kleuren 
beschilderd, maar zeer gehavend, erger dan de afbeelding van Philips weergeeft, 
zooals het Vertoog in de Naamloosiana zelf z^[t De voeten stonden in den grond, 
zegt Berkhey, wiens afbeelding dat ook aangeeft; de handen ontbraken. Dege- 
heele lengte^ de voeten erbij geraamd, bedroeg omt|%nt zts voet. 

De afbeeldingen laten mij dunkt door de kleederdracht weinig twijfel, of 
wij hebben te doen met een beeld uit de eerste helft der 16^ eeuw : men zie 
slechts de baret, de geplooide rok, de hozen. In de breede schouderbedekking 
zien Wagenaar en Berkhey een pantser, de Naamloosiana een wammes met 
korte wijde mouwen, zooals de Markers dragen (wat mij waarschijnlijker lijkt). 

Het merkwaardigste is wel, dat het beeld volgens Wagenaar en Bfrkhey, 
yfio V schijnt^ eertijds een opgeheeven zwaard in de hand gehad** heeft, en dat het 
voor de borst een schild^ waarop een staand kruis van eigenaardigen vorm draagt, 
gelijk de afbeelding in de Naamloosxana duidelijk doet zien. 

Twee jaar nadat Philips hem afbeeldde, is Steenen Roeland verdwenen: op 
4 Januari 1774 werd hij, ^zeer beschadigd zijnde, dobr tijd en ouderdom" op 
last van burgemeesteren door stadswerklieden weggenomen *). 

Hoe hebben wij dezen Am^erdamschen Roland op te vatten ? Wagenaar 
kent reeds de geleerde verklaring, die in de Duitsche Rolandsbeelden de teekenen 
van een vrije markt ziet, en past die ook op dezen toe. ^) Men placht, z^ hij, 



1) 1. LS FSANCQ VAN BiSKHBT, NatanrlQke Historie van HoUmnd, Derde deel, eerste stuk, 1776 

bl. 488 Tg. 

t) De Naamloosiaiia of Vertoog sonder naam over vraagen sonder vinding, te Amstddam by CPhojfs 

j. X. 1772, bl. 309—320. 

1^ Amsterdam in sQne geschiedenissen, ten vervolge op Jan Wagbkias, Z788, op 1774. 

1) Hij citeert daarvoor de noten by Btkutu, Corp. Hist. Germ. per. IV. Sect. x p. za4, en by Eginhard's, 
Vita Caroli, cap. 9, p. SS, edit. Schminkü. 



EEN WESTFRIESCHE ROLAND. 178 

van de bijzondere vorstelijke bescherming voor de markten kennis te geven door 
het oprichten van marktkniisen, in Duitschland van houten of steenen gewapende 
beelden, Roelands beelden genaamd; ook dien van den Nieuwe Zijds Voorburgwal 
acht hij tot dat doel opgericht Ter bevestiging tracht hij te bewijzen, dat aldaar 
eertijds werkelijk markt is gehouden. De Naamlooziana volgt hem daarin en 
betoogt verder, dat het stadhuis eenmaal op de Kolk zou hebben gestaan. Berk- 
HEY, hoewel hij Wagenaar aanhaalt, acht het beeld in de achtste eeuw ter ge- 
dachtenis aan Roland opgericht I 

Dat de Amsterdamsche Roland inderdaad eenmaal het officieel ka- 
rakter van zijn Duitsche verwanten zou hebben bezeten, 't zij dan markt- of 
gerechtssymbool, schijnt mij zeer onaannemelijk. Wagenaar's betoog, dat 
de plaats, waar hij stond, eertijds marktplaats zou zijn geweest, wordt door 
Ter Gouw verworpen '), Indien werkelijk, zooals oude Amsterdammers be- 
weerden, vroeger nog twee andere Roelant's op andere plaatsen binnen Amsterdam 
hebben gestaan *), wordt de kans nog geringer, dat het iets anders zijn geweest 
dan huisbeelden, sieraden. Het waarschijnlijkst is dan wel, dat een of ander 
scheepskapitein den paladijn, dien hij op Duitsche reizen had leeren kennen, in 
de stoep van zijn huis een eereteeken heefb willen stichten. Het schild op de 
borst wijst de herkomst nog duidelijker aan: de Bremer Roland of een zijner 
volgelingen moet hier tot voorbeeld hebben gestrekt.*) 

De bijkans paganistische vereering, die de Bremers aan hun stedelijk 
palladium wijdden, heelt onze Amsterdamsche vriend dan ook stellig nimmer 
genoten; wel een gemeenzame populariteit. In spreekwijzen was hij doorgedrongen: 
^stiene Roeland" noemde men een stijve Klaas of iemand, die van schrik ver- 
steef^); van een waardelooze vordering heette het: ^men zal hem een briefje 
afgeven op steenen Roeland"*), en wie kwalijk uitgeslapen van een nachtelijken 
roes verscheen, kon hooren : ^e hebt te nacht met den steenen Roeland gevochten."*) 



1) Tek Gouw, Amsterdam V, bU 64; Oude Tijd, 187a, bl. 355 vg.; Uithangteekens I, U. 338. 
a) Kok, Amsterdamscbe Jaarboeken, III bl. 451. 

8) Ter Gouw kent te Coevorden een uithangbord van een herberg : ,/» Roeland van BreemeH*\ Uit- 
hangteekens, I bU 338. 

1) AssBLijN, 't Kraambedt enz. ; Wolff en Deken, Willem Lbbtbnd, Oude TQd 1872, 3551 Haree- 

•OMEE, Spreekwooidenboek II bl. 334. 
ft) Haekebomee, t a. p. 
6) Ter Gouw, Uithangteekens, I bl. 338 ; VgL Naamloosiana, bl. 309. 




Oud-Holland 1907. 28 



De Gouverneur-Generaal Hendrik Brouwer. ') 

DOOR 
Mr. J. E. HEERES. 



,Den braren Hbindius Brouwer, 
Dat waa een nobel man, en ook geen Urine klouwer 
Van 't PoTtugeesche TOIk : Hfi was niet tra^, nog atug, 
Maar joeg haar vigüand de vliegen van den rug." 

Gerasd tan Spaan, Opkomst der Oott-Indisekt 

Cempa^MÜ, De tweede druk (Rotterdam, A. Wiujs, 

17 II), blï. 74. 

I. 

IJ beelden ons grootelyks, dat onse ordo's in onse missiven 
I successive gegeven, niet gevolgd worden of ook zelfs niet beant- 
woord. Omrt order moet uw wet en regel zijn, uwe discoursen 
en nededeelingen om mu te dienen van advies en om onse 

orders daarop te verwachten " 

Het waren de Heeren XVII, Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, 
welke dezen toon aansloegen. ■) Tegen wie? De bewoordingen toonen duiddijk, 

t) In de meenlng, dat Hbndbik Brouwbb geiproten wu uit een Lddich rageatengatUcht, bewerkto 
Ik deie lerenMcbeti voor het IMdttk yaartfikji. Oaandeweg ree* bij mij de Tra&g, of de Leldiche Huidkik 
BbOdwsb wel wu de gonTemeur-geaenal nu dien naam en toen mijn artllcel reedi ter pecse wu, bleek mQ 
dnJdelljk de g^roDdhdd nui mijn twiJfeL O&choon de Tonn van dit artikel vooral iogericbt waa roor een 
tijdrage In een lokaal orpun roor geichledenli, had ik toch geen beawaar te voldoen aan het verioek der 
ledactie van Oad-Eollaiui, om de levenibeKhrijviag af ie staan voor dit tljdichrlft. 

>) In een mlulve aan Goaverneui-GeDeraal en Raden (de c.g. Hooge Rageeilng te Batavia) vut 4 
Ociobei 1631. — Te vinden t^ J. K. ƒ. Dl JoaOE, Di Ofiivmtl van ktt Ntdtrla»ittk Gaag mer yava, V (IQ 
bU. XCVI. 



DE GOÜVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 175 

dat het ondergeschikten gold, dienaren, over wie men ontevreden was. En toch, 
zij stonden hoog op de maatschappelijke ladder, de aldus als schooljongens be* 
rispten I Zij bestuurden namens de Compagnie haar koloniale rijk in het Oosten, 
jong nog| maar reeds machtig, nog niet volwassen, maar reeds sterk ; zij werden 
door Oostersche potentaten als hun gelijken behandeld; zij geboden over oorlog 
en vrede; het lot van duizenden hunner bruine broeders was in hunne handen 
neergelegd! Het waren Gouverneur-Generaal en Raden van Nederlandsch-Indie, 
die daar zetelden te Batavia, dat gaande weg hoopte te worden de Koninginne 
van het Oosten. 

Maar hoe hoog ook gezeteld, zij waren de ondergeschikten van de kooplui 
van Holland en Zeeland, die zich immers soms koningen hebben gewaand, al 
vloeide geen koninklijk bloed in hunne aderen. Hunne dienaren waren het, die 
groote mannen op Java's Noorderstrand. En de kooplieden-bewindhebbers der 
Oost-Indische Compagnie durfden tegen hunne dienaren. Vooral als het gold de 
zwakkeren onder dezen. 

Weê hun echter, als deze zich sterk gevoelden ! Heugden hun nog de strie- 
men, waarmede Jan Pieterszoon Coen hunne koopmansruggen, die in zijne 
oogen toen niets vorstelijks hadden, had gestriemd, toen zij naar zijne opvatting 
in de staatkunde zich kruideniers toonden, welke het onaangenaam vonden, dat 
hunne handelstransacties in het Oosten begonnen beheerscht te worden door de 
staatkunde ? Heugde hun nog de tegenstelling, door den Hoornschen burgerjongen 
hun ingeprent, de tegenstelling tusschen wat hij aanzag voor hun leer: ^lUul, ik 
houd er een" en eigen breede opvatting, die een koloniale politiek zich droomde ? 
Hoort wat hij hun schreef — nog kort geleden *), in dagen, dat hem het water 
aan de lippen was gekomen — en wat hun nog lang in de ooren moet hebben 
geklonken : 

^[Wij] syn door d^Engelsen in groote swaricheyt, den handel in confusie 
en UEd. staet in groot peryckel gebracht, doch behouden evenwel grote hope 
dat een goede uytcompste becomen sullen. Watter op volgen wil, sal den tydt 
leeren; d'Almogende come interim d'ellendigen te hulpen en vergeve UEd. haer 

groote onachtsaemheyt lek sweer U by den Allerhoochsten^ dat de Generale 

Comp, geen vyanden heeft , die haer meer hinder en schade doen^ dan (Tonwetend^ 
heid en onbedachtheyt (hout het my ten beste) die onder UEd. regneert en de 
verstandigen overstempt " 

En later'), toen de Engelschen voorloopig waren verdreven, Bantam was 



1) Z4 Januari 1619. BQ Ds Jonge, III, bldz. zzs, v. v. 
i) 5 Avgastus z6z9. Bij Ds JONGB, III, bldc 161, T. t . 

2S* 



176 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

teruggedrongen, Djakatra veroverd en daardoor de plaats voor Batavia vrij 
gemaakt, klonk het opnieuw: 

^In deser voegen hebben wy die van Bantam uyt Jacatra gesls^en, voet 

en dominie in *t landt van Java becomen T'is seecker, dat dese victorie en 

het vluchten van de hoochmoedige Engelssen, door gants Indien een grooten 
schrick maecken sal. D*eere en reputatie van de Nederlantse natie sal hierdoor 
seer vermeerderen. Nu sal elckeen soecken onse vrient te wesen. Het fondament 
van soo lange gewenste rendes-vous *) is nu geleyt. Een goet deel van V vrucht- 
baerste lantschap en de visrycxste zee van Indien is nu Uwel Hiervoor bidde 
UEd., sent ons nu doch groote menichte van volck, met alle nootlyckheden, 
opdat [wij] een royael fort en stadt, gelyck de Heeren ontworpen hebben, 
bouwen mogen. Weest doch niet meer onbedacht, noch onachtsaem, denckende 
dat ons hier wel redden zullen " 

Steeds prikkelde COEN zóó de Bewindhebbers tot groote krachtsinspanning. 
En met zijn vooruitzienden blik profeteerde hij wat hij tevens hoopte, dat wer- 
kelijkheid zoude worden : ^Wij bidden UE alsulcke middelen te fumieren , 

soo zal Jacatra de treffelycxste plaetse van gants Indien werden^ en seer kaest 
scU hier de stapel van de gantsche Indisen handel zyn; want de plaetse, daertoe 
seer wel gelegen en seer bequaem is " *) 

Maar de fiolen van zijn toom werden over zijne superieuren uitgestort, 
toen het in Indié bekend werd, dat in Europa in 1619 een overeenkomst was 
gesloten tusschen de Nederlandsche en Engelsche Compagnieën. Co£N zag zijn 
schepping bedreigd, toen hij deze overeenkomst las, welke zijne plannen dwars- 
boomde. Diep verontwaardigd, laat hij zich in zijne brieven *) gaan, zooals hij 
zich nog niet had veroorloofd. Al de haat, welken hij in zijn diepste wezen 
tegen de Engelschen, die „superbe natie", koesterde, welde in hem op; alle 
minachting, die hij — de man van machtig willen — had voor wat hij aanzag 
als kleinheid van velen onder hen, die boven hem stonden, slingerde hij hun in 
\ gelaat: 

„Hoe prysselyck, eerlyck en Goddelyck een goede vrede en eenicheyt zy, 
blyct alomme en is alle redelycke verstanden kennelyck, gelooft zy Godt, die 
alles ten goede schickt en daartoe nimmermeer middelen gebreecken; doch het 
schynt, dat hier op weynich gedacht is, want was dit vertrouwen by U Ed. 
geweest, de Heeren souden ons soo haestich met soo herden toom niet gebrey- 
delt en soo vele van haer rechtvaardige conquesten niet overgegeven hebben 



1) Toen de gewone term voor een centrum van handel en bestuur voor de oneen in Oost-Indiê. 
S) 22 Januari 1620 (Db Jonge, t. a. p., bldz. 197). 
8) XI Mei 1620 (Db Jonge, t a. p., bldx. 203, v. v.). 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 177 

Heeft het UE. aen goede advysen gebroocken, wildet ghylieden die niet aensien, 
maer de drang van een cleen moet en onredelycke vreese volgen, waerom heeft 
men [ons] sulcx niet geadvyseert, opdat [wij] ten profl^e van de Comp. haer 
saecken daerna hadden mogen beleyden; hoe is het zoo haest vergeten, dat 
UEd. sesthien soo trefTelycke schepen cort te vooren uytgesonden hadden; heeft 
men gehaest om bloetstortinge voor te comen, Eere sy soo goede genegentheyt. 
Waeren d'Engelsen meester hier geworden, 't is te duchten, dat UEd met haer 
haesten weynich geprofHteerd souden hebben. Lachen d'Engelsen tot danckbaer- 
heyt, soo is den arbeyt niet verlooren. Grooten danck zyn zy UEd. schuldich, 
want [zij] hadden haer selven met recht uyt Indien geholpen en de Heeren heb- 
ben hun daer weder midden in geseth. Meenen zy 't recht en wel, 't sal wel 
wesen, maer wederom quaet willende hebt ghylieden, is het te duchten, 't serpent 
in den boezem geseth. Wij bekennen, dat het den knecht niet en roert, wat de 
meester doet, maer evenwel doet ons het gemeen gebreck, gelyck de zotten, 
spreecken, niet om deze vereeninge te bestraffen, want ons kennelyck is, hoeveele 
de staet der Vereenichde Nederlanden ten hoochsten aan de goede vrientschap, 
correspondentie en vereeninge van de Croone van Engelandt gelegen is *); maar 
U Ed. zijn, onder correctie, al te haestich geweest " 

„De Heeren van Delft seggen" — zoo schreef de Gouverneur-Generaaleen 
ander maal') — ^^dat niemant hooger vliechen mach, als de wiecken draegen 
meugen, ende is seer wel geseyt, maer wie heeft des Compagnies vergrootinge 
gelimiteert, waeromme connen de wiecken door goet voetsel niet vigoureuser wor- 
den; soo men seyt dat de vergrootinge niet bestaen, maer onder syn eygen last 
vergaen soude, wij repliceeren daerop dat desulcke niet bekent en is wat traf- 
fique in Indien geschiet, hoe groote staeten de werelt voeden can ende voedet. 
Opent dogh U ooghen, laet U door Engelandt, Vrankryck, nog Denemarcken niet 
vercloecken, considereert waemae zy poogen " 

Dit was een variant op Coen's beroemde woorden •) van vroeger : ^^Dispe- 
reert niet, ontsiet uwe vyanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hin- 
deren, noch deeren, wandt Godt met ons is, en trect de voorgaende misslagen in 
geen consequentie, want daer can in Indien wat groots verricht worden " 



l) Deze overweging is zonder eenigen twijfel van invloed geweest op de houding der Bewindhebbers 
in dese aangelegenheid, maar ook het feit, dat de Engelschen een flinke vloot naar Indiö hadden gezonden. 
Vgl. P. A. TiELK, De Europars in den MalHschen Archipel, IX, bldz. 933 (Bijdragen tot de Taal-, Land- en 
Volkenkunde van Nederlandsch-Indie, 5e volgreeks, II.) 

S) 26 October 1620 (Ds Jonge, t. a. p., bldz. 219). De Bewindhebbers wezen Coen als 't pas gaf 
wel degelijk op het onbillijke somt in zijn optreden. Toch pakten zij hem met fluweelen handschoenen 
aan, in vergelijking met de meeste zijner voorgangers en opvolgers, 

8) Missive aan Bewindhebbers, 29 September x6i8 (De Jonge, t a. p., bldz. Z07). 



178 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

Groots' is er door COEN verricht : hij heeft grootendeels den weg gebaand 
die leiden zou tot de ontwikkeling van Nederlands invloed en gezag in het Oosten, 
een weg, waarop vóór hem nog slechts de eerste schreden waren gezet. Wat hij 
op dien weg ontmoette, heeft hij trachten te gebruiken ten bate van het groote 
doel, dat hij voor oogen zag; wat hem op dien weg hinderlijk bleek, hij heeft 
het getracht ter zijde te stellen, hij heeft het — waar het hem noodig en doen- 
lijk voorkwam — weggeworpen of vernietigd, dkn niets ontziende, zoo min als 
de meeste zijner tijdgenooten dit deden, waar dit hun te pas kwam : andere natiën 
nog minder dan de groote zoon van Hoorn en zijn landgenootenl 

Zoo heeft hij gewerkt, terwijl het dag was. En toen ook voor hem kwam 
de nacht, waarin niemand werken kan, was niet alleen de weg gebaand, maar 
was ook de stevige grondslag gelegd — in bloed en tranen gecementeerd — 
waarop bet trotsch gebouw van Nederlands mogendheid in het Oosten werd op- 
getrokken. Zijn einde kwam in 1629: ^tusschen den 20" ende 21» September. . . 
des nachts omtrent ten een uyre is de Heer Generaal Jan Pieterss. Coen seer 
subyt overleeden", zoo schreef^ zijn opvolger, Jacques Specx. De vijand belegerde 
Batavia : het krijgsgeschreeuw van den Javaan was de lijkzang bij het graf van 

zijn grooten tegenstander. ^Alsoo de kercke in den oorloge was verbrant", 

werd COENS lijk ^ter aerden gebracht ende begraeven int stadhuijs" van de stad, 
die hij had uit het niet in het leven geroepen : de krijg om Batavia belette voor- 
loopig, dat de vrome Calvinist binnen het huis zijns Gods de laatste rust- 
plaats vond. *) 

Het was Coens opvolger, tot wien de Bewindhebbers den brief richtten, 
aan het hoofd van dit opstel geplaatst. Specx was niet een onbekwaam man, 
maar hij kon niet in de schaduw staan van zijnen voorganger. Diens grootheid 
drukte zijn opvolger, maakte dezen klein. De overgang van een superieure 
persoonlijkheid, een man met genialen blik, koel hoofd, krachtige hand, vast 
karakter, tot een middelmatig man als Specx was te groot : diens goede hoedanig- 
heden verloren te veel bij de vergelijking, diens gebreken kwamen te veel uit, 
omdat zij niet, zooals bij COEN, geneutraliseerd werden door hooge eigenschap- 
pen. Specx scheen bij deze toetsing kleiner dan hij in werkelijkheid was. Ook 
overigens vond hij weinig of geen genade in de oogen der Bewindhebbers') en 



1) 15 December 2639 (Db Jongb, V, bldz. 153, 155). 

>) Jaren later is sijn stoffelijk overschot naar de Nederduitsche Kerk te Batavia overgebracht (M. A. 

VAN Rhsdk tan des Kloot, De Gouutmeurs-Generaal , 's Gravenhage, Van Stookum, Z89Z, bld2.34). 

t) DB Jonge, V, blds. XCI, XCVII. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 179 

in Maart 1632 werd hij teruggeroepen, met last, op de eerste schepen naar 
Nederland terug te keeren, ,,sonder ^t selve om eenige consideratien te diffe- 
reren."*) Als zijn opvolger werd aangewezen Hendrik Brouwer. 

II. 

Deze was in 1581 of 1582 geboren*). Wéir hij het levenslicht zag, is nog 
onbekend: in de doopregisters van Amsterdam, waar zijne moeder in 1617 
woonde, is althans zijn naam niet gevonden ')• Zijn vader, GiJSBERT, was gehuwd 
met Geerte CoRNELisdochter van der Streng^). De familienaam Brouwer 
werd door de ouders blijkbaar nog niet of niet steeds gedragen, want een zekere 
Aefgen GHijSBERTSdochter en Jan Ghijsbertszoou, vermoedelijk broeder en 
zuster van Hendrik, noemen zich in verschillende akten, waarin hunne namen 
voorkomen, niet bij dezen van. 

Hoe dit alles zij, van de jongere jaren van dezen lateren gouverneur- 
generaal weten wij niets. En als wij hem in onze koloniale geschiedenis ont- 
moeten, heeft hij reeds de eerste jeugd achter den rug: het is in 1606. 

Den 26 April van dat jaar vertrok van de vaderlandsche stranden een 
vloot van 9 schepen naar het Oosten, onder bevel van niemand minder dan den 
in onze koloniale geschiedenis zoo bekenden Paulus van Caerden. Hendrik 
Brouwer was aan boord van het vlaggeschip, de Banda, en had de waardig- 
heid van secretaris van den z.g. Breeden Raad *), welke met den admiraal de 
belangen der geheele vloot had te behartigen. 

Deze tocht van Van Caerden was allesbehalve een vreedzame handels- 
onderneming. Men wilde trachten, de Portugeezen uit Mozambiek aan Afrika's 
Oostkust te verdrijven en hunne schepen te nemen, dddr en aan Voor-Indië's 
Westkust, waar zij o.a. Goa, hunne hoofdplaats, bezaten. Deze ^lexploicten'* hadden 



1) Onuitge^etfem missive dtr BtwindhMers aan de Hoogt Regaring te Batavia^ 17 Maart 1633 (R.A.). 

S) Den 34 Maart 1617 toch Terklaart hij te zijn 35 jaar {Kerkelijk Ruwelijks^lnteeknUtig^Register 
Amsterdamt op dien datum)«« 

*) De heer P. J. Kaptstn, ambtenaar aan het Oud-Archief te Amsterdam, heeft dexe registers van 
1576—1586 Toor mij nageden. Zij bevatte evenmin de namen van een van Brouwbs's broeders of susten. 
Vermoedelijk is onze familie BsouwBR dus niet uit Amsterdam afkomstig. Immers ook het poorterboek, 
nagezien van 1595—1606, behelst geen hunner namen. Wanneer men verder nagaat, dat de aanwezige huwe> 
Ujks-inteeken-registers (zij beginnen met 1578) geen melding maken van het huwelijk van BsouwBS's ouders 
en dat van het overlijden van diens vader, dat zoo goed als zeker vóór 34 Maart 1617 moet hebben plaats 
gevonden, niet blijkt uit de begraafregistrrs der Weeskamer, voor zoover deze bewaard zijn gebleven, dan is 
er reden te denken, dat Brouwbr's ouders oorspronkelijk niet zijn geweest Amsterdammers en dat zij (of 
alleen de moeder) Tan elders naar Amsterdam zijn verhuisd en dit wel na de geboorte van onzen Hendrik. 
De heb niet noodig geoordeeld, een tijdroovend en vermoedelijk toch vergeefsch onderzoek daarnaar te doen 
nstellen. 

^ Kerk, Hmo, Int, Reg, 84 Maart 16x7. 

5) Dm JONGB.'III, bldz. 63—68, 



180 DE GOÜVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

weinig succes, maar de schepelingen, en daaronder Brouwer, zagen heel wat 
van de Oostersche wereld, van Orienten. Of onze Hendrik bij dit alles een 
rol van beteekenis heeft vervuld? Wij weten het niet met zekerheid, maar zijn 
volgende loopbaan bewijst in elk geval, dat hij goed stond aangeschreven. 

Immers, reeds in 1610 bekleedt hij hooger waardigheid. De schepen van 
Van Caerden waren pas in Januari 1608 te Bantam, op Java*s Westkust, — 
toen de verzamelplaats der Nederlandsche schepen in het Oosten — aangekomen 
en werden vooral gebruikt voor krijgsoperatien en handeldrijven in de Molukken. 
Ook hier weder tasten wij in het duister ten opzichte van Brouwer's aandeel 
in dit alles. Heeft hij den tocht naar de Specerij-eilanden meegemaakt en is de 
Banda zijn schip gebleven, dan is hij in Juli 1610 in patria teruggekeerd. 

Een half jaar later en wij vinden Brouwer opnieuw vermeld. Den 20 De- 
cember 1610 vertrok hij weder naar Indiê en wel als chef (^commandeur") van 
een eskader van drie schepen: de Roode Leeuw met Pijlen, een beroemde 
bodem '), de Gouda en de Der Veer. In den zomer v^ 161 1 komen de schepen 
te Bantam. 

Thans weten wij meer van zijne faits et gestes. 

IIL 

In de dagen, waarvan wij thans spreken, waren de Nederlanders reeds 
een macht in het Oosten, waarmede daar rekening moest worden en dan ook 
werd gehouden. 

Nog slechts enkele jaren waren voorbijgegaan, sedert — in 1596 — de 
driekleur, teeken van de schepen der lage landen aan zee, voor het eerst ver- 
toond was aan Azië's kustenlijnen. En reeds waren handelsbetrekkingen aange- 
knoopt met of handelskantoren gevestigd in verschillende deelen van den Ma- 
leischen Archipel: Bantam, Djakatra, Atjeh, enkele kustplaatsen van Borneo, Bali, 
Banda, Ambon, de Molukken. En buiten Insulinde was de Nederlandsche koop- 
man op de Aziatische markten een bekende en veelal welkome figuur geworden: 
met Oost- Azië, vooral met Japan, waren commercieele relatiên aangeknoopt; het 



1) Vgl. nog L. C. D. TAN Dijk, Zds jann mii htt ievtn van Wemmer van Bircktm, gevolgd door Itis 
9ver otêse vroeg sU betrekkingen met Japan (Amsterdam, Soheltbma, 1858), B, bldi. 39. 

Een der gevolgen van dezen tocht is geweest, dat de schepen der O. I. C. sedert een anderen koers 
namen op hunne reizen naar het Oosten dan vroeger. Tot op dien tijd ging men» na de Kaap omgezeild te 
hebben, onmiddelijk in N. O. richting, langs de West- of dicht langs de Oostkust van Madaga^car. Brouwer 
stelde voor, om van de Kaap af geruimen tijd in Oostelijke richting te gaan (op ongeveer 36* Z.B.) om dan 
in noordelijke richting te trachten Java te bezeilen. Dit gebeurde sedert 16x3 en toevallige ontdekkingen 
langs Australie*s Westkust zijn daarvan het onverwachte gevolg geweest. Zie Hberes, Het aandeel der Neder- 
landers in de ontdekking van Anstralii ^{L^den^ Brill, bldz. XIII, v.). — Ook later maakte Brouwbr zich 
verdienstelijk bQ het opmaken van zeilkoersen naar Indiê {Oumitgegeven resolntiën der Neeren XVII, 8 jlpril 1626)» 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 181 

Maleische schiereiland had zijne havens, voorzoover die niet gehoorzaamden aan 
het ons in het Oosten vijandelijke Portugal, voor ons ontsloten; Vóór-Indie*s 
welbekende kusten, die van Koromandel en Malabaar, 2agen Nederlandsche schepen 
komen en gaan, Nederlandsche factorijen verrijzen ; Ceilon's maharadja sloot ver- 
bonden met de Compagnie. 

Sloot verbonden: want ook het staatkundig belang ging welhaast mee- 
spreken naast de commercie. Portugal was in die dagen noch machtig in het 
Oosten, maar zijn macht was in den loop der eeuwen gevaarlijk gebleken voor 
de Aziatische volkereUi voor de inlandsche vorsten. En toen daar de in 't begin 
zoo onaanzienlijke, maar alras zoo krachtig zich ontplooiende, Nederlandsche 
macht zich vertoonde, was zij een welkome verschijning voor hen, die de Lusi- 
tanen vreesden. Of zij toen zich de vraag nooit hebben voorgel^d, dat misschien 
een verwisseling van meester de toekomst zoude brengen ? Of zij de Compagnie 
wèl hoog schatten als hulp tegen Portugal, maar niet krachtig genoeg rekenden 
als eigen tegenstandster? Of zij het vooreerst slechts noodig achtten, zich 
Portugal van den hals te schuiven, om dan verder te zien? 

In elk geval, op vele plaatsen waren de Nederlanders welkom, behalve als 
handelaren, ook als vijanden der mannen van het Iberische schiereiland. 

Dit gaf hun staatkundig Aanzien. Het gaf hun ook politieke macht. Reeds 
waren in haar bezit gekomen sterkten op Ambon en op de Molukken, veroverd 
op de Portugeezen, en vandaar uit werd hun invloed in gindsche streken uitgebreid. 

Zóó waren de eerste beginselen ontstaan van Nederlands Mogendheid in 
het Oosten. Het waren nog beginselen. En zij moesten worden verdedigd tegen 
vele gevaren : tegen het openlijk geweld der Portugeezen, tegen den nsujver 
der Engelschen, tegen het onverstand en het slechte gehalte van eigen ambte- 
naren, welhaast tegen de concurrentie en het wantrouwen der Aziaten ook. 

Want men begon toch al spoedig reeds gevaar óók in dezen blanken mensch 

te zien. Ook hij immers begon machtig te worden. 

Zoo vereischte het belang van de Compagnie in het Oosten een krachtige 
centrale leiding in ééne hand. Tot nog toe waren de chefs der verschillende 
vloten en der afzonderlijke factorijen tamelijk wel elk hun eigen meester geweest, 
gescheiden als zij waren van het moederland, waar toen het eenig werkelijk cen- 
traal gezag was gevestigd, door maanden afstand. Maar in 1609 werd benoemd 
de eerste gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indie en werd besloten, een Raad 
van Indie samen te stellen: PlETER BOTH werd de eerste landvoogd (16 10— 16 14) 
van ons koloniaal rijk in gindsche gewesten. Hij stapte in 1610 te Bantam 
aan wal in dezelfde maand, waarin Brouwer weder de vaderlandsche kust achter 

zich liet. 

Oud'Holland 1907. 24 



182 DE GOUVERNEUB^ENERAAL HENDRIK BROUWER. 

Maar nbg was de in die dagen dier zoo onmisbare centralisatie niet 
voldongen: de hoogste Nederlandsche autoriteiten hadden daar in Indie nog 
geen vaste residentie, geen centrum van bestuur. De Hooge Regeering — zooals 
Gouverneur-Generaal en Raden werden genoemd — zwierf rond in den Archipel 
Men zag haar aan boord der schepen met het oranje-blanje-bleu veeltijds in de 
Molukken, dan elders in deze eilandenwereld. 

In de Moluksche wateren ontmoette Brouwer in December 1611 zijn 
nieuwen chef, na een kort oponthoud in Bantam en een reis langs Java's 
Noorderstrand. ^) 

Wat hij in de verschillende Javaansche handelsplaatsen beoosten Bantam 
verrichtte, weten wij van hem zelf, uit een brief n.1. van 27 Juni 161 2 aan de 
Bewindhebbers, geschreven ,,op het schip de Roode Leeuw met Pijlen/'^ 

Onze pioniers in het Oosten hadden om velerlei redenen op de stad Djakatra 
het oog laten vallen als op een geschikte plaats — omdat Bantam daartoe minder 
in de termen viel — voor „een rendez-vous" voor onze schepen. In November 1610 
was dan ook een contract') gesloten met den bestuurder van Djakatra, hetwelk 
o.a., behalve diens belofte, de Portugeezen en Spanjaarden niet meer in zijn land 
toe te laten, ook inhield een toezegging aan de Compagnie om haar te verkopen 
een stuk grond in zijn stad, „waerop ons sult laten timmeren naer ons gelieven, 
ende steenen huysen laten bouwen, soo groot ende cleyn, als ons sal te passé 
komen," waartegenover de Compagnie hem steun beloofde tegen Portugeezen en 
andere vijanden, die hem mochten aanvallen. Dit contract werd door BOTH in 
Januari 161 1 hernieuwd, zij het met enkele wijzigingen. In praktijk was dit alles 
nog niet gebracht, toen BROUWER in October te Djakatra kwam. Maar vóór hij 
vandaar vertrok, had hij er v»een claere baen oft gebaende wech gelaeten in 'tgeene 
daer te doene was, de possessie van de plaetse nemende daer ons huys gesteld 

sal worden, op de bequaemste plaetse van de geheele rivier*), vooraen int 

incomen yegen over de'stadt, hebbende aen de Westzyde de rivier ende aen de 
noordzijde de zeestraat." Wel wilde „de Coninck zeer noode van de plaetse 
scheyden", maar de hoop op vermeerdering van Djakatra's handel bewoog hem 
vermoedelijk tot toegeven ; en de geschenken, door BROUWER gegeven, na ze 
„naer uiterste vermogen besnoyt" te hebben, deden het hunne. 

si) P. A. TiBLB, BoMwstoffM voor dé gesihiedmis der Nederlamdtrs in dm MaUisckm Arckiptl^ I, 

bldz. LVI. T. 

1) Bi) Dl Jonge, IV, bldx. x— 3. 

8) Zie dit contract o.a. in mijn Corpus Diflomaücum Neirlando^Indicum (venameling van Politieke 
contracten, enz.), uitgegeven door bet Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. 

Indiê. I (1907). Wdï. 86. 
4) De tji Liwoeng. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 188 

Voor de onzen had deze vestiging te grooter belang, omdat men hoe 
langer hoe minder afhankelijk werd van de handelspolitiek van Bantam, dat 
wel het voornaamste centrum bleef, óók na ons optreden te Djakatra, nu men 
vasten voet had verkregen in laatstgenoemde plaats, een van Bantams mede- 
dingsters in de handelsbeweging van dit deel van den Archipel; De toekomst 
zoude leeren, hoe de eene stad tegen de andere door de onzen werd uitgespeeld, 
vóórdat in 1619 Djakatra van de aarde werd weggevaagd, om ruimte te maken 
voor Batavia. 

Maar deze peperhavens van West-Java, Bantam en Djakatra, waren niet de 
eenige van belang op de Noordkust van het eiland. Een aantal handelsplaatsen 
werden daar aangetroffen, die hare meerdere of mindere beteekenis ontleenden èn 
aan den aanvoer en verkoop van Java's inheemsche producten, waaronder rijst 
een eerste plaats bekleedde, èn aan den aanvoer, opkoop en verkoop van voort- 
brengselen van vreemden bodem, vooral de specerijen van de Molukken, Ambon 
en Banda: kruidnagelen en muskaatnoten. Zoo onder meer andere Djapara, Toeban, 
Gresik, Soerabaja. 

De handelsstaatkunde, welke onze Compag^nie al spoedig na haar eerste 
optreden had gevolgd, was gevaarlijk voor vele van die havens. Immers, zij 
trachtte — en met succes op verschillende plaatsen (o.a. op de Specerij-eilanden) — 
contracten te sluiten met inlandsche vorsten en volkeren, waarbij deze zich ver- 
bonden, aan haar alleen de in hunne landen vallende koopwaren te leveren. Hare 
handelspolitiek werd een monopoliestaatkunde in den meest strikten zin van het 
woord, overal waar het haar mocht gelukken, dit door te zetten. Maar dan 
meende zij ook volkomen gerechtigd te zijn, den handel van anderen op derge- 
lijke streken te beletten. Dit wekte natuurlijk misnoegen en — erger. Zoo 
ook op Java. 

En BROUWER merkte dit duidelijk, toen hij den vorst van Soerabaja ^) op- 
merkzaam maakte y,op de vaert syner joncken naer Banda'' en op den wensch 
der Compagnie, dat zij zoude eindigen, omdat zij de monopolierechten der Neder- 
landers schond en de muskaatnoten aan hen onttrok, ,,twelck all te grooten in- 
terest veroorsaeckt." 's Nachts had een onderhoud tusschen Brouwer en den 
Javaanschen vorst plaats. Diens omgeving beviel hem niet ; „daer oock diversche 
Bandanezen bij sullen geweest syn, oock verscheydene van hun toegedaene ende 
een Engelschen verloochenden boeff." 't Was geen gezelschap voor een Christen 



1) Soerabaja was toen nog onafhankelijk van Mataram, het groote rijk van Midden-Java, waarbQ het 
echter spoedig sonde worden gevoegd door geweld van wapenen. In deze dagen, dat Brouwer te Gresik 
lag, ,|Was het lant door den oorloge van den Mataram jegens den coninck van Soerabaja aoo gemyneert 
dattet te verwonderen was,'' 

24» 



184 DE GOUVERNEUR^ENERAAL HENDRIK BROUWER. 

Nederlander uit de 17^ eeuw, ambtenaar van de O. L C, van de Edele Maat- 
schappij: Bandaneezen, aanhangers van de Moorsche peste en recalci^nte bezit- 
ters van de notenboomen, een Engelschman, die Mohammedaansch was geworden 
en een Javaansche vorst» die niet zoo maar naar het pijpen van de onzen wüde 

dansen : ^De G>ninck stoorde zich seer en bejegende ons seer onbeleef- 

delycken/* Hij was ,,een vrij Koning en zou zijne jonken zenden waarheen hem 
goeddacht^'i zou hij Brouwer hebben to^evo^d.^) En zijn humeur zal er niet 
op verbeterd zijn, toen Brouwer weigerde hem een kanon ten geschenke te geven, 
waarom de vorst vro^: ^e wejgeringe van *t stuck geschut neffens de insinuatie 
(ten opzichte van Banda) verachterden vry watt veel, 't geene wy daer te be- 
rechten hadden. • • • ; doch naer alle gepleegde naersticheyt syn noch ten lesten 
claer geraeckt'' met den handel Te Gresik en zelfs te Pasoeroean werden Neder- 
landsche handelsagenten achteigelateui toen den 8** November 161 1 het anker 
weder werd gelicht voor de reis naar de Molukken. 

IV. 

Brouwer kon het niet al te wel met Both vinden. De Gouverneur-Gene- 
raal stelde hem niet op de plaats, waar hij gaarne had gestaan, en Brouwer 
nam dit kwalijk. Nu hadden de Bewindhebbers in patria dezen nog al in de 
hoogte gestoken, en daardoor moest de teleurstelling hem des te grooter zijn. 

De Heeren XVII hadden n.1. Brouwer in hun vertrouwen genomen om- 
trent hunne denkbeelden aangaande de in het Oosten te volgen gedragslijn. Zij 
hadden „geraamd" een ^secrete instructie" en hem, j,Heyndrick Brouwer, de 
eere'' gedaan, hem op te dragen, aan den Gouverneur-Greneraal. „hunne meyninge 
mondelinghe breeder (te) verclaeren." *) Met een afschrift van het gewichtig stuk 
was hij naar Indie vertrokken. Hij vertelt het zelf: ^Den jongsten nacht die 
't Amsterdamme ben geweest, naer het scheymael met ditto heeren gegeten te 
hebben", heb ik het „wt haere origineele gecopieert". Ook deelt hij mede : j,Soe 
hebbe my daer dickmael op de wtreyse besuaert in bevonden, overmits de diuer- 
siteyt van opinien, die men onder de menschen vint, doch deselve gelesen, her- 
leesen ende alsnu verscheyde reysen weder doorleesen hebbende" (o Jobsgeduldl) 
„ende voorders gedenckende de breede, wytloopende^ diepsinnighe, ende vast- 
meynende discoursen, die daerop dicmael in deselve Vergaederinge [der Bewind- 
hebbers] sijn voorgevallen^ oock met wat rijpen, voorbedachten, vast, ende wel 
geresolueerden raade ende resolutie ditto Instructie is gecoucheert, geordineert, 



1) TiELB, BMTOparSy Vni, bldf. 141. 

^ Vgl. BtouwBR'i advies van Mei z6za betreffende de Banda-eilanden in Boiimstoftn^ I, bldi. z yt. 



DE GOUVERNEUR^ENERAAL HENDRIK BROUWER. 185 

ende beslooten, soo hebbe bij wijlen van meyninghe geweest, aleer in Indien 
gecomen waere, te wercke te stellen hetgeene alsnu ben doende i); doch mij 
gestaadich bevindende in goede dispositie, oock verhoopende datt mondelinge 
discours beter vruchten soude connen voortbrengen, hebben tselue naergdaten/* 

Of Hendrik Gijsbertszoon zich ook voelde f En daar komt hij te staan 
tegenover iemand, die het betere vruchten bèlovendei ^mondelinge discours'' liever 
niet aanhoort I Tegenover een gouverneur-generaal, die niet hem, maar een ander 
benoemt tot lid van den Raad van Indie. Niet hem, die in het vertrouwen was 
genomen door de Bewindhebbers, met hen een ^scheymaeV* had gegeten en toen 
nog den ijver in zich had gevoeld, om de ^secrete instructie" te copieeren in het 
holle van den nacht I Niet hem, die het document der Bewindhebbers had gelezen, 
herlezen en doorlezen I Niet hem, die gehoopt had, lid van den Raad te worden, 
juist omdat BOTH gouverneur-generaal was, om ^daer door te mogen leeren van 
soo cloucken heere tgheene my naemaels tot sonderlinge nutheyt soude hebben 
mogen strecken/' Eervol voor BoTH, als. • . • Brouwer 't gemeend heeft. Want 
deze loftuiting werd geuit in een brief aan BoTH zelf, waarin Brquwer dezen 
vergiffenis vraagt voor de minder gepaste wijze, waarop hij zich had uitgelaten 
over Both's houding te zijnen aanzien. *) 

Maar welke denkbeelden Brouwer van zich zelf mag hebben gehad, 
BOTH had andere plannen en zond hem naar Japan. En omdat onze held ver- 
moedde, dat hij ^aldaer verre vander hanf ' (had BoTH het er om gedaan?) zijn 
^verbonden tijd')" zou zijn „geschaapen wttedienen", dacht hij zich ,,gedwongen'', 
om zijn advies ,schriftelycken'' uit te brengen. Weg gehoopte invloed van het 
^mondelinge discours"! 

V. 

De reis van Brouwer ging echter niet rechtstreeks van de Molukken naar 
het land van de Rijzende 2^n. Bantam, toen wel niet official, maar toch 
in de practijk, het centrum der Nederlandsche belangen in Azi^ diende door 
den Commandetu' eerst te worden aangedaan, om lading in te nemen. *) 

De tocht nu vond plaats via Ambon, Banda, Makasser en verschillende 
plaatsen van Java's Noordkust, Den 29 Mei 161 2 kwam Brouwer, steeds op 
^tschip de Roode Leeu met Pylen'', te Makassar, vanwaar hij, na de^aangelegen- 



1) NL het Banda-advies, waaraan dit is ontleend. Ik heb niet noodig gevonden, dit advies hier nader 
te bespreken: Brouwsk deelde ten opzichte der Bandapeilanden de denkbeelden, welke door de meeste 
Nederlanders dier dagen werden gekoesterd en die nit sQn geloopen op de bloedige veroTering dier streken. 

i) Bouwstof en, l, blds. LVII. 

>) NI. de tijd, waarover hQ sich voor den dienst der O. I. C. had verbonden. 

«) Bouwstof en» I, blds. LVU. 



180 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

heden der Compagnie met haren daar toen gevestigden vertegenwoordiger te 
hebben geregeld '), naar Java vertrok, waar meer voor hem viel te beredderen, 
in verband met wat door hem daar was verricht in de laatste maanden van 1611.*) 

Den 12 Juni zag ons kantoor te Gresik Brouwer weder binnen zijne 
wanden. Het was y^in goeden doen"'), maar de verrichtingen der onzen in den 
handel werden gedwarsboomd door Lusitanen en inheemsche mededingers : yiHet 
lant vol Portugezen'', die er duizenden guldens besteedden aan den opkoop van 
waren uit de Groote Oost: ^alles op den treek van foly, nooten ende nagelen, 
die de Javanen steelsgewyse van onse plaetsen weeten wech te voeren/' JazelCs 
hadden de laatsten handelsvaartuigen naar Banda gezonden, ^datt onlydelycken 
is ende syn hier niet uyt te cryghen, dan met gewelt, overmits den Coninck en 
syn onderdaenen daerby goet proufiyt genieten; daer moet metten eersten anders 
in voorsien werden." 

Brouwer trok mede aan de doodklok, geluid over het ongelukkige volk 
der Banda-eilanden, hij met zoovele der zijnen, reeds jaren vóór het doodvonnis 
er over werd voltrokken 

y^Den Coninck" is Soerabaja's vorste En deze kreeg thans zijn stuk geschut 
uit naam van den Gouverneur-Generaal. Brouwer wilde pinter doen en voegde 
^daerbij een brief int Portugees...., omt selve met meerder ontsach ende eere 
aan den Coninck te laeten brengen tot spijt der Portuguesen." Want de Javaansche 
vorst had ook aan de handelaren van het Iberisch schiereiland een' stuk moord- 
tuig gevraagd en deze hadden niet dadelijk toegebeten, zoomin als trouwens 
Brouwer zelf een jaar vroeger. En nu ^sullen wij hierdoor des Conincx ge- 
negentheyt t'onswaerts te meer trecken." Den Europeeschen concurrent een vli^ 
a%evangen, 't was een kanon waard I Het werd dan ook in genade aangenomen : 
een aanzienlijk Javaansch ambtenaar ,,ontfing het stuk met een wondere blytschap" 
en deed allerlei beloften, 

^Dan tsyn beloftenissen van Mooren", zei de Christen Hendrik, de zoon 
van Gijsbert. 

En voetangels en klemmen bleven op den weg der vriendschap lig- 
gen. Want Brouwer had in zijn Portugeesch epistel y,mensie (gemaakt) op de 
vaert (van 's Vorsten) joncken naer Banda ende datt de Heer Gouvern'. G"*^ op 
hem begeyrde, dat hy achtinge soude nemen op de insinuatie, die hem gedaen 



1) Db Jonge, III, bldi, 321 jo xoa. 

S) Zie hienróór. 

8) Db Jongb, IV, bldc. 3. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 187 

is om alle redenen van claegen voor te comen.. ••/' En of nu aan dien eisch 
voldaan zoude worden? De commandeur van de Leeuw met Pijlen geloofde dit 
zelf niet en hij illustreert daarmede zoo cynisch onze cynische koloniale staat- 
kunde dier dagen : ^Nochthans'' — zoo schrijft hij — ^wanneer dit volck conti- 
nueeren in de vaart naer Bandai twelcke sy oock niet laten sullen amnen^ ^) ver^- 
mits hun meest met de zeevaert geneeren^ soo sal dan een scheuringhe moeten 
volgen, dat sy ook seluer vreesen '' 

Kan het duidelijker? Brouwer ziet natuurlijk zeer goed de gevolgen. Als 
Soerabaja en Gresik voor ons in de toekomst mochten worden gesloten ten ge- 
volge der ^scheuringhe", dan zullen wij missen goede havens voor den opkoop 
van Java-rijsty en rijst konden onze garnizoenen en scheepsbemanningen niet missen. 
Maar geen nood! Het naburige Djapara (ol hoe dikwijls hebben de bewoners 
van den Archipel zelf in hunnen ouderlingen naijver den toekomstigen meester 
ingehaald I) het naburige Djapara was ^seer begeyrich om een comptoir van ons 
volck in haer lant te hebben, doende daertoe seer eerlyck presentatien in een 
brielken, die aen den coopman tot Grece geschreven hebben." 

^Daer naerder op geleth dient." Natuurlijk, Djapara kon worden ui^espeeld 
tegen Soerabaja en Gresik, en buitendien — de reede is daar beter en ^naer 
yders zeggen can men den rys daer beter coop gestaadich becomen als tot Grece 
ofte Macassar." En zoo vonden Brouwer en zijn scheepsraad het ,,geraeden, 
daer aen te lopen." En inderdaad, ^den rys is er tot beteren prys te becomen, 

dan op enighe plaetse van Java , de lyftogt is er oock beter coop als elders, 

daer tot noch toe geweest hebbe, als 20 hoenders voor een R. van 8 '), vier boeken 
mede voor gelycke ende een grof beest voor 6 R v, 8, andere provande naer 

advenant, daer is oock visch in abondantie; de Chynesen waeren der veel 

gecomen , soodat het toecomende jaer op dees plaetse uyt China sterck met 

joncken meenen te comen '' 

De slotsom : ^Ik achte dattet niet ongeraden soude wesen, gemerckt de 
saecken van Banda, dat men het comptoir tot Grece opbraecke ende weder 
alhier') een ander plante, dewijl Grece voor groote schepen sonderlinge onge- 
legen is " 

Het advies van Brouwer zou worden gevolgd, en zelf zoude hij het ten 
uitvoer leggen. Maar eerst eenige jaren later. 



1) Ik cnniTeer. 

S) Een reaal van achten: ongeyeir / 2,^0, 

^ Djapara. 



188 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIE BROUWER. 

Eerst doorplo^ de Roode Leeuw met Pijlen weder de golven der Oostersche 
zeeCn: Japan is thans het doel. ^) 

VL 

Reeds meer dan twee lustra was bet geleden, dat onze prinsevlag voor 
het eerst (1600) in de wateren van Japan was vertoond geworden, dat Neder- 
landers voor het eerst in het land van de Rijzende Zon voet aan wal hadden 
gezet. Toen eenmaal de aandacht der onzen op dit eilandenrijk was gevestigd 
geworden, werd al spoedig gedacht aan blijvende handelsbetrekkingen, en in 1609 
werd door de Japansche autoriteiten vrijheid van handel aan de Nederlandsche 
Oost-Indische Compagnie verleend. Een factorij werd te Hirado (Firando of 
Firato) opgericht onder leiding van Jacques Specx (1606 — 1613)1 ^^^ lateren 
gouverneur-generaal van Neérlands Indië. ■) 

Brouwer nu was bestemd, Specx als ,,opperboofd" van ons Japansch 
kantoor op te volgen. In Augustus 161 2 kwam hij — thans in den rang van 
opperkoopman ') — te Hirado aan en den 13 Februari 1613 nam hij de leiding 
diir uit handen van Specx over. *) Van zijne verrichtingen in deze zijne nieuwe 
waardigheid weten wij de hoofdzaak uit zijne eigene brieven aan superieuren en 
ambtgenooten. 

Toen Brouwer den 20 December 1610 de vaderlandsche kust verliet, had 
hij, onder andere gewichtige documenten, te zorgen voor een brief van prins 
Maurits aan „den grootmagtigsten keizer en koning van Japan*'. De tijding 
van het oprichten eener Nederlandsche factorij in het land van den Mikado en 
den Sjogoen ') had in het midden van 1610 Bewindhebbers bereikt en zij begrepen, 
van deze gunstige omstandigheden partij te moeten trekken. *) Vooral een der 
Japansche export-artikelen, het zilver, vond genade in de oogen der Heeren XVII 
en ^een bekwaam cargasoen** werd in patria gereed gemaakt voor de nieuwe 



^) Bat Brouwer in 26x3 neen tocht (deed), op welken hij den grond legde voor onzen handel op 
Siam'', zooals wordt meegedeeld in de En^clopedu van Ntdtrlandsch'IndÜ, 1, bldz. 291, is niet juist. De 
grondslag voor onzen handel met Siam was reeds vroeger gelegd. Dat Brouwbr op zijn Japai^sche reis Siam 
heeft aangedaan, is mij niet bekend. Brouwer spreekt er zelf in z^n later te noemen brief van 13 Juli — 4N0V. 
z6ia niet van. 

5) Vgl. mijn Corp. Dipl. I, 69, v., 94. v. 

8) Zooals bekend is, was de volgorde van de rangen der ambtenaren van de O. I. C. in het algemeen: 
assistent, onderkoopman, koopman, opperkoopman. Uit de laatste categorie werden veelal genomen de leden 
van den Raad van Indifi, de gouverneurs der belangrijke bezittingen, enz. 

4) O. Nachod, du Buiehungtn der Niedtrl&ndisehm OsHndisehen Kompagnie mu Jt^an (Leipzig, 1897)1 

S. CXCI, 149. XXX ff: 

6) Toen was de Mikado de titulaire, de Sjogoen de feitelijke beheerscher van Japan. De residentie 
van eerstgenoemden was Miako (thans Kioto), die van laatstgenoemden Jedo (thans Tokio). Vgl. Nachod, 

Japan^ S. zz8 fi^. 

•) Vgl. voor dit alles Van Dijk, Japan^ bldz. 35, v. v,; Nachod, Japan^ 149 ff:, XXVII ff: 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 189 

commercie. *) Tevens werd prins Maurtts verzochti een brief mede te geven in 
antwoord op dien, welke de ^keizer en koning'' van dat rijk in 1609 aan onzen 
Stadhouder had gezonden. Dit gebeurde en Maurits drukte in dit schrijven 
zijn hoop uit, niet alleen dat de handel der Nederlanders in Japan door de be- 
heerschers van dat land zoude worden en blijven beschermd, maar tevens, dat 
Maurits' ,, onderdanen'' ■) ook elders, in Korea, door ^faveur en behulp" van 
Japan's beheerscher de commercie zouden ^mogen genieten." 

De lading, door Bewindhebbers voor Japan ingescheept, was in den 
Archipel aangevuld met muskaatnoten, kruidnagelen en peper. Het schip was 
geheel volgestuwd en de in Japan eveneens zoo gewilde Chineesche artikelen, 
als zijde, porselein, enz., welke voor de Japansche markten waren bestemd, konden 
daarin niet meer worden geborgen en een ander schip werd daarvoor in gereed- 
heid gebracht. Tengevolge der sterke concurrentie van de Chineezen zouden deze 
laatste koopwaren echter slechts een goedkoope markt vinden, vreesde BROUWER. 

Nog in hetzelfde jaar — 161 2 — verrichtte Brouwer de z.g. Hofreis 
naar Jedo, om daar den Sjogoen te begroeten, toen den in Japan's geschiedenis 
zoo bekenden Iyeyasoe. Deze ontving hem zéér minzaam, om den geijkten 
term te gebruiken. De brief van prins Maurits, in het Spaansch vertaald, verder 
eene missive van onzen gouverneur-generaal, eveneens in 't Spaansch geschreven, 
werden door BROUWER overhandigd. Het bleek^ d2it de Sjogoen zeer had ver- 
langd naar de komst van Nederlandsche gezanten, maar Brouwer meende ook 
op te merken, dat het vooral te doen was om de geschenken, de vereeringen, 
welke Iyeyasoe hoopte, dat hem dan zouden worden aangeboden, zooals hij dat 
van Portugeezen en Spanjaarden gewoon was. De Vorst nl. hield veel van alles 
wat vreemd was, als — het hem werd geschonken, maar er geld voor te geven, 
er veel voor te betalen, dat viel hem moeilijk'): hij was aan 's G>mpagnie's 
ambtenaren gewaagd. Trouwens, hij en de zijnen waren niet karig met tegen- 
cadeaux: groote en kleine Japansche sabels, een prachtige Japansche wapenrusting, 
schoone Japansche kleedingstukken werden Brouwer ter hand gesteld. Helaas, 



1) O.a. Kamer^ksch linnen (kamerdoek, Cambrai), kamelot, fluweel. Een deel dier artikelen bleek 
▼oor de Japansche markt te dnnr of minder geschikt te sQn. 

S) Men kent de gewoonte der Nederlanders Tan die dagen, om het in Indid voor te stdlen, alsof Neder- 
land werd bestirard door een Vorst: om allerlei redenen vonden sij dikwQls beter, hunnen republikeinsdien 
r^^eeringsform, wanneer het hun zoo te pas kwam, benoorden de linie te laten liggen. De Engelschen maakten 
▼an onsen repnblikeinschen regeeringsvorm gebruik tegenover inlandsche vorsten: wQ waren slechts een vuil 
▼oUcsken sonder koning. De Nederlanders vonden later gelegenheid dit den Engelschen op hun brood te 
geven: de terechtstelling van Karbl I op last van Cromwsll bood hun b.v. daarvoor een goede gelegenheid. 

S) Niet onaardig is het uit een brief van Brouwer aan den G. G., dd. 13 Februari 16x3, te den, hoe 
hi} self over geschenken aan inlandsche vorsten dacht In Gresik had h^ een sadel gekocht en op sijn hofreis 
naar Jedo had hQ dit gebruikt: hQ had er 300 Spaansche mijlen op geseten. Hij schrijft nu, dat dit sadel 
best kon gebruikt worden als geschenk voor den sultan van Ternate: het sag er mooi uit, was steric 
en — goedkoop. 

Oud'Holland 1907. 25 



190 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

hij mocht ze niet behouden. Volgens de op het punt van geschenken bestaande 
voorschriften zond hij ze naar Nederland, aan Heeren Bewindhebbers. 

Onze opperkoopman was over de toestanden in het land van de Rijzende 
Zon zeer tevreden. Wij dreven daar in die dagen handel in volkomen vrijheid. *) 
En deze vrijheid stak gunstig af bij de drukkende, hinderlijke, plaagzieke be* 
lemmerende bepalingeui waaraan de Portugeezen *) waren onderworpen. 

Met de bevolking van Hirado stonden wij op den besten voet. Wij hadden 
daar een uitnemende factorij, waarvoor wij de beschikking hadden gekregen over 
een stuk grond, waarop 22 woningen stonden: alleen het pakhuis was 19 meter 
lang en 13 meter breed. 

In der ambtenaren gunst mochten wij ons verheugen, zij het dan ook dat 
het duimkruid door ons daarbij niet gespaard gebleven was. Brouwer's oordeel 
over de Japanners is over 't geheel zeer gunstig. Flinke menschen, als zij onder 
goede leiding staan; matig: rijst en gezouten visch is hun hoofdvoedseL En 
daar zij bovendien geen hooge loonen of soldijen vroegen, was Brouwer gaarne 
op het denkbeeld der Hooge Regeering ingegaan, om, met toestemming der 
Japansche autoriteiten, eenige Japanners voor den dienst der Oostrindische Com- 
pagnie te werven. Een zeventigtal zond hij reeds dadelijk naar Batavia: timmerlui, 
smeden, enz., maar vooral zeelui en soldaten, gewapend met boog en pijl, welke 
zij uitnemend wisten te hanteeren. ') 

In Augustus 1614 werd Brouwer weder vervangen door Specx, aan wien 
opnieuw de leiding der Japansche aangelegenheden was toevertrouwd geworden. ^) 

VII. 

Nog nauwelijks was BROUWER uit Oost- Azië teruggekeerd, of van zijne groote 
bekwaamheden wordt opnieuw door zijne superieuren partij getrokken. Gerard 
Reynst, de opvolger van BOTH als Gouverneur-Generaal (1614 — 161 5), had hem op 
Java noodig. Brouwer had zich na zijn wederkomst uit Japan bij den Raad van Indiê 



^) Onder de artikelen van minder waarde, welke Brouwer uit Japan naar Batavia xond, noem ik 
materiaal om inkt te verraardigen en wel omdat bij dit o. a. wil gezonden hebben naar de Molokken ten 
behoeve der inlandscbe scholen; verder noemt hQ het Japansche lakwerk, enz, en koopt hij rijst op voor 
d« Molukken. 

1) Behalve de Portngeezen, dreven handel op Japan Spanjaarden, Chineesen, enz., welke alle dch in 
grootere vrijheid dan de Portugaesen mochten verheugen. In 1613 — tijdens Brouwer's verblijf in Japsai 
dns « vestigden ook de Engelschen eene £Eu:torij in Firando:sij waren uitstekend door den Shogoen ontvangen. 

8) VgU TlBLB, Boitwstoffem^ I, bldz. 29. De Compagnie heeft inderdaad dikwijls Japanners in dienst 
gehad, welke seer goede diensten bewezen. 

4) Een privilegebrief van 15 September 16x7, door Itstasoe's zoon Hidbtada aan de O. I. ۥ 
verleend (afgedrukt o.a. in mijn Corp. DipL^ I, bldz. 233), was gericht aan Hsvrsika Forrowaro, waarmee 
blikbaar Brouwsr is bedoeld: eene vergissing dns der Japansche autoriteiten in het adres. Vgl. nog 
NACHOD9 Japan^ 8. L, 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 191 

gevoegd, die toen in de Molukken vertoefde, en bij resolutie der Hooge Regeering 
van 19 Mei 161 5 werd hij in commissie gesteld met het lid van den Raad STEVEN 
DOENSSEN en den opperkoopman Abraham van den Broeck, om verschillende 
aangelegenheden op Oost- en Midden- Java te regelen. ^) 

In de eerste plaats zou ons kantoor te Grresik, volgens BROUWERS vroeger 
advies^, worden opgebroken, en in de tweede plaats zoude men pogingen dienen 
aan te wenden, om in Djapara, waar in 16 13 een Nederlandsche factorij was 
opgericht •), — alweder volgens BROUWERS denkbeelden — een versterkte Neder- 
landsche loge te stichten. Het eerste deel der opdracht was spoedig verricht : den 
7 Juli in Gresik aangekomen^ vertrokken de Heeren den 20^ daaraanvolgende 
met de Nederlanders daar ter plaatse. Zij kwamen den 24*^^ van die maand 
bij Djapara. 

Deze plaats was een der belangrijkste havens van het zich steeds uit- 
breidende ^) Mataram. De vorst van Java's middenrijk had voor de Nederlandsche 
loge ^toegeseyt steen, hout en calck tot bouwing van eene looge V3rftich vadem 
in 't viercant." Het bleek in Juli 161 5, toen onze conmiissarissen in Djapara 
verschenen, dat die belofte nog niet was vervuld, ^de huysinge vindende in 
soberen staet.*' 

Volgens den last der Hooge Regeering zoude men nu naar de hoofdplaats 
van Mataram gaan, om te trachten, de vroeger gesloten overeenkomst door een 
nieuwe te vervangen, omdat gene ^zeer weynich verseekerthe3rt en min steunsel 
heeft, alsmede eenighe poincten grootelycx tot naedeel van de Comp. syn 
streckende. *) 

Hoe echter in het hart van Java door te dringen? Mataram*s vorst was 
vèr en de regenten of ^gouverneurs", wier gewesten men zoude hebben door te 
trekken, waren machtig. Eerst zoude men met hen hebben te maken, voordat 
men tot Mataram's potentaat de wenschen der G^mpagnie zoude kunnen richten. 
Reeds dadelijk bij de eerste poging stiet men het hoofd. Onze gezanten wendden 
zich n.1. tot den regent van Kendal *), die de materialen had te leveren en deze 
legde ^en onzen zoovele bezwaren in den weg èn wat den tocht naar Mataram 



1) Vgl. D« Jonge, Opkomst, IV, bldi. XXVI, v, 30. ▼. 

S) Vgl. hienróór. Gresik was inmiddels door Mataram veroTerd. VgL Ds Jongb, IV,bldz.Vni,8,Z4. 

t) Db Jojigb, rv, Uds. VIII, 92. 

4) YgL hienróór. Zie ook Db Jongb, Qpkomst, IV, bldz. 14, v. 

^ Die vroegere overeenkomst (van 26x4) heb ik nooit aangetroffen. Men de echter den hooM- 
Inhoad er van bij Db Jonqb, Opkomst^ IV, blds. XI, v., 6, v.; aa, v.v. — De nadeelige „poincten" 
sollen wel Tooral geweest sijn, dat men „den Mattaram" holp in z^ne oorlogen beloofde „ende sjne armade 
te water rescontrerende geen hinder ofte afbreuck (te) doen." Buitendien bleek dnidelijk, dat de overeenkomst 
van z6z4 inderdaad al heel weinig ,verseekerthe]rt en (nog) min steansel" had. 

^ Aan Java*s Noordkust, ten Z.W. van Djapara. 

25» 



192 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

èn wat den opbouw der versterkte factorij betreft, dat de zending van DoENSSEN 
en de rijnen geen resultaat had. 

^Op 3 Aug** van Japara vertrocken en tot Bantam op 7 derselver ge- 
arriveert." 

Vin. 

Brouwer's Indische loopbaan was thans voorloopig weer afgesloten. In 
't laatst van October 161 5 vertrok hij naar Nederland als commandeur van de 
Groene Leeuw. ^ 

De gouverneur-generaal Reynst mocht hem graag lijden. Aan zijn zwager 
JacqüeS Nicqüet te Amsterdam toch schreef hij : „Om redenen gelieve V, E. 
(hem) mijnent wegen te caresseren ende altemets noden.'' Hij zou „oock den 
stant ende alle gelegentheyt van dese quartieren weten te verhaelen/' 

Verder schrijft Reynst eenige niet onaardige huiselijke bijzonderheden. 
NiCQUET moest aan Brouwer betalen eene som van ƒ i co. — voor „een rappier 
ende poignaerti hangsel ende riem, van hem gecocht". Verder gaf hij aan den 
Commandeur mede „een gestickte Bengaelsche deken", bestemd voor NiCQUET, 
tenminste ^indien de G>mpa]gnie dezelve voor haer niet en sullen behou- 
den". Immers, de Bewindhebbers der vennootschap waren er alles behalve op 
gesteld, dat hunne „bedienden" aan de overzijde der wereldzee Indische cadeautjes 
zonden aan hunne goede kennissen in het eerzame vaderland : 't mocht eens 
leiden tot omkoopen, smokkelen en wat niet al. ^Ick soude V. E. ende de vrunden 
geeme eenige rariteyten seynden*) " maar — ^mijnen staet" en de Bewind- 
hebbers: die boemannen I 

Onmiddelijk na diens terugkomst, wordt hij door de Bewindhebbers ge- 
raadpleegd over de koloniale aangelegenheden ') : er is sprake van een „discours", 
waarin Brouwer zijne denkbeelden blootlegde. Hieruit ziet men dat hij „ver- 
maende" — en niet zonder resultaat — tot „het ontdecken vant Zuyderlant**, 
m. a. w. van de streken der wereld, welke men vermoedde te liggen ten Zuiden 
en Zuidoosten van den Maleischen Archipel,*) een profetie van wat Brouwer 
later in het belang onzer ontdekkingsreizen zoude doen. 



1) TiBLE, Bouwsiogm^ I, blds. LVU, ii6, ▼., 132. — De BncyctopatdU van N. I. vergist lich ook hier. 

S) Niet onaardig te lezen, wat een gouYemeur-generaal Tan die dagen graag nit Nederland zou willen 
ontvangen. Rbtnst nL schrift: 

uSeyndt mij metten eersten mijn copere horloge, wel bewaert in een kasken met wasse deeden bedeet. 

Een halff donsijn paer Melansdie sijde coussens, z paer witte, 9 paer grasgroene, i paer incamadin, 
z paer blaeuwe ende z paer lijffverwe". Reijnst heeft zeker mooie beenen gehad. 

8) Onuiigêgtvtn RisohUU der Hetrm XVII, Augustus, October z6x6 (R^ksardiief in Den Haag). 

4) VgL hiervoor. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 198 

Dat de adviezen van dezen Indischen hoofdambtenaar gewaardeerd werden, 
mag worden oi^emaakt alleen reeds uit het feit, dat de machtigste der ^Kamers'', 
waarin de Bewindhebbers der Oost-Indische G^mpagnie waren verdeeld, die van 
Amsterdam, welke gewoonlijk alléén in haar midden opnam leden der invloedrijkste 
Amsterdamsche koopmansgeslachten, Brouwer al spoedig tot medebestuurder koos, ^ 

En dit niet alleen: reeds in October 1617 werd hij door die Kamer gecom- 
mitteerd ter vergadering der zeventien bewindhebbers, aan welke de centrale 
leiding der zaken gedurende den tijd hunner zitting werd toevertrouwd, ter 
vergadering van de Heeren XVII. *) 

Tot dit college dat niet permanent was, is Brouwer herhaaldelijk afge- 
vaardigd en steeds stond hij daarin op een der eerste plaatsen. Het bleek duidelijk 
in de najaarsvergadering van 161 8.') 

De verhoudingen tusschen Engelschen en Nederlanders in den Maleischen 
Archipel hadden gaandeweg in het tweede decennium der 17de eeuw zulk een 
onaangenaam karakter aangenomen, dat vijandelijkheden niet waren uitgebleven. ^) 
Men kwam op deze wijze in een zeer zonderlingen, zeer onzuiveren, zeer gevaar- 
lijken, een volkomen onhoudbaren toestand. Men zag dit in Indiê natuurlijk zéér 
goed in, maar het ging diir niet gemakkelijk, den toestand te beheerschen. Neder- 
landers en Engelschen waren diir niet de eenige factoren, met wie men te rekenen 
had; inlandsche autoriteiten en inlandsche belangen spraken meé en maakten 
den toestand zooveel te ingewikkelder. De gebeurtenissen volgden elka&r snel op, 
dikwijls moest worden ingegrepen, zonder dat men den tijd had, zich met meer- 
dere of mindere angstvalligheid af te vragen, welke gevolgen dit kon hebben voor 
de verhoudingen tusschen de in Europa bevriende machten. En waren dan vijande- 
lijkheden gepleegd, dan begreep men alweer, dat het toch al heel zonderling was, 
die kleine oorlog in Azië, naast den grooten vrede in Europa. 

^) TiSLtt, Bouwstof en, I, bldz. LVU. Van het optreden Tan Brouwer als Bewindhebber in de Kamer 
Amsterdam wordt ook gewag gemaakt in de aanteekeningen ran den bekenden Arend tan Buohsl, die van 
16x9— x6az eveneens als zoodanig dtting had in de Kamer Amsterdam (vgl. Diarimm van Artnd vanBuchtU^ 
uitgegeven door G. Brom en L. A. tan Lanqbraad. — Werken Historisch Genootschap, Derde Serie, 
no. 21, 1907, bldz. XLIX). In De Navorsektr van 1897, bldz. 609 v.v., worden een aantal belangwekkende 
bijzonderheden uit die aanteekeningen medegedeeld, o.a. de krachtige en besliste w^ze, waarop Brouwer de 
daden Tan Jan Pibterszoon Cobn, vooral diens groote gestrengheid, verdedigde tegen de opmerkingen van 
Van Buohel op grond van de meeningen van Laursns Rbael, Stbtbn tan der Hagen, enz. Men kan — 
zooals ik — betwijfelen, of men met die appreciatie van Brouwer kan meegaan en toch aangenaam getroffen 
worden door de houding, in die vergadering door Brouwer aangenomen, toen hij den alWesigen Coen ver- 
dedigde en wees op de groote moeilijkheden, waaronder deze werkte. „H. Brouwerus" » zoo luidt het — 
„ad ea respondit, qni hoc dicerent eos vel male de rei veritate esse instructos, vel hand satis commode de 
viri industria judicare, quem acerrimi ingenij et sodetati Indicae quam maxime utilem imo pemecessarium hisoe 
praesertim temporibus asseverabat : neque enm armis in quenquam usum fuisse nisi vel necessitas se defendendi, 
▼d Dominomm suorum honor, aut adversariorum plusquam punica perfidia eo eundi impulissent '* enz. 

>) Onuitgegtfftn resoiuHe dor XVI I^ October 1617 (R. A.). 

S) Onuitgegeven resoluties van 28 Augustus tot z September z6x8 (R. A.). 

*) VgL hiervoor. 



194 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

In Europa zag men den toestand anders in. De gebeurtenissen in Azië 
waren reeds bijna een jaar oud, als zij hier bekend werden. Indien zij niet buiten- 
gewoon tot het nationaliteitsgevoel spraken, of indien de Europeaansche politiek 
haar niet noodig had ten eigen bate, dan kwam de nagalm zwalges hier. Men kon 
er over nkdenken — zij waren reeds gebeurd en voordat men bevelen uit het 
moederland kon zenden, wie weet wat er in Azië al weer niet had plaats gevonden, 
't Was — in één woord — zóóver weg en de tel^^raaf was er in dien goeden 
ouden tijd nog niet 

Waarom men gemakkelijk — zij het niet zonder bitterheid — over 
koloniale twistpunten kon onderhandelen en praten. Wat te gelukkiger was, 
omdat het ten slotte gold de vraag, of de koloniale vijandschap op de politieke 
verhoudingen in Europa zou overslaan. 

Reeds, minstens sedert 1611, begon de diplomatie meé te spreken, ^) spoedig 
daarna hadden beraadslagingen plaats tusschen de Engelsche en de Nederlandsche 
Oost-Indische Compagnieën. En dat gewicht daaraan werd gehecht, blijkt uit de 
namen van hen, welke van onze zijde aan de besprekingen deel namen. HUCK) 
DE Groot, om slechts één naam te noemen, behoorde meer dan eens onder hen. 
De onderhandelingen leidden tot weinig of niets. In Indie ging het van kwaad 
tot erger, vooral in 161 6 en eenige volgende jaren, en dit, terwijl men in Europa 
zocht te geraken tot vrede en vriendschap, zelfs tQt eene vereeniging der Compagnieën I 

In de dagen nu, dat Brouwer zitting had in de vergadering der Heeren 
XVII, zouden de onderhandelingen hervat worden. En ook hier werd hij door 
zijne ambtgenooten-bewindhebbers geraadpleegd. Hij werd op het eind van 
Augustus 161 8 mét één zijner collega's ^gecommitteerd'^ om dadelijk naar Den 
Haag te reizen en met andere daar toen aanwezige Bewindhebbers aan de Staten- 
Generaal „bij remonstrantie te verzoeken hun advies en intentie, of de Comp. met 
de Engelsche Comp. sal mogen treden in naarder conferentie ten aanzien van 
de conjunctie met dezelve". Verder moest de commissie Hunne Hoog Mog^nden 
verzoeken, eveneens eenige gecommitteerden te zenden naar Londen en beproeven 
te bewerken, dat daartoe personen werden aangewezen, ^die de Comp. gunstig 
sijn en de meeste kennis van zaken hebben." 

Men weet, dat het doel dezer zending werd bereikt*): afgevaardigden uit 
deze landen gingen in December 161 8 naar Londen en na eindelooze beraadsla- 
gingen werd in Juli 161 9 een verbond tusschen de Nederlandsche en Engelsche 
Compagnieën gesloten'), dat op volkomen vitieusen grondslag rustte, omdat het 



1) Ygl. Db Jonge, Opkomst IV, bldx. LXVUI, v.v. 
S) Db Jovgb, Opkomst, IV, bldi. CXIX, v.v. 
s) Vgl. hiervoor. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 195 

ui^ng van de meening, dat de concurrentie tusschen beide natiën in het Oosten 
daardoor zoude kunnen worden terzijde gesteld, maar dat men toch in Indié heeft 
getracht in practijk te brengen: bron van nieuwe moeilijkheden, met nieuwe 
onderhandelingen in haar gevolg. Brouwer werd nu nader hierin betrokken. 
Immers, toen op het eind van 162 1 gezanten der Staten-Greneraal naar Londen 
werden afgevaardigd, om te trachten, verschillende geschilpunten, waaronder de 
Oost-Indische, tot een oplossing te brengen, besloot de Oost*Indische Compagnie, 
harerzijds ^aan deze ambassade eenige Bewindhebbers toe te voegen en onder hen 
bevond zich HENDRIK BROUWER^). Welke rol hij persoonlijk bij deze gelegenheid 
heeft vervuld, is moeilijk na te gaan ^. Het gezantschap bleef in Engeland van 
December 1621 tot Februari 1623 "). 

Of Brouwer, toen Engelands koning zich niet ontzag, de gezanten eener 
bevriende mogendheid op audiëntie in eigen paleis te bdeedigen *), toen hij ze 
schold voor bloedzuigers, toen hij hun vertegenwoordiger in het Oosten, den 
gouverneur-generaal Coen, de galg waardig heette, of Brouwer het ook toen 
voor dien vedgesmaden heeft opgenomen ? Of het Brouwer's optreden misschien 
is geweest, waardoor de Engelsche onderhandelaars zóó ontstemd werden, dat zij 
de gezanten der Staten-Generaal uitnoodigden, de vertegenwoordigers der O. I. C. 
te vermanen, zich hier bescheiden en eerbiedig te toonen, zij die immers waren 
kooplieden, die dus bdcrompen, zelfzuchtig, onbeschaafd moesten wezen ? Of het 
op Brouwer sloeg, toen onze ambassadeurs den Britten antwoordden, dat de ver- 
tegenwoordigers der machtige handelscorporatie een dergelijken raad niet behoefden, 
omdat zij zelven waren staatslieden, aanzienlijke, hoog-beschaafde mannen ? Wie 
zal het zeggen ? Maar dit mag als vaststaand worden aangenomen, dat zijn rol 
bij de onderhandelingen van groote beteekenis moet zijn geweest, omdat het 
grootste deel daarvan in beslag is genomen door de Oost-Indische aangelegen- 
heden, waarover Brouwer met kennis van zaken kon oordeelen, wijl hij nog 
in Indié was, toen verschillende der gebeurtenissen, waarover werd beraadslaagd, 
plaats vonden. Helaas, de algemeene Europeesche politiek en niet de koloniale 
staatkunde besliste ten slotte over de houding der ambassadeurs; en het verdrag 
van Januari 1623 tusschen de Compagnieën, dat aan de meeste geschillen een 



1) Arbnd, AlgtMunt GisckiednUs dts Vaderlands^ III, c^ bidx. 680, t.t., 740, t.t. 

S) Wat de RncyelopoidU daaromtrent mededeelt steunt op een verkeerd begrijpen van Fkan^ois 
Yalrntijn, Oud en Nuuw OosUIndiin, IV, z (1726), bids. 292 of van hen, die Valbntijn hebben[nagepraat» 
als Du Bois, Vies des Gouverneurs Généraux, (1763), p. X03. 

<) VgL ook Vav Rhbdb van dbr Kloot, blds. 43, noot x ; De Navorscher, z86o, bldz. z8. 

4) Eigenaardig is de gevoeligheid van koning Jaoobus voor de tactiek onser O. I. C, om den prins 
▼an Oranje aan de inlanders als de vorst van Nederland voor te stellen en den koning van Engeland als 
een ondergeschikten kleineren potentaat. 



196 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

eind zoude maken^ was een staatsstuk niet in het voordeel der onzen. Maar voet 
voor voet was het terrein verdedigd en noode werden ontvangen bevelen van 
's Lands autoriteiten in Den Haag» welke tot toegeven drongen en berusten, tot 
berusten en toegeven ^) 

Ook na 1623 bleef de verhouding der beide Europeesche natiën in het 
Oosten een twistpunt tusschen de kabinetten te 's-Gravenhage en te Londen, een 
twistpunt, meer of minder acuut naarmate dit in de hoogere staatkunde al of 
niet te pas kwam. En nog jaren en jaren zouden de grieven, welke de Engdschen 
in het Oosten tegen de onzen koesterden, onophoudelijk opgeworpen en breed 
uitgemeten worden, jaren nadat Brouwer van het terrein der Oost-Indische politiek 
was afgeroepen. 

Nog in het voorjaar 163 1 ^compareerde Sr. Hendrik Brouwer'' in de 
vergaderingen der Heeren XVII. 

De laatste • daad| door hem als Bewindhebber verricht, was verder het 
deelnemen als gecommitteerde der XVII aan eene bijeenkomst te 's-Gravenhage, 
in Februari 1632, om over de koloniale moeilijkheden tusschen Engeland en ons 
van gedachten te wisselen.^) 

(Slot volgt.) 



^) Vgl. DB JOMGB, OpJümst^ V, bidz. XXX, ▼. 

9) Vlg. L. TAN AiTZBiCA, StUUn van SUui êu Oorhgk (*8-Gravenhage, 1669), blds. 1040. 




Iets over de jeugd van Gabriël Metsu 



DOOR 
Dr. A. BREDIUa 



helaas te vroeg gestorven vriend Mr. A. D. DE VRIES Az. 
lelde in het eerste deel van Oud-Holland het testament van 
BTSU mede, drie jaren vóór zijn dood te Amsterdam verleden. 
Een reeks van archiefaanteekeningen stelt mij in staat 
n blik te doen slaan op het leven van dezen zoo verbazend 
vroeg-rijpen kunstenaar, en de vraag te doen: waar is eigenlijk al het vroege 
werk van METSU gebleven ? Wij kennen twee of drie Smidsen, een zeer groot 
stuk met een stilleven van gevogelte en een levensgroote figuur*), Thetis met 
een kleinen Amor tnj Vulkaan, *) een stuk met een paar ruim half levensgroote 
figuren, dat indertijd de Heer Warneck te Parijs bezat en een reeds wat later 
werk, Lazarus en de rijke man, in het Museum te Straatsburg ; maar hoeveel 
moet er uit zQn vroegen tijd verloren geraakt zijn of nog als onbekend in ver- 
schillende musea hangen I 

Blijkbaar schilderde METSU reeds op isjarigen leeftijd. In 1644 komt 
hij voor onder de schilders die zich te Leiden vereenigden om een soort voor- 
loopig schOder^ilde te stichten, dat eerst 1648 tot een definitief St Lucas Gilde 
werd. Hij staat daar op een lijstje') waarop Dou No. 15 is als No. 29. Hoogst- 
waarschijnlijk woonde hij tot na 1654 te Leiden, hoewel reeds bij 1650 in het 



1) Een> bij den Heer LBSSBK te Loaden (1S87). 

■} Id de nRuneling ScbOnlanck m Beri^n, later te Keulen verkocht. 
Door Dtl Id Obbkbhs Archief V uitgegeven. 
Otid'Holiand 1907 



1B8 



IETS OVER DE JEUGD VAN GABRIËL METSU. 



St, Lucas Gildeboek van die stad *) staat : Uyt der Stadt veitrocken. Waar is 
al dat vroege Leidsche werk van tien jaren gebleven? 

Als een aardigheid volge hier de handteekening van den 14-jarigen MetsU 
als getuige bij een acte van den I^idachen Notaria F. DOUDE, 10 April 
1643 verleden. 



^3^qMP 



Eer wij verder gaan een andere vraag. Zijn vader, Jacques METSU, was 
schilder, geboortig uit Belle in Vlaanderen. Naar zijne prachtige handteekening 
te oordeelen, zeker kunstschilder. Wie heeft ooit iets van zijn werk gezien ? Hij 
was 15S8 of 1589 geboren, want 31 Augustus 1626 verklaart hij omtrent 37 jaren 
oud te zijn en teekent. *) : 




^ha^tuir^e^ 



II Juni 1615, toen hij zeide 2S jaren oud te zijn, wat op 15S7 als geboortqaar 
zou wijzen, teekende hij prachtig*): 






Hij was gehuwd met Jacquemijntje Garniers en overleed 6 Maart 
1629. De vrouw bekleedde het ambt van „gesworen vroetvrouwe" en wordt 
19 December 1633 •) en 26 April 1634 weduwe van Jaqijes Metsu genoemd *). 

1) Door ml] In Obebihs Archief V nitgegereD. 

>) Piot, Nol. P. C VAM Rth, Leiden. >) Prot Nol. }. Vbrvbt, Ldden. 

*) HadadMling no Mr. J. C, Otbktookdk, Archlvadi te Leiden. 

B) I^ol. NoL D. Traudbnids, Lelden. ^ Piot. Nat. C D. tav Qkotelucdk, Leiden. 



IETS OVER DE JEUGD VAN GABRIËL METSU- IW 

Zij huwde 14 September 1637 ^^^ CoRNELis Gerritsz. Bontecraey „Schipper 
mette Lichter op Rotterdam" en was vóór haar huwelijk met JACQUES Metsu 
reeds met den schilder GuiLLAUME Fermout en nog vroeger blijkbaar met een 
Sinjeur ABRAHAM Le Foutere getrouwd (?) geweest, bij wien zij drie kinderen 
had| zooals blijkt uit het volgende testament: 

20 Augustus 165 1. Testament van d'eersame Jaecquemyntgen Gar- 
niers, lest Wede. van za. Cornelis Gerritsz, Bontecraeij, woonende 
binnen Leyden opt Marendorp opte houck van de Backersteech, sieckelyck 
van lichame te bedde leggende. 

Zij prelegateert aan haren jongsten zoon^ GABRléL Metsu, een bedde 
met zijn toebehooren te zijner keuze. Voorts haren zoon Phiups Abra- 

HAMSZ. Le Foutere, Mary Abrahamsd^ Le Foutere, haar dochter, Sara 
Abrahamsdk Le Foutere, haar dochter en GABRiéL Metsu, ieder voor 
^/^ van al hare goederen. Voorts wenscht zij dat de kinderen den inboedel 
^fnef rusie^ vrede en in stÜlicheijt te samen sullen paerten en deelend* 

In een af7onderlijke acte vertelt zij dat er aan zilverwerk is drie 
zilveren bekers, twee zilveren schalen, twee zilveren zcutvaten, een zilver 
kommetje, 16 zilveren lepelen en 4 kleine eierlepels, een zilveren sleutel- 
raecx, twee kleine zilveren kettinkjes, drie gouden ringen, en drie messen 
met zilveren hechten. 

Tot voogden over GABRiéL Metsu benoemt zij den Not». DE Haes, 
Cornelis Jansz., bakker, en Jan Adriaensz. Keyser. De weeskamer wordt 
gesecludeerd. Gei. Jakemyntgen Garniers^). 

8 September 165 1 overleed Metsu's moeder.*) Hier volgt de sommiere 
staat van hare nalatenschap: 

Stoet van den boedel van sa. Jaecquemijntgen Garniers. 

het huys op de Mare f 1380 — o — o 

2 huyskens op de uyterste graft „ 636 — o — o 

Ryck Pietersz is schuldich „ 246 — 4 — o 

GABRiëL Metsu is schuldich „ 228— 12-— 8 

Sara Abrahams is schuldich ^ 62 — 2 — o 

Jan Adriaensz. Keyser is schuldich voor een 

damaste wacht, 2 braatijzers en een Lanteern ,, 17 — o — o 

/2569— 18 — 8 

De lasten bedragen ^ 1127 — 9 — o 

Blijft / 1442— 9 — 8 

>) ProU Not. J. J. DB Habs, Leiden. 

S) MededeeliDg van Mt. J. C. Ovbrtoordb, Archivaris van Leiden, even als de datum van haar 
laatste hnwel^k. 



26 



• 



SOO IETS OVER DE JEUGD VAN GABRIÊL MBTSU. 

Verdeelt onder vier staecken komt voor elke staeck. . ƒ 360 — 12 — 6 
Daar Metsu nog voor schuld te boek stond ontving 
hij slechts ^127—14—14 

S Juny 1654 compareerden. . . . Philips Abrahamsz., Ryck Piettrsz. 
VAN Droogenham, als man en voocht van Marytgen Abrahams^ item Gabri6l 
Metsu, en Sara Arrahams, geassisteert met Dominé Petrus CabeljaU| be- 
dienaer des Goddelicken Woorts alhier, als heur bystaende voocht. , . . alle 
kinderen en erfgenamen van za. Jacquemyntgen Garniers, haer comparanten 
overleden moeder en schoonmoeder. ... en bekennen den boedel van de over- 
ledene geschift en gescheiden te hebben. 

Get. Flieps Abramse. 
Ryck Pyetersz. 
Gabricl Metsu. 
Sara Abrahams. 
Petrus Cabeljau. 
De zaak gebeurt ten huize van Dominé Cabeljau. 

Er staat nog bij : In de rekening .... blijft METSU nog schuldig : 
van wegen 't geen gehaelt is by de hoetstoffeerder, lakenkooper en andersins 
een somme van f 129 — 2 — 8 

Des moet Metsu aen de dienstmeijt goet doen haer huijr tot 12 gl. *). 

Op denzelfden dag wordt een eigenaardig contract gesloten door de drie 
vóórkinderen van JACQUEMIJNTJE Garniers, die den eigenaardigen naam van 
hun vader niet meer schijnen gebruikt te hebben, met hun nog onmondigen 
halfbroeder, onzen schilder. De uitlegging, die hier aan te geven is, zou deze 
kunnen zijn, Metsu begon met schilderen aardig te verdienen. Hij schijnt 
zuinig geweest te zijn, en had een potje van / 800.— gemaakt. Zijne zusters 
en broeder dachten misschien: als hij nu gaat trouwen, krijgen wij nooit iets 
van dat alles. En laten hem dus belooven, dat hij in elk geval ieder van hun 
f 200. — prelegateren zal, of hij trouwt of niet. 

5 Juny 1654 verklaren PHILIPS Abrahamsz., Ryck Pietersz van 
Droogenham, als getr. hebbende Marijtgen Abrahams, Gabricl Metsu 

en Sara Abrah AMS, dat zy zich zullen houden aan de testamenten 

en codicillen door hun za: moeder voor Not. DE Haes verleden en 

wel onder de volgende conditie: 

dat zo haest wanneer de voorsz. GABRléL METSU deser werelt soude 

1) Prot. Npt. J. J. DB Habs, Leiden. 



IETS OVER DE JEUGD VAN GABRIÊL METSU. . «01 

mogen comen te overlyden, tsy getrout of ongetrout, met ofte sonder kin- 
deren, dat alsdan zyne Gabriöl's broeder, suster en swager off heure affco- 
melingen voor uyt sijne na te laten goederen trecken en genieten zulten een 
somme van ses hondert guldens te XL gr: tstuck, ende ingevalle hij GABRléL 
Metsu zo veel goederen niet en mocht comen na te laten, zo belooffden 
zylieden d'voorn: GABRléL daervan een eerlicke begravinge te doen. Ende 
de voorsz. GABRiéL Metsu verclaerde noch tot meerder verzekertheijt van 
srïjn voorn, broeder, suster en swager te verbinden d'obligatie van achthondert 
gulden capitael die hij opt gemeen Lant van Hollant en Westvrieslant ten 
comptoire van den Heer Ontfanger DOUBLETH in 's-Gravenhage sprekende heelt 
Onderteekend als voren *) : 



ymieZ- /fiéU 



d 



Metsu schijnt echter niet zeer veel nagelaten te hebben. In een ietwat 
duistere acte, 30 Oct, 1667 voor Not. jAC. Hellerus te Amsterdam gepasseerd, 
zeggen de drie hierbovengenoemde Leidsche erfgenamen, dat zij repudieeren alle 
erfenissen, hun door Metsu gemaakt (in zijn door DE Vries gepubliceerd testa- 
ment van 1654) en zelfs de / 600. — van het zooeven vermeld contract aan de 
weduwe, Isabelle de Wolff, willen laten. Helaas heb ik te vergeefs te Amster- 
dam gezocht naar een inventaris of boedelscheiding van Metsu; er is meer 
verdwenen dan aanwezig van zulke documenten en het b slechts een puiu: toeval 
als er nog iets van dat alles is overgebleven. 

Dat GABRléL Metsu bepaald in 1629 en niet in 1630 geboren is, blijkt 
uit de volgende acte: 

II Januari 1654 quiteert GABRléL Metsu, voljaerde jongman, zoon 
en mede-erfgenaam van za: Jacquemyntge Garniers^ zijn overleden moeder, 
woonende binnen Leijden, zijne voogden van de voogdijschap, die zij tot nu toe 
over hem gehad hebben, en bedankt hen voorde ^trouwe zorge" enz. Hij teekent^ : 




1) Prot. Not. J. J. DB Habs. Leiden, 
s) Prot Not. J. VAN Gribckbn, Leiden. 



902 IETS OVER D£ JEUGD VAN GABRIËL METSU. 

Uit deze acte blijkt ook duidelijk dat hij in 1654 nog zQn vaste woon- 
plaats te Leiden had. Dat hij omstreeks 1650 n<^ goedkoop werkte, zien wij 
uit de alleraardigste en leerrijke verklaring voor den reeds meermaal genoemden 
notaris DE Haes. Waarvoor die gemaakt werd blijkt niet. Wellicht om te 
bewijzen, dat de Heer DE ROY niets meer aan Metsu schuldig was. 

2 Mey 1652. Jacob Thybergen verklaart ten verzoeke van de erfge- 
namen van za: NicOLAES DE ROY ^dat omtrent drie jaeren geleden hy 
„deposant mette voorn: NicOLAES DE ROY za: is geweest op te camer 
y^{s€hiliUrcaLmtv is doorgehaald) van GabriCL Mesu [Metsu], schilder, staende 
„opte Oude Maren om [te sien het conterfeytsel — is doorgehaald] de voorn: 
^DE ROY za: te sien conterfeyten ende aldaer zynde, vraechde hy deposant 
j,de voorn: de Roy aff: waerom en laet ghy U niet conterfeyten by Claes 
^VAN Eegeren [Negeren] alsoo hy het hoochnodig >an doen heeft'', daerop 
de voorsz. DE ROY hem deposant ter antwoort gaff: hier en sal ick geen 
geit voor geven, alsoo wy samen gehandelt hebben, want hy [Metsu] heeft 
van my de leenman die daer staet aen de betstee daervoor sal hy my con- 
terfeyten, en ick sal noch dat schildery toe hebben, dat daer staet, t'welck 
een lantschap uyt Ovidius was, sonder dat wy den anderen iet sullen toe- 
geven . Wijders niet enz. ^) 

In 1657 treffen wij Metsu reeds als te Amsterdam wonend aan. Men had 
hem belasterd, men had van hem allerlei leelijke dingen verteld, o. a, dat hij op 
de Academie te Leiden een dame van lichte zeden medegenomen had, men 
beweerde hem des ochtends te zes ure gezien te hebben uit een verdacht huis 
te Leiden komende enz. Om dat alles had hij die stad moeten verlaten. 19 Juli 
1657 laat GabriCL Metsu, wonende op de Prinsengracht te Amsterdam, ver- 
klaren, dat iemand al dat kwaad van hem verteld heeft. '). 

16 October 1657 legt hij eene verklaring af over burengerucht. *) Hij 
zegt daarbij 27 jaren oud te zijn. En 12 April 1658 worden door Not. J. VAN 
Wyningen te Amsterdam de huwelijksche voorwaarden van Sr. GabriöL Metsü, 
jonghman en Jofïe. Isabella de Wolff, geasst. met Maria de Grebb£R« wed. 
van Wouter de Wolff opgesteld. Bij vóóroverlijden van den schilder zal de 
weduwe genieten hare ingebrachte goederen en de juweelen die hij haargeschon- 



1) Prot. Not. J. J. DB Haes, Leiden, 
s) Prot. Not. H. Westfrisius, Leiden. 
^ Prol. Not. C. Tou, Amsterdam. 



J 



IETS OVER DE JEUGD VAN GABRIËL METSU. 208 

ken heeft, en nog „uyt des bniydegoms goet ƒ lOOO. — ". In het omgekeerde 
geval hetzelfde. Getuigen zijn Antonius DE Grebber, schilder en ROEMER 
VAN Staveren. 

HouBRAKEN weet zoowat niets over Metsu te vertellen en geboorte- en 
sterijaar zijn bij hem geheel onjuist. 

Ik meende, dat het belangrijk genoeg was, omtrent een onzer grootste 
meesters van het penseel, wiens werk thans tot het gezochtste en duurstbetaalde 
gerekend wordt, alles mede te deelen wat ik over hem vinden kon. 

Denkelijk leerling van Dou, wist hij, ondanks een zeer uitvoerige en delicate 
schildering een breedere opvatting te bewaren, zijne binnenhuizen en „coopvrou- 
wen", zijne elegante dames en heeren, in gesprek of bij de muziek, zullen steeds 
tot de gedistingeerdste kunst van het midden onzer Gouden Eeuw geteld worden. 



NASCHRIFT. 



De eerste (of tweede?) echtgenoot van Metsu's moeder was vermoedeUjk 
de schilder GlLLlAH Fermoot of Strazio Voluto door HOOGSTRATEN genoemd. 
Zijn vader Jan Jansz, wordt in een acte van i: Augustus 1641 halsbantmaecker 
geheeten. Hij was toen overleden in het Proveniershuis te Hoorn en BoNTECRAEy 
laat zijn schamele erfenis ontvangen voor zijne echtgenoot& Hij heet daar de 
vader van Willem Jansz, Fermoüt. 



ZU EINEM PORTRAIT VON ANTH. VAN DYCK 

in der Gemaldegalerie in Cassel 

VON 

Dr. e. WALDMANN. 



UR Identificierung eines Portrats von VAN DyCK, das bisher als 
Bildnis eines Unbekannten galt, seien mir nachfolgende Bemer- 
kungen gestattet, 

Es handelt sich um das Bild No. iiS des ausf&hrliclien 
Galericcatalogs , eio Herrenbildnis in ganzer Fïgur, das von 
Hanfstangl photographiert und verschiedentlich publiciert ist, u. A. in dem 
HANFSTANGL'schen AbbÜdungswerk der Casseler Galerie, vorher in der Knack- 
FUSS-Monographie (Abb. 31, Seite 46). Da der jetzt vetgriffene Catalc^ ziem- 
lich selten geworden ist, sei die in ihm enthaltene Beschreïbung dieses Bildes hier 
abgedruckt : 

^118(300). Bildnis eines Herrn von io bis 55 Jahren, stehende lebens- 
grosse Figur. Er ist nach rechts gewendet und hat, mit der gesenkten Rechten 
den Oberwurf seines Staatsgewandes leicht enipomehmend, die Linke sprechend 
erhoben. Er trïgt einen langen Rock von schwarzem Atlas, einen etwas ins 
Graue spielenden Überwurf vont selben Stoff, schwarze Stiampfe und schwarze 
Schuhe, Sein etwas spftrliches Haar ist dunkel, der Schnurrbart dunkelbraun, der 
Kinnbart grau. Er hat einen eiofachen, halb steheoden Kragen und anliegende 



<■• 






JOOST DE HERTOOHE, 
Gravure van Jacobus Neeffs, naar de schilderij van Anthonie van Dyck. 



ZU EINEM PORTRAIT VON ANTH. VAN DYCK 205 

Manschetten. Hintergnind hellbraune Wand, rechts mit dunkdgrttnem Vorhang, 
links mit schmalem landschaftlichen Ausblick.*^ 

Man hielt den Dargestellten früher für einen englischen Prediger, vielleicht 
auf Grund seiner etwas düsteren schwarz-weissen Tracht. Aber diese Annahme hatte 
Dr. O. ElSENMANN in einer Anmerkung zur Catalogbeschreibung als grundlos 
verworfen. Sicher sagen konnte man nach dem Augenschein nur, dass es sich um 
einen Mann in Staatstracht handle. Der Gestus des Redens mit herausgeneigter 
Hand, das Explicierende^ quasi Disputierende l^st weiterhin an einen Mann 
denken, dessen geistiges Geschat mit Logik eng zusammenh^ngt. 

Der Dargestellte ist ein Diplomat, er heisst JOOST DE Hertoghe und 
nahm im Jahre 1636 an dem Reischstage in Regensburg teil, als Gesandter des 
Kaisers. 

Es existiert ndmlich ein Stich nach diesem Gemailde, der den Mann im 
Brustbild wiedergiebt, eine nicht sehr qualitutvolle Arbeit des JACOBUS Neeffs. 
Das Blatt ist von WlBiRAL in seinem Catalog der VAN DVCK-Sticbe unter N^. 184 
beschrieben. Unter des Darstellung befindet sich eine dreizeilige Unterschrift mit 
folgendem Wortlaut: 

„Messire losSE DE Hertoge chevalier SR. de Franoy, Honswalle etc. con- 
seiller du conseil de Brabant, ambassadeur de la part de sa Maté. catholique coe. 
Ducq de Bourgoigne et des Pais-Bas, a la diète de Ratisbonne de Tan 1636/' 

Das Blatt gehort nicht in die eigentliche „Ikonographie/' nicht in die Reihe 
des 100 Portr£lts. Ihm liegt keine den Stich vorbereitende Zeichnung von der Hand 
des VAN Dyck zugrunde, sondern er ist direkt nach dem Gem^de copi^rt» mit 
allen Details, mit der Handbewegung. Ein Zweifel darüber, dass der Mann des 
Casseler Bildes und der des NEEFFF-schen Stiches ein und dieselbe Person ist, ist 
also ausgeschlossen. 

Wann ist das Bild gemalt? Man möchte das Entstehungsdatum in die Nilhe 
des Jahres 1636 setzen, in das die bedeutendste Th^tigkeit des Joost DE Hertoghe 
(allL Ein weiterer Terminus ist mit dem Jahre 1638 gegeben ; denn im August dieses 
Jalires starb er, laut Notiz in einer handschriftlichen Genealogie, die in der Bibliothek 
in Brussel aufbewahrt wird^). Nun war VAN DvCK seit dem Jahre 1631 dauernd 
in London ans^ssig, mit Ausnahme der Zeit vom Sommer des Jahres 1634 bis in den 
Frühling 1635, die er in seiner Heimatstadt verlebte. Er hat dort in Antwerpen 
ausser einer Anbetung der Hirten und einer Beweinung Christi verschiedene Portr£lts 
gemalt. Das Bildnis des Malers Gasper db Crayer ist in dieser Zeit entstanden. 



1) Herr Dir. E. W. MoBS nntenog sich der Mühe, auf der Brfisseler fiibliothek nach Daten aber 
Joost db Hbrtoghs zn forschen. Ich spreche ihm an dieser Stelle meinen aofrichtig ergebenen Dank aus. 

Oud'Holland 1907 27 



«08 Zü EINEM PORTRAIT VON ANTH. VAN DYCK 

und auch eine politisch sehr versierte Persönlichkeit malte er in diesen Monateni 
den Abbé Scaglia. Vor allem aber verewigte er w£lhrend dieses kurzen niederUln- 
dischen Aufenthaltes den damaligen Stadthalter der Niederlande, Erzherzog Fer- 
DINAND von Oesterreich *). Er was also in oQiciellen und halbofiiciellen Kreisen 
beschsUtigti und dem Hofe stand er nahe. Da ist sehr wahrscheinlicb, dass er bei 
dieser Gelegenheit auch dem Gesandten seiner katholischen Majesteit bekannt wurde 
und dass dieser bei ihm damals, ehe er sich auf seine politische Reise in die 
Redeschlacht begab nach Regensburg, sein Bildnis bestellte, im VoUgefühl seiner 
diplomatischen und oratorisch sicher bedeutenden Würde, — Das BUd wSLre demnach 
im Anfang des Jahres 1635 entstanden. 

Das Bild stammt aus England, es wurde dort vor 1749 von Geh. Leg* 
Rat, VON Alten erworben. Diese Thatsache fordert, daran zu denken — wenn 
auch nur für einen Augenblick — dass neben der Datierung um 1635 noch eine 
andre Möglichkeit bestehen bleibt. Nilmlich die, dass das Bild in England gemalt 
sein könne. Man müsste dann annehmen, das JOOST DE Hertoghe nach Schluss 
des Regensburger Reichstages, also nach 1636, nach England ging und sich dort 
malen Hess. Da er aber am 4. August des Jahres 1638 schon starb und da die 
genaue Angabe in der Genealogie es wahrscheinlich macht, dass sein Tod nicht im 
Auslandy sondern in der Heimat erfolgt sei, so bleibt wenig Zeit fur eine Reise 
von Regensburg nach England übrig. Die englische Provenienz des Bildes 
erkl^üt sich vielmehr leicht aus der Vorliebe englischer Sammler für Portr£lts 
von VAN DYCK. 

Der Stichi der nicht sehr viel sp^ter gemacht sein wird — die Tsitigkeit 
des Neeffs fsillt in die Jahre 1632 bis 1645 etwa, konnte dann von der Reichstag* 
t^tigkeit des HERTOGHE als von einem fait accompli reden. Das Blatt ist anschei'» 
nend nicht sehr h£lufig als Einzelstück anzutreffen, obgleich die Platte noch filr 
fQnf Buchauflagen benutzt wurde '). Es kommt nur in einem Etat vor und scheint 
nicht den gleichen 3^if^l gefunden zu haben, wie die übrigen PortrSlts nach 

VAN DYCK. 

In Cassel htogt neben diesem Gem&lde ein grosses Frauenportrilt, gleich£sdl8 
von der Hand des VAN DvCK. Es g^ilt infolge einer Tradition als Pendant zu 
dem Msinnerbildnis, und die dargestellte Dame w^re demnach die Frau des JOOST 
DE Hertoghe. Der Katalog bezweifelt dies aber aus künstlerischen Grründen* 
Die Beschreibung lautet: 



1) MiOHiBL, Van Dtok et ses élères. Cap. XXII. p. 436 ss. 

9) SzwTKOWSKi, Antonib V. Dtcks Bildtiisse bekannter Personen, Naumanhs Archiv. Band V, 
(1859), Seite 36. 



Si 
il 

is 

ii 



Si 

21 



r o, 



^- ."= 
tn ~ 

O :£ 

SS 

H UI 



' • • • 



IN DER GEMALDEGALERIE IN CASSEL. 207 

„1x9. (301) Bildnis der Gemahlin des Vorigen(?), etwa im Alter von 
40 — 45 Jahren, stehende lebensgrosse Figun Sie ist nach links gewendet, blickt 
aber grade aus, hat ursprünglich blondes^ doch hier schon ins Graue spielendes 
Haar, greift mit der gesenkten Linken in ihr schwarzes Atlaskleid, und l£lsst die 
Rechte, welche Handschuhe h^lt, auf der Lehne eines roten Armsessels ruhen, 
über den ein roter Vorhang herab&Ut und auf welchem ein rotes Kissen liegt. 
Sie trSlgt einen breiten doppelten Spitzenkragen^ der über die Brust herabreicht, 
eine Brosche, grosse Perlen im Ohr und ein doppeltes Perlenhalsband über dem 
Kragen; auch der Rand ihres Schneppleibes ist mit Perlen eingefasst. Auf dem 
Boden unter dem Sessel ein Sm3rrnateppich. Hintergrund rechts dunkelbraune Wand, 
links ein schmaler Ausblick auf blauen Himmd, von dem sich die Bl£ltter eines 
Feigenbaumes abheben." Die ursprünglichen Maasse der beiden Bilder stimmen 
überein (203/04 cM. 120 cM.), auch wurden sie zusammen erworben. Das Alter 
der Dargestellten würde gleichfalls zu der Annahme^ dass hier Eheleute portr^ltiert 
seieily wohl passen; die Frau erscheint um nicht ganz 10 Jahre jünger als der 
Mann — , ein ziemlich hsiufiges Verh£lltnis. Jedoch sprechen nach Ansicht von 
Dr. O. ElSENMANN künstlerische Gründe gegen diese Annahme. 

Die Frage des Pendants bei Bildnissen VAN Dycks muss hier kurz gestreift 
werden. Sicher ist ja, dass auf den beiden in Frage stehenden Bildem einige 
Abweichungen auffallen, vor allem im Arrangement der Figur im Raum, und in 
der Farbenhaltung. Der Mann steht vor einer ungegliederten Wand, das ganze 
Beiwerk besteht aus einem Vorhang. Eine kleine Abwechslung bringt ein Ausblick 
ins Freie. Im Übrigen ist aber der Gesamteindruck ein wenig kahl und trocken. 
j^ie Farbengebung erhöht diesen Eindruck, ausser dem Schwarz und Weiss der 
Kleidung gleichfalls nur kalte Töne, Fahlgdb und ein sehr gedecktes Grün. Bei 
dem Bilde der Frau dagegen ist alles reicher. Ein grosser Sessel ist da, mit einem 
Kissen, auch ein Smyrnateppich. Im Gegensatz zu der Einfachheit der Kleidung 
des Mannes ist sie sehr pr£lchtig hergerichtet, mit Atlas und doppelten Spitzen, 
mit Handschuhen, Brosche und vielen Perlen. Und vor allen Dingen, die Farben t 
Das Bild wirkt heiter und festlich, das Rot des Vorhangs leuchtet warm, der 
Sessel mit dem Kissen ist gleichfalls rot, der Sm3rrnateppich bringt neue coloris- 
tische Varianten, und das Stück des Himmels, das sichtbar wird, ist freundlich 
biau. Das sind in der That Abweichungen genug, ja GegensSltze. Und dennoch 
ist damit die Yermutung, dass diese zwei Bilder und diese zwei Menschen zu- 
sammengehören, noch nicht zu widerlegen. Van Dycx hat nSlmlich, wenn er Ehe- 
paare darstellte, ziemlich oft verschiedene Arrangements bei Mann und Frau getroffen ; 
das ist sogar bei ihm das Gewöhnliche. Man nehme nur das Portrfttpaar von 
Karl I von England und der Königin HenriêTTaI Der bestimmende Linien- 

27* 



n 



208 ZU EINEM PORTRAIT VON ANTH. VAN DYCK 

eindruck bei ihin ist unruhig, die Draperie mit den schwer gerafften und bewegten 
Falten, die schroffe Teilung des Hintergrundes giebt dem Bilde etwas hastiges, das 
unsere Pbantasie damit auch auf das Temperament des Dargestellten abertrïLgt, 
und wahrscheinlich auch Obertragen solL Die Königin dagegen steht ganz ruhig, 
ganz reserviert. Der Hintergrund ist ein gerader, faltenloser Stoff, eine ruhig aus- 
gebreitete FlSlche. Die beiden Bilder geboren bestimmt zusammen; die Ver- 
schiedenheiten im herschenden Eindruck gehen auf Kosten des Characterisierung 
der Persönlichkeiten. — Ahnliches findet man öfters wieder. So in der Galerie in 
München bei den Bildern des gr&flichen Ehepaares Croy. Der Hintei^^nd auf 
dem Klde des Grrafen ist Oberwiegend architektonisch, und der Mann istdadurch 
mit dieser Architektur in Verbindung gebracht, dass er mit dem rechten Fuss 
auf eine Stufe tritt. Die Wand ist mit Pilastern in flachem Relief gegliedert, 
die SSluïc geriefelt — das l^st die etwas dicke Gestalt des Grafen ein wenig 
schlanker erscheinen. Der Hintergrund auf dem Bilde des Gr&fin dagegen ist 
vorwiegend von einer reichbewegten Draperie eingenommen, und die Tiefenan- 
regung, die bei dem Msinnerbildnis durch die Schrilgstellung einer Stufe gegeben 
war, f£Ült hier fort. Auch sonst sind nicht unbedeutende Unterschiede vorhanden, 
zum Teil bestimmender Art. VAN Dyck stellt im AUgemeinen gern den Mann 
vor möglichst reiche Architektur, die Frau im Gegensatz dazu lieber vor einen 
Hintergrund, bei dem weiche Stoffe vorherrschen, wie Draperien und BOsche; ein 
Beispiel fur den letztgenannten Fall bietet das Portr^tpaar des BOrgermeisters und 
der Bürgermeisterin von Antwerpen, in der Königlichen Pinakothek zu München. 
Und dass nach seiner Auffassung die kahle und unbewegte Form eines Architek- 
turstückes zum mtanlichen Charakter gut passt, wilhrend dem weiblichen eine 
weiche Draperie besser eignet, das lehrt uns das Doppelportr&t (nicht Portrat- 
paarl) des Malers jAN DE Wael uud seiner Frau, gleichfalls in München, wo 
beide Gegenst^nde vereinigt sind: Der Mann steht vor einer Silule, die Frau 
sitzt vor einem Vorhang. Man kann also fast von einer Gewöhnung in dieser 
Richtung bei VAN Dyck reden. Dass hiervon das besprochene Portrat König 
Karls von England eine Ausnahme macht, ist nur scheinbar. Viel M^nnliches 
hatte er nicht in seinem Temperament und seinem Charakter, und HenriêTTA 
war wohl strenger im Wesen — aber auch wohl langweiliger — als ihr hoher Gemahl. 
Als die Berliner Galerie vor sieben Jahren die beiden pr&chtigen Genueser 
Bildnisse von VAN Dyck erwarb, die Prof. Laban im Jahrbuch der königlich 
preussischen Kunstsammlungen publicierte, ^) erhoben sich auch Zweifel daran, 
ab hier wirklich Pendants vorlilgen. Laban hat diese Zweifel beseitigt, trotz des 



^ Jabrgang X901, Seite 005 ff. 



IN DER GEMALDEGALERIE IN CASSEL. 209 

verschiedenen Arrangements. Die beiden Menschen sitzen verschieden hoch im 
• Bilde, die Frau ist etwas tiefer in den Raum hineingestellt. Der Hintergrund ist 
bei ihm eine Anzahl von Pilaster an einer Wand» bei ihr eine Silule und ein 
Vorhang ; auch liegt unter ihrem Stuhl ein Smyrnateppich auf dem Boden, der 
bei ihm fehlt. Laban meinte, dass diese Unterschiede nichts sagen wollten gegen- 
über der Characterisierung der Personen; das Wesen der Frau habe etwas 
Entfemteres, Discreteres, etwas, das mehr zum Distanznehmen veranlasse, als das 
des Mannes. Und entscheidend wird bei der Bejahung der Frage, ob Pendants 
oder nicht, des Weiteren ein neuer Umstand : die RoUe, die die Heinde im Bilde 
spielen. Bei VAN Dyck 'gewiss keine nebensachliche Rolle I Wohl sind auf den 
ersten Bliek die beiden Berliner Bilder in diesem Punkte verschieden. Aber sie 
sind doch durch ein heimliches Mittel verbunden. Wenn man n^mlich die Bilder 
egalisiert, indem man vom M^nnerportrüt oben soviel wegnimmt, wie unten beim 
Frauenportr^t — den Unterschied also, um den die Frau höher im Bilde sitzt, so 
findet man, das die vier Heinde sich in einer schnurgeraden Linie befinden. Das 
kann kein Zufall sein bei einem Künstler wie VAN Dyck, der sein Arrangement 
oft vorher in Federskizzen bis ins Genaueste berechnete, in einer fast photogra- 
phenhaft ^ngstlicher Sorgsamkeit. 

Lassen wir uns nun des Nilheren auf die Spracheein, dieaufden erw&hnten 
Portriltpaaren die H^nde reden, so erfahren wir, das fast immer sie es sind, 
die bei aller Verschiede^iheit der ganzen Anordnung die Menschen zueinander 
fügen. Van Dyck hat hier eine Wiederholung und Gleichheit der Motive ausge- 
bildet, die ihre heimliche aber sehr wesentliche Bedeutung haben. Die Portr^ts 
sind natürlich einander stets zugekehrt Die Menschen sehen sich an» nicht immer 
viel, besonders bei feierlicher Representation nicht, aber ein wenig. Die Fronten 
der Figuren neigen sich zu einander. Und daber hat der Maler nun darauf geachtet, 
dass die Gesten der H^nde bei Beiden einander entsprechen. Die ilusseren Arme 
sind lang heruntergenommen, dann sind die inneren in bewegterer, runderer 
Haltung gegeben. Aber fast nie ist es so, dass sein ^usserer Arm etwa gebogen 
ist, wëhrend sie ihren iluseren Arm senkrecht fallen Isisst. Das kommt nicht 
vor. Van Dyck vermeidet das, als eine unruhige und storende Fahrigkeit, 
Wie ein Poet, wenn er Binnen- und Aussen-Reime verwendet» auf correspondie* 
rende Symmetrie achtet. Nur darf man bei dér Malerei nicht so pedantisch 
rechnen wie bei metrischer Silbenstecherei. Die Neigung in der Haltung der 
Arme ist nicht immer auf einen Winkelgrad genau. Aber die wesentliche Wirkung 
dabei ist immer im Gleichgewicht. 

• Betrachten wir nun noch einmal unsere beiden Casseler Bildnisse. Die 
Gegens&tze in der künstlerischen Behandlung sind nicht zu leugnen* Aber sie 



aio ZU EINEM PORTRAIT VON ANTH. VAN DYCK. 

beweisen wenig — bei einer Reihe von Portratpaaren kommen ahnliche, ja noch 
weitergebende Unterscbiede vor, und wir sahen, dass sie sich oft durch die ^ 
Cbarakterisierung der verschiedenen PersOnlicbkeiten erklaren liessen. Aber sein 
heimlicbea Mittel, zusammengebörende Menschen bei den Handen zu nehmen 
und sie so still zusammenzufilgen, das tritt auch bier in Kraft, Die Hande sind, 
wenn man die Bilder auf ihre ursprünglichen Maasse bringt, in einer Linie, und 
die Motive entsprechen einander. Die ftusaeren Arme sind gesenkt — oatOrlicb 
gebOrt das MannerbUd, vom Bescbaner geschea, auf die linke Seite — , die inneren 
in starker Krammting geneigt. Und da dieses Gebeimmittel bier Sticb tUÜt, da 
die Maasse der Bilder flbereinstimmen, da die Frovenienz der Bilder die gleicbe ist, 
und da die Altersdifferenz der dajgestellten Personen die bei Ebepaaren gelAufige 
ïst, so sprechen alle Warscbeinlicbkeitsgrtlnde dafar, dass wir es bier mtt Pendants 
zu tbun baben, leb glaube, dass die portr&tierte Dame die Gattin des JOOST 
DE HertOGKE ist. Aus der Genealogie seiner Familie, die uns scbon das Datum 
seines Todes lieferte, erfabren wir, dass er verbeiratet war mit Anka VAN Craesbek^ 
und wenn una dtese Name als Scblussresultat unserer Untersuchung auch wen^ 
interessant vorkommt, so mag uns die Erkenntnts trosten, dass bei kunstbisto- 
riscben Untersucfaungen dieser Art der Weg oft wichtiger ist als das Ziel, 






* 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS 

DOOR 

Dr. A. BREDIUS en E. W. MOES. 

III. 



ISAAC MYTENS. 

SAAC Mytens was de jongere broeder van DANIËL. 

Omstreeks i6oi of i6o2 moet hij geboren zijn, en wel 

waarschijnlijk te 's Gravenhage. In 1622 deed hij daar 

zijn intrede in het St. Lucasgild, ') na vermoedelijk 

opgeleid te zijn door zijn broeder. Al spoedig 

leverde bij een bewijs van zijn bekwaamheid in het 

groote familieportretstuk in het Museum te Dresden, 

geschilderd in 1624 en voorstellende zijn broeder Da VID 

met diens vrouw JüDITH Heyndricx en vier kinderen, Frederick, Johanwes, 

Anneke en David. Toen het nog in particulier bezit te Kopenhagen was, gold 

het voor het werk van DANIËL, maar deze was te dien tijde in Engeland en 

kon daar geen gelegenheid gehad hebben zijn Hollandeche familieleden naar het 

leven te schilderen. 

1) Obkbbns Archief III, p. afa. 



n 



212 DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 

Links zit de vader in de gewone zwarte kleeding van dien tijd met een 
breedgeranden hoed op en een slappen plooikraag om, die het donkere gelaat 
met Vlaamsch type naauw omsluit. Hij heeft een opengeslagen boek in de 
handen, waar de namen en leeftijden der voorgestelden in aangeteekend staan: 
Davidt Mytens, out sijnde 42; Jüdick Mytens, out sijnde 43; Fredericki2. 
JOHANNES 10. Annecke 8. Davidt $. AftHO 1624". Aan zijn linkerzijde staat 
de oudste zoon Frederick, rechts kijkt met den hoed in de hand Johannes 
tegen hem op, evenals de kleine David, die tegen 's vaders knie aanstaat; tegen- 
over hem zit te rechter zijde zijn vrouw met een wit hoofdkapje en een stijven 
plooikraag; zij heeft de rechter hand op den stoelleuning en houdt met de linker 
het naast haar staande dochtertje Anneke vast; aan haar andere zijde staat nog 
een jongetje, dat op het boek niet vernield is. Daar wij van meer kinderen 
dan het genoemde viertal geen gewag gemaakt vinden, hebben we in dit jongetje 
wellicht slechts een huisgenoot te zien, ofschoon een sterke gelijkenis met de 
andere kinderen dit niet zou doen vermoeden. Er, zooals in den catalogus van 
het museum te Dresden staat, een reeds gestorven kind in te zien, kunnen wij 
bezwaarlijk aannemen; die werden anders voorgesteld en buitendien zou zijn 
naam dan niet op het boek verzwegen zijn. 

In 1628 werd in het Kohier der verpondingen als wonende aan de west- 
zijde van de Veenestraat genoemd: ISAAC Mytens, schilder^ 31 £ $ fi» 

Van wat hij schilderde weten wij slechts uiterst weinig, maar dit weinige 
toont, dat hij goede relaties had. In 1630 toch sneed WiLLEM HONDIUS een 
prent van het portret van graaf Willem van Nassaü-Katzenelbogen, waarop 
hij als schilder aangaf ISAC MijTENS, en ook op een andere prent van denzelfden 
Willem Hondiüs, voorstellende den vermaarden zeeheld, PiET Heyn's ouder- 
admiraal Hendrick Cornelisz. Loncq op 62-jarigen leeftijd, is ISAACQ Mytens 
als de schilder aangemerkt. Daar LONCQ in 1568 geboren is, moet dit laatste 
portret omstreeks 1630 geschilderd zijn. 

3 Febr. 1632 werden de huwelijksche voorwaarden opgemaakt tusschen Sr. 
ISAAC Mytens wt *s Gravenhage^ geassisteerd met zijn broeder Abraham en zijn 
zwagers JOOST Guldenmont en Laurens Grimbergen en ^d^ eerbare Hen- 
DRICKGEN DiRCK Herbers" wonende te Amsterdam *). 8 Febr. 1632 bad daarop 
de ondertrouw plaats en 25 Febr. werd het paar in de Groote Kerk te 's Graven- 
hage getrouwd door Ds. MODEUS. Bij dien ondertrouw, waarvan de acte reeds 
vroeger in dit tijdschrift gepubliceerd is'), wordt de schilder 30 jaar oud genoemd, 



1) Prot notaris J. C. Hogheboom te Amsterdam. 
S) Oud-HoUand III p. 332. 



DE SCHILDERSFAMIUE MYTENS. 218 

maar vreemd is het, dat de bruid, nu Heyndrickje Dircx Harbars genaamd, 
opg^even werd als kqmende van Gouda; zij was geassisteerd met haar vader 
DiRCK Harbars en haar moeder Tryntje Jans. 2k>nder dat namen genoemd 
worden, vinden wij in de Kloosterkerk achtereenvolgens drie kinderen van ISACQ 
Mytens gedoopt, 17 Juni 1633, i8 Dec. 1635 en 20 November 1637. 

Na drie jaar achtereen, 1634, 1635 en 1636, op de voordracht voor Hoofd- 
man van het St. Lucasgild gestaan te hebben, werd hij in 1637 tot die functie 
geroepen en bleef de post ook in 1638 bekleeden. ') 

Evenals zijn broeder Daniël was hij een kerkelijk man, die in 1634 tot 
het ambt van Diaken geroepen werd. 

Zijn handteekening staat onder een acte die hij 18 Mei 1636 te Amster- 
dam voor de familie Herbers teekende. ') 



^"r^^Uiémi^ 



18 Sept. 1641 trad hij als eischer op in de volgende acte : ISAACK Mijtens, 
schilder f arrestant op alsulcke huyr penningen, geene uytgesundert als berustende 
syn onder de Heer AdK DE WiT toecomende Jo*. ElisabETH VAN VLOOSWnCK 
ende den LK BeaüMONT als getroui hebbende Jc^. SlVAVlA VAN Vlooswijck 
contra de voorss. Jo^. Elisabeth van Vloosjvijck ende d? voorn: BeaüMONT 
omtne daeraen te verhalen de somme van 81 gul: 5 st. ter saecke van geleverde 
canten^ lijwaet etide camericx doeck volgende tregister'* 

Inmiddels of kort daarna moet hij verhuisd zijn, want werden zijn vroeger 
vermelde kinderen allen in de Kloosterkerk ten doop gefhouden, thans volgt een 
geheele reeks in de Groote Kerk en de koster van deze kerk is zoo welwillend 
geweest, ons tenminste de namen der doopelingen over te leveren: 

28 Mei 1642 Catharina. 

20 Dec. 1643 Theodora. 

9 Juni 1645 Catharina (getuigen Johan Havelaar en Hester Hondius.) 

I Juni 1648 Maerten (getuigen JOHAN Mytens en Hester Mytens.) 

13 Oct 1649 Cathryn. 

19 Maart 1653 Catharina. 

Zekerheid waar hij was komen te wonen geeft ons een acte van 21 Mei 
1643, volgens welke hij een y^erve ende werckhuy^^ genaamd ^4^ drie blooteh*^ 



1) Obkbsn's Archief V., 70—72. 

S) Prot. notaris J. C. Hoghbboom te Amsterdam. 

Oud'Hoiland 1907 28 



1 



214 DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 

koopt, gelegen in de Schoolstraat, voor ƒ 8500 (800 daarop staande, den pen- 
ning 16, 3000 contant en 4700 schuldbriet). 

20 April 1644 beginnen de actes van een langdurig proces aangegaan door 
zekeren JOHAN APPELMAN, wonende te Voorburg en zijn huisvrouw tegen ISAACQ 
Mytens en diens huisvrouw. Het schijnt dat bij Mytens y^eecker gebarduyrt 
stuck schüdery\ in een ander stuk een yygenayt ofte gebarduyrt lanischaf^ ge- 
noemd, berustte, dat APPELMAN volgens zeggen van MYTENS van hem gekocht 
had, maar APPELMAN ontkende dit en hield daarentegen vol, dat Mytens hem 
nog / 223. — schuldig was voor geleverde winkelgoederen. 14 Dec. 1645 werd de 
uitspraak gedaan, dat Mytens aan APPELMAN / 54. — zal betalen. 

Inmiddels was hij 7 Sept. 1644 aangesteld tot Hoofdman van het Witte 
Vendel der Schutterij, 

Nogal dikwijls werd ISAACK Mytens van rechtswege veroordeeld vorde- 
ringen te voldoen. Zoo moest hij f 376. — betalen aan Anthony VAN MüYDEN, 
koopman te Antwerpen, waaromtrent hij 22 Maart 1645 diens gemachtigde 
HlOB DE Vos insinueert*); en zoo werd hij 15 Juni 1646 veroordeeld ƒ 33 5. — te 
voldoen aan KELDER Heyndricx van Boücholt en Andries de Haan „cr^i»»^- 
schilders*^ voor ^t vergulden van de calesse^\ 

Het schijnt dus breed bij onzen schilder te zijn toegegaan, en de inrichting 
van zijn huis veroorloofde hem zelfs een kamer te verhuren aan een buitenlandsch 
resident, immers: 10 Maart 1649.^ De E. Juffr. Henrica Haerbers, Ai^^ ^z^r^Tim/^ 
van ISAACK Mytens, schilder^ verhuurt aan D'Heer PlETER ROCH, resident van 
S. C. M^. van Denemarcken^ een bavencamer nut tapijtsetijen en 6 nieuwe stoelen 
voor f 12. — per weekj* *) 

In het kohier van den loosten penning in 1654 werd hij, nog wonendein 
de Schoolstraat, Oostzijde, aangeslagen voor 4 pond, zoodat zijn vermogen ge- 
taxeerd werd op 4000 pond. 

24 Sept. 1655 waren het wederom de crediteuren van Abedias Campioen 
die tegen ISAACK MYTENS en zijn vrouw optraden met een vordering van 
600 gulden voor twaalf figuren y^van de keysers van Romen gemaeckt van Albast ^ 
*/ stuck tot 50 — o — o, of anders de voorsz. figuren weerom te leveren.^* 

Dat hij in geldelijke moeielijkheden verkeerde, blijkt wel het duidelijkste 
uit het feit, dat hij en zijn vrouw 10 Maart 1656 voor den notaris HOUTTUYN 
verklaren ƒ 1200. — geleend te hebben tegen een aflossing van ƒ 200.— per jaar, 
5 0/0 rente. Maar dit geld bracht het echtpaar nog niet voor goed uit de ver- 
legenheid, want reeds in Maart 1657 verscheen de metselaar PlETER Thol voor 



1) Protocol notaris J. Wbbk. 
^ Protocol notaris J. Kbun. 



DE SCHILDERSFAMILIE MYTENS. 215 

het gerecht met een eisch van f 12 — 4 — o voor arbeidsloon. En zoo kwam 
hety dat hij, wiens vermogen in 1654 nog op 4000 pond geschat was, 8 April 
1659 '^Ü ^^^^ moest verklaren y^geen duysent guldens gegoet te sijfi\ Dat was 
dan ook zeker de reden, dat hij alleen uitkomst zag in een verkoop van een 
gedeelte van zijn meubilair, en zoo werd 20 April 1660 yjten versoucke van 
ISAACK Mytens in de Schoolstraat tot sijnen huyze alhyer aen meubelen ende 
anders vercoft voor 691 £ 18 yS"^). Toch verscheen 19 April 1662 weer een 
andere metselaar, Leendert Rotteveel, voor het gerecht met een vordering 
van ƒ 157 — 10 — o wegens de achterstallige huishuur over vijf kwartalen. 

Van zijn werk als schilder vernemen wij bij al deze aangelegenheden niets. 
Toch had hij de penseelen niet uit de hand gelegd, en toen de confrerie Pictura 
opgericht werd, behoorde hij tot degenen die tegen 16 Oct. 1656 ontboden 
werden bij PlETER Apperloo, den waard in het Hof van Holland yfot de Erectie 
van een nieuwe confrerije^'* *), en toen den volgenden dag een nominatie werd 
opgemaakt voor de vervulling der verschillende bestuursposten kwam hij met 
Adriaen Hanneman en Alexander Petit in aanmerking voor Deken *); de 
magistraat koos 24 Oct. echter Hanneman. In 1659 stond hij nog eens op de 
nominatie voor Hoofdman, maar werd ook toen niet benoemd^). 

23 Oct. 1657 had hij een door hem geschilderde y^vrouwe Tronie** op de 
kamer der Confrerie doen brengen die door hem op / 42 — o — o geprijsd werd. 
Het stuk werd eenigen tijd later weer teruggehaald*). Daar werd later ook het 
portret van den schilder zelf gebracht. In de y^Memorie der schilderijen^ de 
Confrerie van Pictura toebehoor ende ^ zynde alle van agteren geteekent met een P y 
staat onder no. 26 y^Het pourtrait van Isaac Mytens, Hof schilder van de Ko- 
ninginne van Portugal ; dit vereert zijnde^ is dus niet te koop** •) 

Hofschilder van de koningin van Portugal is hij dus geweest. Van welke 
koningin van Portugal? Er kan slechts sprake zijn van LouiSE VAN Medina 
SiDONlA, de gemalin van koning jAN IV. Deze werd in 1640 koningin en in 
1656 koningin-weduwe, haar zoon Alfons VI huwde eerstin 1666. Of hij tijdelijk 
in Portugal vertoefd heeft is ons onbekend gebleven. Zoo ja, dan zal dit vermoe- 
delijk na 1662 hebben plaats gevonden, maar in het begin van 1665 was hij 
in ieder geval weer in het land terug, want 8 Jan. van dat jaar staat in de 



1) Register Tendoen. 

S) Obrebn'8 Archiel IV, p. 59. 

t Obkbbn's Archief V, p. 84. 

i) Obkbbn's Archief IV, p. 76. 

ft) Obkbbn's Archief IV, p. 137. 

i) Obkbbn's Archief IV, p. axa. 

28' 



SIS DE SCHILDERSFAMILIE HYTENS. 

Resoluties van de Staten-Generaal een post *) geboekt ten behoeve van ISAACQ 
MytehS, schilder in den Haag, voor een perkamenten brief geteekead voor den 
Czar van Rusland. 

In een acte van 25 Februari 1666 wordt gesproken over het eventued 
verhuren van een huis in de Bouckhorststraat t/iatr jtgfHWOordiek in woont 
Mtms, MijTENS, FijHSckildtr" . ■) Daar Dani&l Mytens toen al dood was, en de 
later te noemen Johanhhs Mytens elders woonde, kon wel niemand anders dan 
ISAACK Mytens bedoeld zijn. Maar lang is hij daar niet meer blijven wonen, 
want stellig ia hij de yflut koman Mijtens", die 32 Aug. 1666 in het graf van zijn 
broeder Abrahau begraven werd.') 

>) Hm bwtnc il Diet Inf nnld. 

t\ PtMocol notarli HaoquaU) te 'i OnTenhaga. 

■) Alc. Nad. FunllicbUd, II, p. 60. 



jdcdolsi. 

ovcrkoc 
s: 

12. 



J 



* 

« • 



De Gouverneur-Generaal Hendrik Brouwer 



DOOR 
Mr. J. E. HEERES. 

(SUt.) 



IX. 

ROUWER was nog Bewindhebber in de Kamer Amsterdam, toen 
hij werd aangezocht, zich voor het gouverneur-generalaat beschik- 
baar te stellen. „Bij eenparige stemmen" hadden deHeerenXVII 
besloten, hem deze hooge waardigheid aan te bieden, en Brouwer, 
die eerst aarzelde, had ^eijntlijck" ja gezegd *). In de voorjaars- 
zitting 1632 der XVII, gehouden te Middelbui^, werd hij dan ook benoemd en 
werd tevens besloten eene nieuwe instructie voor Gouverneur-Generaal en Raden 
te ontwerpen ») ; het concept daarvan, opgemaakt door den Advocaat ') der 
Compagnie, werd in de vergadering van ly Maart gearresteerd*). De benoeming 
van Brouwer had reeds enkele dagen vroeger plaats gevonden, en wel in eene 
geheime vei^adering van de Heeren XVII van 1 1 Maart '). Zijne be|!ediging 

1) Oindlg^tiitK Miahn van Burtn XVH mk >fa Btfgt Stguriug t? Mtuu't 163a |R. A.). 

1) Otnnlgtgtvt» gPaimcltM van tathryviti/i. . . 7 Maart 163a'' mei rtuhoü (R. AJ. 

>) SecreUlii of gtifGer. 

«) P. Mim, VcriamtUig nM itutmtüt», . . VÊOr dt Rtgttriug vaat Nida-loMdick Inda {BaUTia, 1848), 

>) Doe .secTete TciohltiEn" i4n ■>!** ■■>*<' Movedc. Uit de [vmmitgtgntK) ragMiim van Ji XYll van 
Dmdtrdag ti S^tania- 1Ö36 en van 09 S^ftimiir 1639 blijkt echter de danim Tan unitelUng. Van Rhbdk 
TAN tiKS KtooT, t. a. p., bidi. 43, begaat een klefaie veiglwinK, door de bcnoeminB te ttellen op 17 Maart; 
Dk Joxfit, Ofktmti, V, bidx. XCl, XCVU, noemt den [««deien daum niet. 



218 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIE BROUWER. 

door den Stadhouder geschiedde den 15» dier maand ^volgens den artyckelbrieff 
en gebruijck daartoe gerequireert" ^. 

Brouwer had zijne voorwaarden gesteld, toen hij gepolst werd. In de 
eerste plaats wenschte hij voor zich vastgesteld te zien de y,conditien van aen- 
neminge des generael KOEN saliger'' bij gelegenheid van diens tweede gouverneur^ 
generalaat*). Verder had hij ^onder anderen'' weten te bedingen, ^dat hij soude 
behouden den naem van Bewinthebber in de Camer van Amsterdam ende 't 
sijner wedercompste als supernumerair aldaer geadmitteert werden; sonder vande 
tijt sijner aenneminge eenige provisie te genieten, totdat hij bij versterven een 
van de twintigh ') soude comen te wesen." 

De nieuwbenoemde grootwaardigheidsbekleeder vertrok uit Texel den 
18 April 1632 op de Zutfen, een der schepen van de onder zijne bevelen 
staande vloot van vijf bodems *), en kwam den 5 September te Batavia aan *). 
Den volgenden dag reeds, ^sonder eenigh dilay", nam hij het hoogste gezag uit 
handen van Specx over, uit krachte van zijne y^commissije *) soo van de Heeren 
Staeten Generaell, Zyne Princelycke Extie, als de Bewinthebbren van de Ver- 
eenichde Oostindische Compangie.'' Plechtig was BROUWERS ingang in Batavia, 
plechtig zijne installatie als hoogste r^eeringspersoon : met vele y,sollenmiteijten'* 
werd hij als zoodanig ,,publijckelijck*' geauthoriseert ende geinvestigeert^* 

Om hem ^^van boort nae land te geleyden" werden door den nog in 
functie zijnden gouverneur-generaal „met vier sloepen gecommiteert" twee leden 
van den Raad van Indie en een andere hooggeplaatst ambtenaar. Toen hij de 
Zutfen verliet ^wiert (hij) met 3 schoten groff canon gecong^tuleert, daerop 
van ditto schip een tyt lanck met een pertije musquets is geschai^eert geweest. 

Hierop heeft het casteel (van Batavia) tot een teecken van welleccompste 
met gelycke 3 stucken geantwoort. 

Zijne £<lle ''), die andere scheepen hyer ter reede legghende met de sloupen 

1) Onmiige^epm resohtiU XVII 15 Maart 1632. 

*) CoBNS voorwaarden c^ii m^ niet bekend. Zijn traktement werd bepaald op / xsoo.— in de maand. 
Zie G. C. Klerk db Reus, Guckukiücher UehtrblUk der adwuMtsiraiivtm, rêe kt Hcktm mnd finauwlkn Emtmuk* 
htng der NiêderlèHdisek-O sHm d i s c hem Cowtpeigmie (Batavia, 's Hage, 2894), S. 333. 

S) Het aantal Bewindhebbers in de Kamer Amsterdam was bepaald op 30, bij art. 25 van het Octroo 
der O. I. C 

4) Ommitgegeven missive XVII aan Eooge Rtg* 17 Maart 2632 (R A.) 

^) Dagh^egister gehomdem int Casteel Batavia • . • . Ammó i63i*x634. Uitgegev e n • • • • onder toe- 
licht van Dr. H. T. Couutbeandbk C* Gn^«i^luiC«, 2898), blds, 95,t.v. — Vgl. OmmitgegevenwUsshfe XVII aam 
H. R., 17 Maart 1632. 

<) Aanstelling. — De gomremeiirs-generaal, die in Nederland waren bQ honne benoeming, ontvingen 
hnnne commissie niet alleen van de Bewindhebbers, maar ook van de Landaregeering. 

T) Een gonveraenr-generaal was toen nog geen Eicdlentie. Dese titel is eerst veel later opgduNnen 
voor desen hoogwaantighridwhekleeder (Zie mijn cq>stel Oast^Imdiscke Domus em Heeren uit dm t^ der Cetm» 
Pagnie in het T|dacfarift voor Noderlandsch-Indie, 1902, Uds. 91, v.). 

De traktementen waren naar evenredigheid : Botb en Rbtnst hadden / 700.— in de maand. OomM 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 219 

voorby vaerende, is van ieder schip met een schoot ende verscheijden charges 
van musquets gegroet. 

Int'incomen vande rivier ende fpasseeren vande boom verthoonden haer 
de soldaten, opt huys vanden ontfanger guarnisoen houdende, in de wapenen. 

Zijne E<lle tot aende brugge vant casteel gecomen zijnde wiert vanden 
Generael Jacques Specx en verscheyen andere soo hooch als laghe officieren 
die sijne Edle aldaer verwachten, gegroett ende gewellecomst, passerende voorts 
vandaer door menichte van soldaten die tot dien eijnde in ordre gestelt waren, 
in het casteel tot in des generaels logement/' 

Hierop vond zijne installatie plaats: ^sijn Edle inhuldinghe''. 

Men begon met het „publijckelijck" voorlezen van BROUWERS „drievoudige 
commissijen'^ waarvoor ,,het gantsche guarnisoen bestaende in 5 compangnijen 
ende de burgeren ende andere compangnies dienaers vergadert" werden. Vervol- 
gens ontsloeg Specx ,,een ieder, soo Comp's dienaeren als burgeren, van den 
eedt van getrouwicheyt aen hem int aennemen van syn gouvernement gedaen", 
en werden y,de novo" door ieder y^solemnelijck aenden Generaell Heindrick 
Brouwer (de) eedt van getrouwicheijt gepresteert, waer op datelijck drie charges 
van musquetten ende vijflF schooten van groflF canon syn gevolcht". 

Vervolgens werd door ^alle de collegien als andere soo hooch als laghe 

officieren op Battavia Zijn Ede in syn aengenomen gouvernement'' toege- 

wenscht y^een geluckighe regieringhe ende goet succes in alle zijne affaijren en 
aenslagen tot welstant van de Vereenichde Nederlantsche Oostindische Com- 
pangnie ende consequentelijck van ons Vaderlandt, als oock tot vermeerderinghe 
van zijne Eds bijsondere en particulijre eere.*' 

Deze felicitatie vond plaats y,in naevolgende ordre: 

i^ den raad van India, 

2®. den raet van justijtie. 

3*. t'coUege van scheepenen. 

4^. den kercken raet van Battavia. 

5^ de heeren weesmeesteren van Battavia. 

6*. de ontfanger, capitijnen, luitenanten ende vendrichs van het guarnisoen. 

7®. de capteyn ende andere officieren vande burgerlijcke wachte. 

8^ hooffden van de Chineesen. 

9^ meesters ende hooffden vande arbeytslieden/' 



had eerst / 600.— ;, later / xaoo.— in de maand. „Gelukkig" waren er emolumenten (Vgl. G. C. Klerk 
DB Rsus, Geschichtlicktr Ueberblük der iidmtnistraiwen^ rechilühin und finauMUlUn Entvrickhmq der Nieder^ 
l&mdisek'Ostindischen Compagnie, Batavia, 's Hage, 1894, S. 333 ff. en Beilage III). 



220 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

X. 

Men had BROUWER ^een geluckighe regieringhe ende goet succes in alle 
zijne affaijren en aensiagen" toegewenscht 
Is die wensch in vervulling gegaan? 

Het is moeilijk, een dergelijke vraag te beantwoorden, wanneer het geldt 
een persoonlijkheid als deze gouverneur-generaal, geplaatst in een tijd als 
waarin hij zijne eminente charge bekleedde. Zoo goed als SpECX ^) heeft hij 
de vergelijking te doorstaan gehad met het geweldige bestuur van Co£N, dat 
zoo kort aan het zijne voorafging en met het schitterend tijdperk van Antonio 
VAN DiEMEN (1636 — 1645), dat onmiddelijk op het zijne volgde. Met geen van 
beide, noch met COEN, noch met Van Diemen, is Brouwer als regeeringsman 
te vergelijken. Maar met hèn noemt men ook twee van de uitnemendste, zoo 
niet de twee uitnemendste» landvoogden, welke de Oost-Indische Compagnie 
ooit in het Oosten heeft gehad. En tusschen een kenschetsing van hun tijd als 
grootsch en stralend en de karakteriseering als een ,,van weinig kracht getuigend 
bewind'^ zooals dit met BROUWERS periode is geschied*), liggen vele schakeerin- 
gen. Met een der tusschentinten nu moet het bewind van BROUWER worden ge- 
schetst en dan zéér zeker niet met kleuren, welke nabijkomen die van het 
somber-grootsche van Coens tijdperk, evenmin met die doffe, welke teekenen een 
bestuur als van SPECX, maar met kleuren, zij het minder schitterend en minder 
helder, die doen denken aan de tinten, gespreid over Van Diemen's glorie- 
rijke periode. 

Van Brouwers kort bestuur valt veel goeds te zeggen, het bekleedt een 
waardige plaats in den krachtigen tijd van ons koloniaal leven der 17e eeuw. 
Maar, aan den anderen kant, hij heeft niet zijn stempel op zijne periode gedrukt, 
zóó als Coen, van Diemen, later JOAN Maetsuyker (1653— 1678), dit hebben 
gedaan, welke allen veel meer dan BROUWER boven hunne omgeving hebben 
uitgeblonken, en daardoor die omgeving veel meer hebben beheerscht. 

Terwijl bij hen dikwijls zeer duidelijk hun persoonlijk aandeel in de 
regeeringsdaden van hun tijd valt aan te wijzen, is dit met BROUWER minder 
het geval. 

Zeer zeker niet weinig boven het middelmatige uitstekend, is hij niet 
genaderd tot het héél hooge. 



1) Zie hiervóór. 

«) P. J. Blok. GêscAüdmü van hei Ntderlanduki volk^ IV (Groningen, WOLTSRS, 1899), bldi, 345. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER 221 

Er is één oordeel over BROUWER, dat groot gewicht in de schaal legt, 
tn om de persoonlijkheid van den zegsman èn om de omstandigheden, waar- 
onder het werd uitgesproken. 

Het is de meening van Antonio VAN DiEMEN. In de gunstige opinie, 
welke omtrent dezen bewindsman, wat betreft zijn loopbaan als ambtenaar der 
Compagnie, zich heeft gevormd bij zijne tijdgenooten en bij den historicus van later 
tijden, is geen wanklank van eenige beteekenis te hooren. Van Diemen staat 
hoog als regeerder, al is op het tafereel van zijn bewind een enkele donkere 
plek aan te wijzen, is geweest een man van hoogstaand karakter, al had hij 
zijne feilen. Hij had zijn vaderland in het Oosten reeds gedurende een I3tal 
jaren gediend, toen hij in 1631 repatrieerde, en had den rang bereikt van 
Directeur-generaal, dus die waardigheid, welke onmiddelijk volgde op die van 
Gouverneur-generaal. De Bewindhebbers der O.-I. C. waren zóó volkomen over- 
tuigd van *s mans g^oote verdiensten en groote bekwaamheden, dat zij al spoedig 
hem trachtten te bewegen, opnieuw naar Indië te gaan. yiEindelijk na veel 
sollicitatien*' liet Van Diemen zich daartoe bewegen in het najaar van 1632 ^) 
en in December vertrok hij in zijne reeds vroeger bekleede waardigheid naar 
Batavia, waar hij in Juli 1633 aankwam, om weder het directeur-generalaat te 
aanvaarden. Hij was tevens bestemd, om op den duur, als BROUWERS bewind 
zoude zijn afgeloopen, als diens opvolger op te treden, waartoe hij reeds den 
12 Februari 1633 werd aangewezen door de Bewindhebbers *). 

Van Diemen was dus van de hooge plaats, welke hij aan de regeerings- 
tafel innam, uitnemend in de gelegenheid, BROUWERS faüs et gestes te zien ; hij 
had, met het oog op de toekomst, welke hem wachtte, er alle belang bij, ze 
critisch te bekijken; hij zou, als eerlijk en karaktervol man, ronduit zijne mee- 
ning daarover kenbaar maken. 

En zijn oordeel, dat nog te meer vertrouwen verdient, omdat het niet be- 
stemd was, onder Brouwers oogen te komen, luidde aldus kort en krachtig '), 
dat hij van zijne terugkomst in Indië in 1633 af^) tot den dag, waarop hij het 
gouverneur-generalaat van BROUWER overnam, volkomen genoegen had genomen 
met diens bestuur; verder dat hij het betreurde, dat Bewindhebbers hem. Brouwer, 
niet tot blijven op zijn hoogen post hadden genoodigd, omdat deze zóó grondige 



1) Onuiigegiven misHvt der XVII tfOH dé Hoogt Reguring U Batavia^ 4 Oct, 1633. — Van Rhsdb 
TAN DBB Kloot, t. a. p., bldz. 46, is hier oojaist, wat djn vertrek in 1632 betreft. 

a) De Jonge, Opkomst, V, bldx. CXIL 

8) Onuitgegeven missive van Va» Diemen aan Bewindhebbers, 3 Januari 1636. 

*) Hij schreef den 24. Augustus 1633 aan de Bewindhebbers {Onm^egeven missive): «Den staet van 
de Comp. bevinde [ik] in redelycke termine ende in betere ordre als [w^] die gelaten hebben ; geen voordeden 
voor de Comp. worden versuymt, alle besendingen worden met zeer groote promptitude geexpedieert, volck, 
schepen en provisie hebben niet overich, maar veel eer gebreck" (een zachte wenk aan de Bewindhebbersl). 

Oud-Holland 1907 89 



222 D£ GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

kennis had der Oost-Indische zaken, ^dat met recht den Indischen Fhoenix ge- 
noemd mag worden.*' 

En inderdaad, waar 4nen zijn blik laat verwijlen op het gebied, dat toen 
Nederlands koloniaal rijk in het Oosten was, bijna overal heeft, van het specifiek 
Nederlandsch standpunt bezien, onder BROUWERS bestuur het licht de overhand 
boven de schaduw. Dat dit specifiek Nederlandsch standpunt niet steeds was dat 
van de streken der aarde en hare volkeren» met wie de onzen toen in aanraking 
kwamen, staat vast, maar dit kan niet in Brquwers nadeel worden uitgelegd, 
omdat, naar de meening dier dagen, in patria zoowel als in het Oosten, men het 
Nederlandsche belang steeds moet doen praevaleeren, waar dit in botsing kwam 
met dat der j^Oosterlingen." 

Een blik in vogelvlucht van West naar Oost over geheel het terrein der 
toenmalige Nederlandsche betrekkingen doet dit zien. 

Sint Helena, hoewel liggende bewesten de Kaap de Goede Hoop, dus 
buiten het terrein, waarop de Oostindische Compagnie mocht werken, werd door 
hare schepen in 1633 voor de Staten-Greneraal in bezit genomen. ^ Aan Afiika's 
Oostkust liet BROUWER de Portugeezen geen rust: in 't gezicht hunner hoofd- 
vestiging d^r, in de wateren van Mozambiek, werden zij in deze jaren bestookt 
door onze vloten, welke ^achtereenvolgens d'expresse resolutie van den Grene- 
raal ende Raaden van Indien'' daar kruisten, met het gevolg, dat de schepen 
onzer vijanden van koers dienden te veranderen en „buijten ofte bij Oosten 
Madagascar om'' hun Indie trachtten te bereiken, aldus moetende mijden eigen 
territoir^. Aan de plannen tot het trekken van het eiland Mauritius binnen de 
belangensfeer der Compagnie, deed Brouwer met belangstelling mede. *) Met 
Arabië (Mokka) trachtten de Nederlanders den handel voort te zetten, niettegen- 
staande de moeilijkheden met welke men daar had rekening te houden : minder 
vriendelijke stemming der inlandsche autoriteiten, oorlogstoestand in Arabië, enz. *). 
In Perzië werd, alweder niettegenstaande allerlei voetangels en klemmen, onze 
handel uitgebreid ^). 

Langs de Westkust van Voor-Indië vertoonen zich onze vloten, om 
de Portugeezen te verontrusten tot bij de hoofdplaats van Portugeesch-Indie, 
Goa, en om den handel langs de kust en in Surat, den sleutel voor de com- 



1) Hbbrbs, Corpus diplomaticum^ I, bldc« 256, v. 

5) Dagh-Regiiter 1631— 1634, bldx. 192, 257 ; 1636, bldz. 46, 53. — K. HbbriïgA, ZV NidtrlatuUrs 
op Mauritius m Madagaskar (Indische Gids, 1895, bids. 3 van den overdruk). 

8) Hbbringa, t. a. p.» bldz. 3. 

*) Dagh^Register 1631 — 1634, bldz. 193. 

6) Corp, Dipl,t% If blds. 254, ▼., 261, v. — Dag h-Register 1643 — 1644, bldz. 189. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 288 

mercie in het rijk van den Grootmogol, te verbeteren. ^) Door den rechten man 
daar aan het hoofd te plaatsen, wist Brouwer, die hierbij zijn persoonlijken 
invloed deed gelden, onze handelsbetrekkingen op de Kust van Koromandel, 
Voor-Indië's Oostkust, voor de toekomst in aanmerkelijk betere stelling te 
brengen*). De handel met Bengalen werd onder Brouwer, zoo misschien al 
niet begonnen, dan toch hervat op beteren grondslag; die met Arakan enPegoe 
onder hem, na vroegere pogingen zonder gevolg, opnieuw y,ge€mbrasseert'' *)• 

In 1633 begon de insluiting van het Portugeesche Malaka en, ofschoon 
men in de eerste jaren slechts kon werken met niet zeer groote macht, BROUWERS 
opvolger kon reeds, in hetzelfde jaar van zijn optreden, op de goede gevolgen 
van Brouwer's inzichten te dezen wijzen: j,Deze onze besettingh causeert seer 
slappe neeringh in Malacca, ende wij bevinden de negotie alhier in Batavia ter 
oorsaecke van dien dagelijcks accresseert'' *)• In Achter-Indië werd verder de 
invloed van Nederland verhoogd ten gevolge van het ingrijpen van BROUWER 
dcidr: hulp verleend (1634) aan den beheerscher van Siam t^en zijn vazal, de 
vorstin van het rijkje Patani, aan de Oostkust van het Maleische schiereiland; 
en belangrijke handelsvoordeelen waren daarvan het gevolg *)• Gezanten van 
nabijgelegen landen, als Kambodja, Cochin-China, vroegen om het aanknoopen 
of bevestigen van politieke en handelsbetrekkingen en vaardigden daartoe gezanten 
aan den Gouverneur-Generaal af*), terwijl met Annam rechtstreeksche handels- 
relaties van Batavia uit werden geopend (1633), '') nadat na de eerste pogingen, 
jaren geleden, die verbindingen hadden opgehouden. Met kracht en voortva- 
rendheid trad Brouwer op ten opzichte der onrustige, en andere voor den 
handel, o.a. op het voor een deel aan ons gezag onderworpen Formosa, nadee- 
lige toestanden') op de Chineesche kust: den 30 April 1633 wordt in Rade 
van Indië besloten, een vloot van 18 grootere en kleinere schepen uit te rusten, 
bemand met 1300 Europeanen, om in die streken op te treden: ^bij speciale 



1) Dagh'ReguUr Z63X — 1634, blds. 357, 334, enx. — Ouui^egevtH instrucUe voor J, Jx^ Corencraey^ 
10 Juli X633, enz. — Corp, DipL, I, bldz. 388. 

%) Dagh'RigUUr 1631 — 1634, blds. aoo. — Onuitgtgevem missive vam G, G, 6* J?. aan BewindiUUers, 
4 Jan, 1636. 

8) C^. Dipl^ I, blds. 866, v. v. — Niet onaardig is het te sien, dat Brouwer dadeli^lc weer aan 
ontdekkingstochten denkt. Hij wilde een nedersetting vestigen aan de HoegU, de Westel^ke monding van 
de Oanges, welke laatste rivier wel passage sou verleenen tot uWereltsallervermaerste coopstadt Catbay (China)"!! 

4) TielB'Hbbrbs, Bouwstoffen^ II, blds, LXXXI. 

•) Bouwstoffen. U, blds. XXXIV, LXXXIII, v.v., 263, 364 ; Corp, DipL. I, blds. 284. 

6) Dagk-Register X63Z-X634, blds. x6x, x66. 

T) Dagk-Refistêr X631-X634, blds. 187, 333, v. 344, v. ens. — L. C D. TAV Dijk, NeêrlaneTs zroegste 
4irekkingeu met Bomeo (Amsterdam, Schrltbma, x863), blds. 348, v, 

3) Vgl. Corp. DipL, I, 3x4, v.v. 337, v. 

29» 



324 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER, 

instructie van den Generael ende Raaden van Indie belast ende geordonneert, 

de geaposteerden handel van China met cracht van waepenen te openen, (de 
roovers) te devaliseren ende de zeecusten van China opt vigoureuste den oorlogh 
aan te doen '* 

Met groote moeilijkheden heeft men daar te kampen gehad, onze schepen 
werden in groot gevaar gebracht, maar toch — mede ten gevolge van ons op- 
treden — in 1636 kon de Chineesche kust geheel veilig en v»buiten molest'' van 
zeeroovers worden genoemd ^). Op het eiland Formosa, waar wij ons in 1624 
hadden gevestigd, werd ons gezag uitgebreid*). In Japan begonnen, na allerlei 
verwikkelingen gedurende de laatste jaren, de handelsbetrekkingen sedert 1633 
weder een meer normaal verloop te krijgen •). 

Onder de ambtenaren, welke door BROUWER werden gebruikt voor onzen 
handel in Japan, behoorde (1634) de toenmalige onderkoopman Willem VER- 
STEGEN*). Deze zond in 1635 bij de Hooge Regeering te Batavia in een advies, 
waarin hij hare aandacht vestigde op goud- en zilverrijke eilanden (de eilanden 
Rica de Oro en Rica de Plata), die zich volgens Spaansche berichten zouden 
bevinden in den Grooten Oceaan ten Oosten van Japan *). BROUWER, tuk als 
hij was op het ontdekken van nieuwe landen, ging gaarne op dit denkbeeld in« 
Den 12 December 1635 kwam Verstegen's bericht in bij G. G. en Raden, toen 
Brouwer dus bijna het eind van zijn gouverneur-generalaat had bereikt, wat 
I Januari 1636 gebeurde. In de Generale Missive van 4 Januari, die opgesteld 
moet geworden zijn onder zijn praesidium en nog door hem is geteekend, wordt 
reeds de aandacht der Bewindhebbers op VERSTEGEN' s denkbeelden gevestigd. 
En toen hij op zijn terugreis gelegenheid had, aan zijn opvolger nog een advies 
te doen toekomen (31 Maart 1636), werd met nadruk op de wenschelijkheid van 
een dei^elijken ontdekkingstocht gewezen en middelen aan de hand gedaan, 
het plan te verwezenlijken. Den 26 Mei 1636 werd in Rade van Indië, toen 
onder leiding van Van Diemen, daartoe in principe besloten. Het zou geruimen 
tijd duren voordat dit in vervulling zoude geraken: eerst in 1639 had de merk- 



1) OumUgigtvin müsivis ett andert stukktn 9an 7 Feir* 2633 tot a8 Dec, 1636 (R. A.) -» Dagh-RtgisUr 
X63Z-X634, passim. 

>) Corp, Dipl, l, 272, v.v, 

^ Nachod, S. 225 ff. — J. A. Grothb, Archief zoor dt giuhiidinis der ottde Hollandsche MémdiMg, VI 
(1891), bldx. 2x3. 

4) Nachod, S. 225. 

6) P. A. Lbupb, Reis naar de eilanden ten N, en O, van Japan door M. GzN. Vribs, in 1643 (Am- 
sterdam, X858), bldx. 35 — 40 ; Hbbrbs, Life and Lahottrs of Abel Janstoon Tasman (Amsterdam)^ 1898, p. 15; 
Naohod, Éin unenideckta Goldland, in de Mittheilongen der Deutschen GeseUschaft fOr Natur- and Völkerw 
kunde Ostasiens, 1900, S. 3x4 £, 373 ff. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 225 

waardige reis van QUAST en Tasman plaats tot het opzoeken van de — niet 
bestaande — eilanden, welke in 1643 onder VRIES zoude worden herhaald: beide 
reizen met zoo belangrijke resultaten voor de kennis van de zeeën beoosten 
Japan. BROUWER zelf zwierf toen rond, op ontdekking uit, in geheel andere 
streken der wereld "), maar aan zijn optreden is voor een niet gering deel te 
danken geweest, dat onze driekleur zich in genoemde jaren in de onbekende 
vaarwaters van Oost-Azie heeft vertoond. 

Trouwens het opsporen van nieuwe landen lag geheel in de lijn van zijn 
denken *). Reeds gedurende zijn verblijf in Nederland had hij daarover van ge- 
dachten gewisseld met zijne omgeving, o.a. met WiLLEM BOREEL, toenmaals eerst 
advocaat der O. I. C, daarna (1627) pensionaris van Amsterdam. Hun beider 
wensch was de y^ontdekking der landen bij Zuiden Java en de Noordkusten van 
China, Japan etc." In een schrijven ■) van BroüVTER aan BOREEL van 8 Januari 
1635 gaf hij zijn leedwezen te kennen, dat hij toen nog geen gevolg aan hunne 
plannen had kunnen geVen wegens gebrek aan daarvoor geschikte vaartuigen. 
Maar dat hij ze in het oog hield, blijkt uit wat hij schreef naar aanleiding van 
Verstegen'S advies en uit de belangstelling, die hij toonde in de pogingen, om 
Australié's kustenlijn steeds nader te ontdekken^). 

Wat verder den Maleischen Archipel betreft, ook hier is nergens in 
Brouwers tijd van zwakheid te bespeuren, voorzoover 's Compagnie's optreden 
van hem zelf afhing. ^) Alleen heeft een onverstandige politiek in de Molukken 
terrein doen verliezen : een politiek van geven en nemen, sedert lang reeds toe- 
gepast en door Brouwer voortgezet; en heeft een noodlottige keuze, trouwens 
van tijdelijken aard, voor het hoofd van het gouvernement van Ambon •) de toe- 
standen d^r verergerd zóó, dat een groote krachtsinspanning in het laatste jaar 
van Brouwers en in de eerste tijden van Van Diemen's bestuur noodig was tot 
redres van zaken. In den uitersten Zuid-Oosthoek van den Archipel enopSolor 



1) Zie beneden. 

S) Dat de in 1634 door Jacobus Coopbr ontdekte seeengte tusschen Sumatra en Bengkalit Straat 
Brouwer of Straat Generaal Brouwer genoemd werd {Bouwstof m, II, blds. 263, onmüifegeven wUssivts van Cooptr 
aan Bewindhebbers, 17 Nov, 1634; aan Brouwer 27 Nou. 1634), moet hem dan ook aangenaam geweest ^jn« 

^ Onuitgegeven (R. A). 

^) HssRBSy AustraWSt blds. XV; en hierachter. 

S) Vgl. Bouwstoffen, II, passim. 

^ VgL Corp. DipLy I, blds. 262, v. Een dergelijk verwijt verdient BrOUWIR zeker, maar hij kon 
hiertegen aanvoeren, toen Bewindhebbers hem dit dan ook deden, dat hij roeien moest met de riemen die 
hij had. In den grond der saak ligt dan ook hier de schuld bij de Bewindhebbers, welke soms ambtenaren 
naar Indiê zonden, die daartoe ongeschikt waren, maar b.v. ^ten respecte van een vader of vrunden" doo 
ben toch werden aangesteld {Onuitgegeven missive van BewindMders aan G. G. 6* iP., Maart 1633, R. A.) 



n6 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

en Timor, heeft BROUWER den handel, die weinig voordeel gaf en .veel volcx 
consumeerf', voorloopig gestaakt. 

Maar overigens? 

Naar Bali werd den 7 Februari 1633 een ^expresse G>mniissaris 

gesonden*' als gezant der Hooge Regeering. Ofschoon het eigenlijk doel der 
zending mislukte % had zij toch belang als eene overigens geslaagde poging om 
de reeds sedert eenige jaren afgebroken betrekkingen weder aan te knoopen, 
belang tevens om de vermeerdering van kennis van land en volk, toen opgedaan. 

Tegen den sultan van Makasser, dat steeds meer een bedreiging werd voor 
de positie der Compagnie in het Oosten van den Archipel, werd in 1633 en vol- 
gende jaren herhaaldelijk — zij het met slechts gedeeltelijk succes — opgetreden, 
waarbij Brouwer verliet zijn oorspronkelijk denkbeeld, om dien vorst vooreerst 
met rust te laten met het oog op het vele, dat overal elders van de krachten 
der Compagnie werd gevorderd. Met Bandjermasin werd in 1635 een verdrag 
gesloten, hetwelk de toekomstige verhoudingen, naar men hoopte, op duurzame 
grondslagen zoude vestigen. *) Naar de Oostkust van Bomeo werd in 1635 een 
eskader gezonden, dat Koetei overhaalde aan de eischen der Compagnie gevolg 
te geven en de hoofdplaats van Pasir verwoestte, toen zijn vorst het weigerde "). 
En waar langs Sumatra's Oostkust voor de belangen der Compagnie schade 
dreigde, wist Brouwer door een beslist machtsvertoon de toestanden te haren 
gunste te verkeeren *). 

Geheel Nederlandsch-Indie werd door dezen gouverneur-generaal overzien, 
geen deel er van, dat niet zijn zorg mocht ondervinden. Dat niet al zijn „ex- 
ploicten'' gelukten, mag natuurlijk heeten : van geen zijner ambtsvoorgangers of 
zijner opvolgers zou dit kunnen worden getuigd. Dat hij soms mistastte, wien zal 
het verwonderen : hij had dit met andere gouverneur-generaals van vroeger en 
later tijd gemeen. Maar hij liet Indie in goeden staat achter : Van Diemen ge- 
tuigde dit in woorden en door daden. In woorden, toen hij het den Bewind- 
hebbers zonder terughouding erkende; door daden, toen hij bijna overal den weg 
volgde, dien Brouwer gevolgd had. Meer dan eens heeft Yan Diemen de plant 
kunnen koesteren en doen gedijen, waarvan Brouwer het zaad had gelegd. 



^) Db Jovgb, Opkomst, V, blds. aot, v.v. ; P. A. LbufB in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volken- 
kunde Tan Nederlandsch Indie, Nieuwe volgreeks, I (1856), bldz. z v.v. — Omui^t^ivem missive tfamy, Pm. Ctm 
aan Jan van Mtldirt op Bali 25 Jan. x6az (R, A.). 

«) Corp. dipi., I, 274, ▼. 

*) Van Dijk, Borneo, blds. 31, v.?. 

4) Onuiigêgiven tnsirnctii voor Corntlis van Jl/oj^rx^ü als commandeur voor de vloot naar de Palembangiche 
wateren, aa December 1635. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIE BROUWER. 227 

En niet, dat deze in uitbreiding van handelsbetrekkingen en politieke macht 
alléén heil zocht en vond. Eveneens ontmoet men hem, waar het gold het aan- 
brengen van verbeteringen in bestuur en rechtspleging, waar het gold de inwen- 
dige consolidatie van 's Compagnie's staat in het Oosten. De instructie van 17 Maart 
1632 voor Gouverneur-Generaal en Raden, het Regeeringsreglement van Neder- 
landsch Indië van die dagen, waarbij toen, in 1632, vooral ook ter sprake kwam 
^de administratie der justitie,'' is niet door hem onderteekend, maar er is alle 
reden aan te nemen, dat zij door hem, den Bewindhebber, die zooveel kennis had 
van de Indische aangelegenheden, mede is opgesteld: geheel de koloniale staat- 
kunde der Compagnie dier dagen is in groote lijnen daarin neergelegd. Gedurende 
zijn generalaat werd verder op velerlei zaken orde gesteld, waaronder er zijn van 
weinig belang in ónze oogen, maar die van beteekenis waren voor de ternauwer- 
nood gegrondveste maatschappij in ons Oosten. ^) 

Nieuwe orde werd gesteld op den handel der z.g. vrije lieden, die behoudens 
's Compagnie's voorschriften, de commercie mochten drijven binnen het terrein 
van haar monopolie; belastingaangelegenheden werden geregeld; het rechtswezen 
aan herziening en verbetering onderworpen; de verhouding tusschen Kerk en 
Staat ten voordeele van laatstgenoemd lichaam beslist *), voor de veiligheid te 
Batavia betere maatregelen genomen; besloten (1635) tot het oprichten van een 
weeshuis te Batavia *) en wat niet al meer. Voor de zending had BROUWER een 
open oog *) : hij had ^seer groote ende Christdicke genegentheidt tot dit werck." 

XI. 

Maar niettegenstaande al hetgeen hij voor de belangen der Oost-Indische 
Compagnie in het Oosten deed, namen hare Bewindhebbers geen genoegen met 

Brouwers bestuur. 

Het begon al spoedig. Reeds in 1634 beklaagt BROUWER zich over een 
ongepaste, harde berisping hem toegediend door de XVII wegens zijn optreden 
bij het aanvaarden van het generalaat, tegenover sommige hooge ambtenaren *). 
Hij had, vreezende voor familieregeering in den Raad van Indie en voor het 



1) VgL Van dbr Chijs, Plakaaibotk^ I, bldz. 277, v.y. ; Db Jongb, Y, bldi. XCVU, v.t. 

3) J. R. Callbnbaoh. jushu Beurmius (1897), bldc 293, v.v. 

8) C. A. L. TAN Troostbnburo DB Bruijn, Dt EervomuU Kerk in NitUrlandsch Oosi-Indii onder de 
Oost-Indische Compagnie (Arnhem, 1884), bldz. 548. 

^) VgU J. R. Callbnbach, Jnstns Henmius (1897), blds. 297, v.v., 346, v.v.; J. A« Orothb, Archief 
Zending, VI (1891), blds. 313. 

6) OmUtg^even particuliere missive van Brouwer aan de XVII en aan de verschillende Kamers^ 15 
Augustus 1634 (R. A.) 



228 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

plaatsen van ongeschikte personen op belangrijke posten, mjzigingen gemaakt in 
de betrekkingen, aan een tweetal hoogwaardigheidsbekleeders reeds aangewezen. 
jyWat hij deed, was in 't belang der G>mpagnie'* : zoo meende hij. 

Spoedig kwamen andere wolken opzetten^ welke Brouwers positie be- 
dreigden. Lichtvaardigheid in zijn optreden werd hem verweten. ^) In dit verwijt 
ligt de hoofdgrief opgesloten en tegelijkertijd hare verklaring, maar ook BROUWERS 
verdediging. 

Er was verschil van inzicht tusschen het Opperbestuur hier te lande, de 
Bewindhebbers der Compagnie, en de Hooge Regeering te Batavia omtrent de 
wijze, waarop in de practijk onze Oostersche staatkunde diende te worden gevoerd. 
Dit verschil kwam aan den dag, niet alleen in BROUWERS tijden, maar ook vóór 
hem, ook nk zijne bestuursperiode. ^ Een verschil in inzicht, dat zich in het kort, 
zij het onvolkomen, laat uitdrukken in deze tegenstelling: de Bewindhebbers 
waren directeuren eener handelsvennootschap; de gouvbmeurs-generaal en Raden 
waren zich gaan voelen bestuurders van eene mogendheid, van een staat. Hoofd- 
zaak der Bewindhebbers was het verkrijgen van dividenden voor de aandeelhouders 
der Compagnie; G. G. & R. hadden ook naar andere zaken om te zien, al bleef 
de handel dan ook de grondslag van hun doen en laten. 

Dit verschil in inzicht bracht moeilijkheden tusschen Batavia en Nederland, 
in de tijden van COEN zoo goed als in die van SPECX, BROUWER en VAN DiEBiEN. 
Het bleek vooral in de zaken van Java.*) Met de beide machtigste vorsten van 
dit eiland, met den soesoehoenan van Mataram en den sultan van Bantam, was 
men gedurende de laatste jaren *) — na de verovering van Djakatra en de stich- 
ting van Batavia — op vijandigen of gespannen voet : politieke en commerciCele 
redenen waren daarvoor te over aanwezig. De Bewindhebbers nu wilden eene 
vredelievende verhouding met die potentaten èn om de kosten van den krijg te 
vermijden èn omdat zij niet gesteld waren op eventueele gebieds-uitbreiding èn 
omdat de oorlogstoestand of reeds de onvriendelijke betrekkingen den handel 
belemmerden. De Hooge Regeering te Batavia zag den toestand anders in. Zij 
begreep, dat toenadering en vredelievend vertoon ab zwakheid zouden worden 
opgevat, terwijl kracht en machtsvertoon noodig waren, om de positie der Neder- 
landers op Java en in de Maleischen Archipel op te houden : ^^daarbij vooral in 
consideratie moest worden gehouden, dat hoe meer Carthago aan Rome inruimde, 
hóe meer hare staat was verzwakt.*' 



^) V(rl. Ommiigigeven gedeelte van GituraU Missive 4 Jan. 1636. 

%) Hbbrbi, BouwstofiUt III, blds. LXV, v.v. 

S) Dr Jonob, V, blds. CVI, v.v. ; Corp, Dipl^ I, blds. 483, v. 

4) Vgl. hiervóór. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 229 

Ook Brouwer was van deze meening en zou daarnaar gaarne zijne maat- 
regelen gericht hebben. Met Bantam brak dan ook de oorlog in 1633 weer uit. 
Het gezantschap naar Bali in dat jaar ') had o.a. ten doel, hulp te vragen tegen 
Mataram. Op het eind van zijn bewind gaf hij nog eenmaal te kennen, dat 
yde vrede met den Mattaram niet dan door vigoreusen oorlog kon worden 
bevorderd." 

Maar de Bewindhebbers wilden dien weg niet betreden en op hunnen last 
ging Brouwer voort met onderhandelen, waarmede reeds eerder SPECX was be- 
gonnen: tot deze uiting van zwakheid, hèm later verweten, was hij genoodzaakt 
door de kooplui van Holland en Zeeland. 

Nog andere grieven tegen Brouwers optreden kregen een plaats in der 
Bewindhebberen klachtenboek en — BROUWERS lot was beslist. T^en den tijd, 
dat zijn — driejarig — verband*) was verstreken, werd hij niet aangezocht, nog 
langer de teugels van het bestuur in zijne handen te houden. Den i Januari 
1636 gaf hij dit aan Van Diemen over. 

Twee dagen later reeds schreef •) deze den Heeren XVII, hoe verkeerd zij 
hadden gedaan, door Brouwer niet te hebben uitgenoodigdf nog eenigen tijd de 
zaken te blijven leiden, waartoe hij vermoedelijk wel genegen zoude zijn geweest. 
In den Decemberbrief van hetzelfde jaar gaf de nieuwe gouverneur-generaal onbe- 
wimpeld aan zijne superieuren in het Moederland te kennen, dat hij BROUWERS 
inzichten in de Javaansche aangelegenheden volkomen deelde. En wanneer enkele 
jaren later de vrede èn met Bantam èn met Mataram zal worden gesloten, dan 
zijn het andere factoren, welke tot die pacificatie hebben geleid. 

„Volgens UE. ordre is den E. Antonio van Diemen den eersten deses *) 
in 't generaele Gouvernement met alle goede ordre ende de behoorlycke solemp- 

niteyten geinvesteert *) Daegs daeraen hebben wy, naer de Batavise wyse, 

gehouden een vast- ende bededagh, om den Heere te dancken voor alle syne 
menichvuldige weldaden, aen ons bewesen, als om te bidden, dat de alsnu ver- 
treckende retourvlote met alle die daermede vaeren, behouden gelieven te geley- 



1) Zie bierv66r. 

a) De termijn, foor welken men dch als ambtenaar ens. aan de O. I. C. verbond. 

^ Vgl. hienröór. 

4) Jannaii 1636. 

•) O. a. werden «alle de Nederlantae ende andere delinqoanten naer voorgaende gedaene soo schrifte- 
l^cke aU mondelinge supplicatien hare relaxatie geaocordeert, ende dienvolgende de lelve op heden n^t de 
kettingh geslaghen, nijtgesondert twee personen die al Yoorens cautie de restitnendo moeten stellen roort 
geene de Compe wegen haere gepleechde ontronwichegt heeft moeten betaelen." 

Oud-Holland 1907 80 



280 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

den, ende heden ^) vertreckt de Generael BROUWER van Batavia ter schepe, om 
in de naeme des Heeren op morgen de vaederlandse reyse aen te vangen/' 

Zóó meldde de Raad van Indie Brouwers vertrek aan de Bewindhebbers. 
De vloot, waarmede de terugtocht werd aanvaard *), bestond uit zes schepen 
(Brouwer en zijn gezin hadden zich ingescheept op de Amsterdam) met een 
lading ter waarde van bijna een millioen gulden. Mèt de onder zijne bevelen 
staande zeilen ging van Batavia's reede een eskader van vijf bodems, ^^ornme 
sijn E. tot buijten de Straete Sunda te geleijden ende behoorlycke monsteringfa 
te doen, als mede tot bésettingh van Bantams advenuen'M Brouwers uit- 
geleide was als het ware het symbool van zijne door Van Dismen goedgekeurde 
Java-politiek t Daags na zijn vertrek, j^des naernoens'', kwamen schepen uit 
Bandjermasin met een lading peper. Een daarvan werd dadelijk ^naer de Strate 
van Sunda affgeprest, omme de retourvloote van den Generael Brouwer, noch 
soo spoedich als doenelijck sij te belopen, ten eijnde den medegebrachten • • • • • 

peper aen voorseijde vloote tot vergrootingh vande vaderlantse cargasoenen 

mocht overgelevert, ende gemelte heer Generael Brouwer van haerluijden ver- 
richten, ende vanden stant der Nederlantse negotie rapport gedaen worden/' 

Het waren de eerste vruchten van het verdrag met Bandjermasin'). Brieven van 
de vorsten van dat land en van Koetei konden nog aan Brouwer worden 
meegedeeld. 

De hooge ambtenaren, die hem tot Straat Soenda hadden vergezeld, 
keerden binnen enkele dagen te Batavia terug, nadat zij ^t'volck vande geheele 
vloote gesamentlijck (hadden) doen sweeren, ende yder inf particulier doen tee- 
ckenen, van achter Engelant om*) naer Nederlant, sonder eenige oppositie hun 
reijse te bevorderen 

Den Generael Brouwer, was met gemelte vloote, hebbende eenen goeden 
doorgaenden noordelijken wint, op iien deser des avonts int* gesicht van Prince 
eilanden van hun gescheijden ; d' Alvermogende verleene sijn Ed. ende de vloote 
behouden overcompste.'' 

Brouwer kwkm behouden in patria en de vloot eveneens. Toch ontbrak 
het niet aan emotie op de reis. In de eerste plaats bleek, dat een aantal Jongens'* 
zich op de schepen ,,versteecken hadden''. Natuurlijk werden zij al spoedig opge- 



1) 4 Januari 1636. 

•) DüfA'^^itr X6361 bldi. z, T.T. 

• Vfl. hiervóór. 

4) Man wUdt het Kanaal ▼ermQdan. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 281 

merkt en toen Brouwers vloot den 8 en 9 Maart aan de Kaap de Goede Hoop 
yWel ende vreedich aangelanght^' was, werden zij per eerste gelegenheid naar 
Batavia teruggezonden. Van meer beteekenis was een andere gebeurtenis, waarin 
de oud-Gouverneur-Generaal werd betrokken. 

Terwijl hij nog aan de Kaap vertoefde, kwam daar den 17 Maart het 
retourschip Frederik Hendrik. Het bleek, dat aan boord daarvan ^een grouwdijcke 
conspiratie" ontdekt was, y,hebbende eenige boose menschen, daer op sijnde, het 
schip willen afloopen ende bijden vijandt ') tot Mosambijcque ofte elders brengen, 
waervan de rechte conspirateurs belopen wesende bij sententie, door (den)Gkne- 
rael Brouwer ende den Raed der..... retour schepen gepronuncieert, ') inde 
Tafelbaij acht levendich overhoort geseth, ende een (naer dat driemaal gekielhaelt 
was) op het Robben eijlandt*) gebannen.'^ 

Ook overigens deed Afrika^s Zuidspits ditmaal niet zijn naam j,de Bona 
Esperance'* eer aan. Brouwers hoop, daar ^verversingh te bekomen, faalde, ^ten" 
'aensien de swarten met hun vee te wijs waeren." Toch kon hij yimet gesont 
volck*' den 2 April de reis voortzetten naar Sint-Helena, waar men tot den laat- 
sten dier maand zou blijven liggen,* om daar te wachten op nog een ander retour- 
schip en dan naar 't lieve vaderland verder scheep te gaan. Haast had men 
niet in den goeden, ouden tijdl 

Maar — al duurde het lang, onze gouverneur-generaal- bewindhebber kwam 
in het land zijner geboorte terug. Nóg zou hij het openbare leven niet vaarwel 
zeggen : nog eenmaal treedt hij in de jaarboeken van Nederland op, maar dan niet 
in dienst van de Oost-Indische Compagnie. Het laatste bedrijf van zijn leven 
wordt afgespeeld buiten het terrein, dat haar voor haar bedrijf was gelaten : haar 
vroegere bewindhebber, haar oud gouverneur-generaal, had hare gelederen verlaten. 

Niet zonder eenige moeite *). 

Toen nL Brouwer was gerepatrieerd, wilde hij gebruik maken van een 
der voorwaarden, door hem gesteld bij de aanvaarding van het gouverneur- 
generalaat : hij wilde weder zitting nemen als bewindhebber in de Kamer Amster- 
dam. Maar de Heeren XVII waren daarvan niet gediend. En zoo ontspon zich 
een niet geheel en al verkwikkelijke strijd tusschen den oud-Gouverneur-Greneraal 



1) De Portugeesen. 

S) Den xz Sept 1636 besloten de Heeren XVII, ^(1 Voornoemde sententien te doen drucken om nae 
India te senden en aende vrandeo vande geenen, die 't selve versoncken, u^dt te ge?en" (Omuitg^tvm ra, R.A.). 

8) Dat dtts reeds als strafplaats voor de onsen gebruikt werd, vóór wij ons aan de Kaap de Goede 
Hoop hadden gevestigd. 

*) VgL J. P. J. DU B018, Vüs da gomMrnmrs ghUramx anx Imda Orünialis (La Haye, De 

Hondt, MDCCLXIU), p, 2x5, die blikbaar de resolutien der XVII op dit punt heeft gekend. Ik volg hier 
de [pmdtga[even) raolutia der XVH van az Novemitr Z636 tot 89 StpiemUr 1659 (R. A.) 

80» 



282 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

en zijne voormalige ^Mayores." BROUWER dringt na zijn terugkeer aan op de 
vervulling der bovenbedoelde voorwaarde en vraagt bij de bespreking daarover 
met gecommitteerden uit de Heeren XVII: ,^copije van conditie zijner aanneminge 
in de notulen van de secrete resolutiën geregistreerd staende.'^ Die voor- 
waarden nu waren neergelegd in twee distincte acten beijde gedateert den 

II Martij 1632 , maar waarvan de eene (bevattende de voorwaarden, gelijk 

aan die» welke CoEN vroeger had bedongen) het gevolg was van „het gebesoig- 
neerde" tusschen Brouwer en ^de Heeren gecommitteerdens over sijn aenne- 
minge"5 terwijl de andere (de continuatie als bewindhebber) blijkbaar alleen v,bij 
den Hr. president BOÜREEL en de Hr. GenL Brouwer geteyckent" was ge- 
worden. Nu bleek volgens Bewindhebbers bij het onderzoek, in November 1636 
ingesteld, dat ),de voorm. acten in eenige poincten verscheijden en met malcan- 
deren niet accorderende" waren. Maar bovenal, BROUWERS voorwaarden ten 
opzichte der continuatie in het bewindhebberschap was, naar hun oordeel^ ^strij- 

dende jegens het octroij, ampliatie ende naerder interpretatie van dien, de' 

Comp^ bij Haare Ho. M. geaccordeert.'' Daarom kon j^de voornoemde acte als 
van zijn zelven vervallende in egene consideratie comen " 

Bij meerderheid van stemmen — de gecommitteerden der Kamer Zeeland 
wilden voorloopig geen volledig besluit nemen — werd den 21 November be- 
sloten, dat kopie der eerstbedoelde akte aan BROUWER zoude worden mee- 
gedeeld, maar niet van de tweede. Op diens nader aandringen echter werd 
enkele dagen later (26 November) „verstaen dat men sijn E. d' voormelde copije 
sal geven." 

Geruimen tijd soude het duren, voordat de zaak werd beslist. Den 19 Maart 
1638 werd op een nieuw schrijven van Brouwer besloten, haar te doen behan- 
delen op de najaarsvergadering der Heeren XVII j^en dat tusschen beijden de 
Camer van Amsterdam door gecommitteerden uyt het midden van haar den voor- 
noemden Heer Generaal spreken en tot reden sullen sien te disponeeren/' £nzoo 
prijkte dan ook onder de ^Poincten van beschrijvinge" voor de vergadering van 
14 Augustus 1638 : ^Omme te resumeeren voorgaende genomen resolutien dezer 
vergaderinge aengaende de saecke van de H' Generael Henrick Brouwer ende 
te delibereren op de redenen en middelen, waermede de voornoemde heer Brouwer 
soude connen gedaen werden contentement.'' Maar toen „Syn E. pretentien in 
geschrifte" aan de XVII werden overgeleverd, „hebben eenige leden van de ver- 
gadering versocht daervan copie, om dezelve aen haer principalen te refereren". 
De behandeling werd daarom verdaagd „ter naester vergaderinge'\ 

Eindelijk den 29 September 1639, ^^^d deze aangelegenheid afgedaan. 
Brouwer verscheen ter vergadering en verklaarde, „om daer aff te wesen, te vreden 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 288 

te zijn, alle pretentien, egeene uijtgesondert of gereserveert, hoedanich 

die mochten sijn, aen de goede discretie deser vergaderinge finalijck te submit- 
teeren/' Daarop werd j^goet gevonden en geresolueert, sijn E. voor deselve toe 
te leggen vier en twintich duijsent guldens eens ') tot een opene getuiggenisse, hoe 
veel de vergaderinge Sijn E. persoon en gedane diensten estimerende is, en opt 
vertrouwen, dat Sijn E. in de goede genegentheijt ende affectie, dewelke altijt tot 
de welstant deser Comp^. gedragen heeft, zal continueren." 

Brouwer heeft „daermede contentement genomen ende de vergaderinge 
met aanbiedinge van voorderen dienst in voorvallende gelegentheden bedanct'^ En 
hierna kon y^volgens het loffelijck gebruijck deser vergaderinge" met BROUWER 
als met „andere Heeren sijne voorsaten'' gehandeld en hem ^een eerlijck afscheijt'^ 
gegeven worden. 

De Compagnie en BROUWER waren van elkander gegaan. 

XII. 

Wanneer het slotbedrijf van BROUWERS leven nadert, vinden wij hem terug 
als Bewindhebber van de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie,') die 
West'Afrika en Amerika tot haar monopolie-gebied had verkregen. Ook thans 
weder is de oud-gouverneur-generaal niet een man, die behagen vindt in een huis- 
zittend leven, ook thans weder is hij gelukkig, nu hij kan toegeven aan zijn lust 
tot zwerven, aan zijn lust tot avontuurlijke ondernemingen, tot ontdekking van 
het nog onbekende, wat thans voor hem in den vollen zin des woords zou worden 
het gaan ^ins feindliche Leben". 

In 1642 toch besloten de directeuren der West-Indische Compagnie tot 

een „voyage", aan welks ^sekretesse ten hoochsten is gelegen," en die 

onder leiding van BROUWER zou worden uitgevoerd. 

Wij zijn nog in den tachtigjarigen oorlog : Spanje is nog de vijand. En de 
West-Indische Compagnie maakte van yiOnsen oorlog, die wij tegen den Coninck 
van Castiliën voeren", gebruik, om haar voordeel te bejagen, ten detrimente van 
den Spaanschen monarch. Onder de plannen, welke daartoe werden ontworpen 
en gedeeltelijk uitgevoerd, zijn zeker merkwaardig de ietwat avontuurlijke y,des- 
sijnen", thans aan BROUWER opgedragen. Chili, de in de laatste tijden zooveel 
genoemde Amerikaansche republiek^ was in die dagen een bezitting der Span* 



1) ^Blijvende aende Camer Amsterdam met authorisatie geren Yoijeert de liquidatie van de 9 ten 

hondert vande gedaene prinsen (buitgoederen) in s^n E. gonvemo gevallen, bij de generaele boucken van 
India blijckende, ende sijn E. competerende " 

S) Vgl. voor het volgende A. Ibltutg, Dt Ntdtrlandtrs in Chili 2643, in De Indische Gids van 1893. 



284 DE GOUV£RNEUR-G£NERAAL HENDRIK BROUWER. 

jaarden, wat het sedert het tweede kwart der i6de eeuw gaandeweg was geworden. 
Eenige steden hadden deze er gesticht, de Katholieken telden er een drietal bis- 
dommen, de Jezuïeten hadden er hunne scholen en beschikten over zoo grooten 
invloed, dat ook het eigenlijke bestuur bijna geheel in hunne handen berustte. 
Omliggende eilanden waren in bezit genomen, ontdekkingstochten bleven aan de 
orde; edele metalen waren onder de aantrekkelijkheden van het land. Maar de 
voortgang van de Spanjaarden had niet plaats gevonden dan onder aanhoudenden, 
door Spaansche dichters bezongen, strijd met de inboorlingen, onder wie de Arau-- 
kanen een niet geringe plaats innamen. Onophoudelijk brak, ook na werkelijke 
of schijnbare onderwerping, het verzet weer uit. 

De West-Indische Compagnie wilde dit vuurtje tegen den erfvijand nu gaan 
aanstoken. Dit echter niet alleen : men had grootere plannen. Den 24 September 
1642 werd besloten, met den Prins van Oranje overleg te plegen omtrent y^de 
equipage op Chili" en den 4 October werd deze aangelegenheid in de vergadering 
der Staten-Generaal voorgedragen door een drietal Bewindhebbers, onder wie 
Hendrik Brouwer zelf. Hunne Hoog Mogenden gingen op de zaak in. Brouwer 
werd beêedigd en van yibehoorlijke commissie ende instructie" voorzien in hoe- 
danigheid van y^Directeur-Generaal vande negotie ende handelinge van Chilyende 
de ontdeckinge vander Zuijderlanden inde limitten vant octroij ^) gelegen.'' Met 
het oog op de wenschelijke geheimhouding van het plan, werd deze zijne aan- 
stelling niet bekend gemaakt en hij benoemd tot Raad in Brazilië, waarheen hij 
zich eerst zou begeven. Hij bleef Bewindhebber der West-Indische, maar was 
ten opzichte zijner bezoldiging zéér coulant: hij liet de vaststelling daarvan over 
aan Bewindhebbers, „soo wanneer hij sijn commissie soude mogen hebben volbracht." 

Brouwer zeilde met eenige schepen den 7 November van Texel uit, met 
bestemming naar Pernambuco in Brazilië, toen Nederlandsch territoir, vanwaar 
de eigenlijke expeditie naar Chili een aanvang zoude nemen. Vandaar zou men 
bezuiden Zuid-Amerika om naar de Westkust koers zetten, het eiland Chiloe 
(420 — 430 ZB.) aan trachten te doen, om daar aanrakingen te zoeken met de in- 
boorlingen, met hen in verbond te treden en inlichtingen in te winnen omtrent 
de inlandsche bewoners van het vasteland. Verder zou men met dezen in ver- 
binding moeten zien te komen ter gezamenlijke bestrijding van den Spanjaard; 
men zou zoo als steunpunten voor de te verwachten operatien Chiloe en Valdivia 
onder onzen invloed moeten trachten te krijgen. Wat den handel betreft, hoopte 
men op goud, wol, salpeter, cochenille. Ook werd „in hooge ende bijsondere 
recommandatie gelaten de bevorderinge ende voortsettinge van de ware gerefor- 



') Der Wett-Indisohe Compagnie. 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 286 

meerde religie in die quartieren . . . . , opdat het rijcke onzes Heeren tot zalicheijt 
van die arme mensche moge woïden wtgebreijdet ende daerentegen alle heijdensche 
blintheijt ende superstitiën des Pausdoms weggenomen worden, die zedert de aen- 
comste der Castilianen in .die quartieren ingevoert sijn, daertoe Godt sijnen ge- 
nadigen segen verlene.*' De bevordering der zending werd BROUWER aanbevolen, 
en dit was aan de rechte deur geklopt. ^). Eindelijk werd de mogelijkheid onder 
de oogen gezien, dat, als men eenmaal in Chili geslaagd was, men misschien 
pogingen kon doen tot ontdekking van „het groote Zuijderlant, inde getemperde 
soone ofte climaat gelegen'' : een van Brouwers lievelingsdenkbeelden *). 

Deze kwam den 22 December in Pernambuco') en reeds den 15 Januari 
1643 ^^s ^l^s voor den tocht gereed. Vijf schepen namen daaraan deel tti zeil- 
den dien dag uit ; de Amsterdam Thet vlaggeschip), de Vlissingen, de Eendracht, 
de Oranjeboom en de Dolfijn. Vice-Admiraal was Elias Herckmans, een 
hooggeplaatst ambtenaar der West-Indische Compagnie, toen in Brazilië aanwezig, 
ontdekkingsreiziger van aandrift, historieschrijver uit liefhebberij, dichter niet bij 
Gods genade, toen hij y,Der zeevaert lof* bijeenbracht, waarbij de kunst van 
Rembrandt, aan wien het boek een zijner platen dankt, de kunst redde. 

Den 5 Februari werd een belangrijke ontdekking gedaan. BROUWER kwam 
bij het Staten-eiland. Men zag dit in die dagen aan voor een der toppen van het 
reeds meer genoemde Zuid(pool-}land, dat, naar de meening van toen, zich bezui- 
den geheel de bekende wereld uitstrekte in grillige kustenlijn. Tot in 1616 werd 
aangenomen, dat een der toppen van die kustenlijn van Zuid- Amerika werd ge- 
scheiden door Straat Magelaan, maar op de beroemde ontdekkingsreis van 
Jacques le Maire en Willem Corneliszoon Schouten was in genoemd jaar 
Vuurland omzeild : Straat le Maire was ontdekt en de Westkust van het tegen- 
woordige Staten-eiland tevens. Maar onze landgenooten hadden het eilanden- 
karakter daarvan niet gezien en hadden die kust dan ook StBtcri'tand genoemd, 
meenende dat dü nu een der toppen was van het groote Zuidland. *) HENDRIK 
Brouwer stelde nu het eilanden-karakter daarvan vast en Statenland was Staten- 



1) Zie hierróór. 

j) Vgl. hiervóór. 

t) De joomalen enx. van dezen tocht berusten nog op het Rijksarchief. De expeditie is beschreven in 
ean werkje: njonmael ende Historis verhael van de Reyse gedaen bQ Oosten den Straet le Maire, naer de 
cnsten van Chili, onder het beleyt van den Heer Oenerael Hbndriok Brouwer, in den jare 1643 voor- 
gevallen: vervatende der Chilesen manieren, handel ende gewoonten (Amsterdam, 1646; later herdrukt 

en ook in 't Duitsch verkort vertaald. Zie P. A. Tielb, Ntdtrlandsehe HbliographU van land- en yotkenkunde^ 
Amsterdam, Frbdbrik Mullbs, 1884, bldz. 49, v.) 

4) VgL Hebbes, Tasman^ p. 92, zza. — Hoe vast men aan het bestaan van dit uitgestrekte Zuidland 
geloofde, blijkt o.a. hieruit, dat toen Tabman in 164a de Westkust van Nieuw-Zeeland (ten Z.-0< van Australië) 
ontdekte, hij daarin sag een stuk van het Statenland van Le Maire en Schouten, en het daarom dan ook 
Statenland noemde. 



28« DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

eiland geworden: het vraagstuk van het Zuid(pool-)land was weder een stap 
nader tot zijn oplossing gekomen. Ter eere van den ontdekker werden de wateren 
ten Zuidwesten van Straat Ie Maire genoemd Golf van Hendrik Brouwer of 
Brouwerszee. 

Den 30 April bereikte men de kust van het eiland Chiloe, welke men 
in de eerste dagen van Mei verkende; een der inhammen, welke men aandeed, 
werd Brouwershaven genoemd. Eerst werd met de witte vlag gezwaaid, toen 
men menschen op het strand zag, maar als men in 'tSpaansch zich hoort 
betitelen als j^honden en vijanden van God en zijn heiligen^', wordt de prinse- 
vlag geheschen en daarnaast de bloedvlag : men was den Kastiliaan op *t spoor en 
„onze oorlog*' kan op Amerika's Westkust zoo goed worden gestreden als in 
Europa en Azië. 

Men verkreeg inlichtingen van enkele inlanders, die men bij een landing 
vatte en goed behandelde: zij waren ^bloodtshooft sonder schoenen nochte kousen, 
met lappen van oude voddinge deeckens wat bedeckt, van facie als Brazilianen." 
En vernam, dat de Spanjaarden op het eiland versterkingen hadden. Dit werd 
bevestigd, toen men, de golf van Ancoed *) inzeilende, met kanonschoten werd 
begroet en bij de daarop volgende landing een* tamelijk bewoond centrum van 
bevolking ontdekte. Den 19 Mei werd deze plaats, Carelmapoe, veroverd door 
majoor Blauwbeck. De Spaansche bezetting, een 75 man, die de onzen in 't open 
veld was tegemoet getrokken, maar zich zeer slap verdedigde, werd op last van 
Brouwer op haar vlucht over den kling gejaagd : geen kwartier was het parool. *). 
Carelmapoe werd verwoest Men ging naar een andere kustplaats. Gastro, waar 
men 6 Juni aankwam, maar die door den vijand zelven bleek verbrand en verlaten 
te zijn. ') Met de inboorlingen kwam men gaandew^ op goeden voet en van hen 
kreeg men thans allerlei inlichtingen. 

Brouwer echter schijnt zich (volgens een zijner tochtgenooten) het ^quaet 
succes'' bij Gastro zoo te hebben aangetrokken, dat ^hij van droefhdjt sieck 
was.'' Sedert 8 Juni ligt hij te bed. Men besloot in Brouwershaven den loop 
der zaken af te wachten, o. a. door onderhandelingen met de hoofden der 
Ghiloeëezen. Te midden van die besprekingen overleed Brouwer den 7 Augustus 
in de naar hem genoemde ligplaats van zijne schepen. Herckmans werd thans 
de leider der expeditie. 

Brouwers lijk werd gebalsemd en meegenomen naar Valdivia, dat toen 



1) Aan het N. W. yan het eUand. 
a) Misschien een yericeerd begrepen order. 

S) De humor ontbrak niet Enkele der gevlacfatte Spanjaarden, die wat Nederlandsdi kenden, riepen 
uit de yerte den onsen toe: „Compt hier, wQ sullen een mudeken brandewQn te samen drincken.** 



D£ GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 287 

niet in handen der Spanjaarden was en dat men thans het eerst zou aandoen, 
met een groot aantal bevriende inlanders, welke met ons in verbond waren ge- 
treden, aan boord* Hij had gevraagd, diir te worden begraven. ^) 

XIII. 

Zóóver over het openbaar bedrijf van Brouwer. Is er ook iets bekend van 
hem d^Ulrbuiten; weet men iets van zijn huiselijk leven; kan men zich vormen 
een beeld van 's man's persoonlijkheid, van zijn karakter? 

Al spoedig na zijn repratiëering in 1616,*) trad hij in het huwelijk. ^Den 
24en Martij 161 7 compareerden" — zóó luidt het Kerkelijk Huwelijks-Inteekening- 
register van Amsterdam op dezen datum — y^voor den E. heer Schellinger 
Henrick Gijsbertssoon Brouwer, oud 35 jaren, geadsisteerd mit Geertje 
CORNELISDOCHTER Streng, zijn moeder, wonende in de Calverstraet ende Agniete 
PeXiSER van Uijpen'), oud 28 jaren, wiens ouders consent ons is gebleeckenj^ 
wenende bij de Nieuwe Marct. 

Ende gaven aen datse aen malkanderen verlovet ende met trouwe ver- 
bonden waren, versoekend hare drie Sondaeghse uijtroepinghen *'^) 

1) Het yerdere beloop van den tocht heeft Yoor ons doel geen belang. HQ mislukte. Eerst ging alles 
gaed, wat de betrekkingen tot de inlanders betrof; men was reeds begonnen met het bouwen van een fort te 
Valdivia. Maar toen deze vernamen, dat het ons om goud te doen was, was het uit. Zij wilden niets daarvan 
weten en' herinnerden de onsen aan wat hunne voorouders ter wille van Spanje's gouddorst hadden geleden. 
Levensmiddelen werden niet meer aangebracht en Herokmahs besloot den 13 October, terug te keuren naar 
Pemambuco, waar men 98 December aankwam. Ook overigens schijnt Hsrckmans niet de rechte man te 
zijn geweest, en met Brouwers dood het lot der expeditie te sijn beslist. Dat men ook toen reeds vlug 
nieuwstijdingen wist te verspreiden, blijkt hieruit, dat in 1644 te Amsterdam b^ F. Lieshout een „Tydingh 
uyt Brasil" was gedrukt met berichten over dese expeditie (Tiblb, BUlioffn^hie^ blds. 50). 

S) Zie hiervóór. 

s) Eupen ten Zuiden van Aken dicht bij de Belgische grens ? 

i) De onderteekeningen zijn „Hbnricq Brouwer" en „Amganta Presb" (sic). Haar van wordt ver^ 
schillend gespeld. Ik trof ook aan Pelsert, Pelsaert, Persaeet. Haar voornaam wisselt eveneens in 
de bronnen af: Agniete, AcroETA, Agnibtje, Angnieta. 

Van Rhede van der Kloot, t. a. p., bldz. 44, noemt onsen Brouwer gehuwd met een Leidsche 
jonge dame, Ceoilia van Dorp. Dit nu is onjuist. De Hendrik Brouwer, die met Cecilia vav Dorp 
huwde, de Leidsche burgemeesterszoon dus, is eene andere dan onze gouverneur-generaal. 

De eerste tw^fel rees bij mij, toen ik in de «Kerkelyke Houwelyksche Proclamatiên" op het Oud*archief 
der gemeente Leiden van 29 December 1623 Brouwer zag betitelen als „crudenier": men zou onzen Brouwer 
in 1623 vermoedelijk wel anders hebben genoemd. Sterker werd mijn aarzeling, toen ik met de opgave van 
den heer Van R. v. d. K. vergeleek eene der vele aanteekeningen over bekende personen uit onze koloniale 
geschiedenis, mij indertijd ten geschenke gegeven door Mr. Ch. M. Dozy, toenmaals gemeentearchivaris te 
Leiden. Deze plaats Itiidde : „23 Febr. 1645 bewezen aan Geertrutt, nagelaten dr. van Hendrik Brouwer, 
generaal in Oostindie, daer moeder af is Agnietje Pelser, het vaderlijk erf.*' Daat Mr. Dozr de bron, 
waaraan h^ deze aanteekening ontleende, niet heeft aangegeven (later bleek m^, dat het is opgeteekend 
uit het Amsterdamsche Wuskanur'Arehüf Inbreng-Rtgiiter no. 26), kon ik haar niet controleeren, maar 
sQ leek mij in elk geval belangrijk genoeg, om een nader onderzoek te wettigen. Uit het RtguUr vandt 
cverlijdindê Persocmm htgravtn binnen L^dm, btgomt den len Auffusiui 1655 (Gem. Arch. Leiden) bleek, dat 
CEauA VAN Dorp, „wedue van Sr. Hetndrick Brouwer", in de Pieterskerk werd begraven den 13 Sep- 
tember 1655. Daar in Dozr's aanteekening van 1645 wordt gezegd: «daer moeder af ü Agnietje Pelser" 

Oud'Holland Vffi 31 



288 DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

Zijne vrouw, AONIETJE PELSER, schonk hem in Amsterdam acht kinderen. ^) 
Bij zijn dood waren nog slechts twee dochters daarvan in leven: de oudere, 
Maria, geboren in 1619, huwde in 1642^ met JOHANNES LULS of LULLIUS van 
Aken; de jongste, Geertruid, geboren in 1629, is, in of na 1650, getrouwd roet 
Klaas Teengs van Edam, Daar Brouwer geene zoons naliet, stierf de naam 
Brouwer, wat zijne nakomelingsschap betreft, uit Een zijner kleinzoons, Hendrik 
LuLS, ontmoet men later als burgemeester van Weesp; een andere, Jacobus 
Teengs, te Edam als „capite)m ter zee", terwijl zijn kleindochter Aafje Teengs de 
echtgenoot werd van PlETER THOMAS Broek, Commandeur van de Admiraliteits- 
timmerwerf te Amsterdam. 

Agnieta Pelser vergezelde haar echtgenoot naar Indiê, toen deze als 
gouverneur-generaal daarheen vertrok, maar, misschien omdat zij gewend was aan 
den omgang in deftige Amsterdamsche kringen, schijnt zij zich in dit nieuwe 
leven slecht te hebben geschikt, althans haar man spreekt in een zijner brieven 
aan de Bewindhebbers ') van het ^janken" van zijn huisvrouw om naar patria 
terug te keeren. . Deze zoo eigenaardig omschreven verzuchtingen van zijn alter 
ego schijnt BROUWER zich niet bijzonder te hebben aangetrokken, immers hij 
gaf bij datzelfde schrijven aan zijne superieuren te kennen, dat hij nog wel een 
jaartje er bij zou willen aanknoopen. Wat niet zeggen wil, dat hij mevrouw 
Brouwer buiten dergelijke belangrijke beslissingen hield, want, toen hem is 1642 



mocht ik aannemen, dat dese nog leefde in 1645. Dos in 1645 leefde soowd Ceciua vav Dorp, als Agnibtb 
Pblses. Er kwam meer b^: in een (onuitgegeyen) Missive der XVII aan Brasnoer van 36 Augusius 1634 
en in de (onuitgegeven) notulen der Heeren XVII van i Septewtber 1635 is sprake van een zwager van onxen 
Hendrik Brouwer : Franoots Pblsaert, ook gespeld Psrsabrt, Pelsbrt, Pelser. Gdukkig gaf het 
Amsterdamsch Oud-archief de gewenschte opheldering. 

Vooral het Weeskamer^Archief hielp op den weg. In obligatien van 15 Maart 1650 is daarin sprake van 
„Agmkta Pelser, wed*, van Generaal Hbnrick Brouwer" en van diens dochter «Geertruid", terwql in 
een «acte van conceot" d.d. a Mei 1650 wordt gesproken van,CECiLiAyANDoRP. wede. Hbnrick Brouwer**, 
die in een „Procuratie*' van 35 November 1643 wordt genoemd ,in zijn leven kruidenier te Amsterdam". Thans 
bl^kt voldoende, dat er twee verschillende Hevdrik Brouwer's z^n geweest, van wie een, de „kruidenier", 
gehuwd is geweest met Cecilia van Dorp, terwijl de andere, de „Generaal** (een dikwQls gebruikte term 
voor den G. G. van N. I.), getrouwd was met Agnieta Pelser. 

Ook Elias, Vroedschap van Amsterdam, I, blds. 3x5, neemt aan, dat de G. G. BROU¥rBR met Cecilia 
TAN Dorp gehuwd was. H^ beroept zich daarbij op Van Rhede van der Kloot, t. a. p., bldz. 43 v.v. 
Ook reeds vroeger bestond dese dwaling: men zie de kwartieren eener gewaande kleindochter van denG.G. 
Brouwer bij Fbrwerda, Adelijk Wapenboek, Ha» Genealogie Van BoL 

1) Doopregister der Nienwe en Oude Kerken x6z8— 1629. 

Volgens het Dagh^Begister Batavia 1631—1634, bldz. 133, werd den az December 1632 te Batavia ^in 

de nieuwe kerck, tegenwoordich onderhanden sQnde, begraeven het kint vanden Hr. Generael ,'dat Zgne 

Ed. hu^svrouwe op den azen ditto doot ter weerelt gebracht heeft, zijnde het eerste Ujck dat in de voorse^de 
kerck begraeven is geweest." 

S) KerkeHjk Huwelijks^Inteekeningregister Amsterdam 3 Oct, z64a. 

<) Onuitgegeven Missive Z5 Augustus Z634. — Onder de getuigen b^ den doop hunner kinderen, enz. 
treft men o. a. aan : Markus de Vogelaar, Willem Boreel, Jehav Rabt, „jonckfrou Marija Rbt", 
Hilletjb Lutcas, Rbepmakbr, Sik, enz. (Vgl. over hem Elias, t. a. p.^ passim). 



DE GOUVERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 2S9 

de leiding was aangeboden over den beraamden tocht naar Chili, neemt hij dit 
in beraad, om er eerst met vrouw en kinderen over te spreken. 

Na zijn gaan naar Chili en ook na zijn dood is zijne weduwe blijkbaar te 
Amsterdam blijven wonen ^. 

Omtrent Brouwers huwelijk dus alleen feiten en jaartallen. Van zijn privaat 
leven weet men overigens slechts de eenigzins vreemde omstandigheid, dat hij 
gedurende zijn gouverneur-generalaat niet is geweest lidmaat der Nederlandsch^ 
Hervormde Gemeente te Batavia '). Dit werd door den Kerkenraad pas gemerkt 
den 30 Maart 1634, wat nog zonderlinger is. Dit lichaam vond het natuurlijk op 
zijn weg liggen, het den landvoogd onder de oogen te brengen: immers een der- 
gelijke onthouding, verzuim of wat dan ook, juist in hem, moest in die dagen recht- 
matige ergernis wekken. Dat het bij BROUWER niet was onverschilligheid omtrent 
godsdienst en kerk, zijn ijver voor de zending kan daarvoor tot bewijs strekken. 

De bekende Indische predikant Fran<;ois Valentijn, die het rijmen niet 
kon laten^ voert Brouwer ') aldus in : 

9 Het vriendelyk gelaat, met agtbaarheid gepaart, 
In Brouwer ongemeen, geeft deftigheid aan 't wezen. 
En 't groot beleid is uit de gryze kruin te lezen. 
Gelukkig land, van dien Bewinds-Heer oit bewaard, 
Te waardiger gekeurt het oog op hem te vesten, 
Ab hoofdgebieder van het Oosten en het Westen/* 

Of hij nu wel zoo vriendelijk kijkt, en er nu wel zoo achtbaar en deftig 
uitziet en of zijn „grijze kruin" nu zoo maar dadelijk zijn „groot beleid" aan- 
geeft, is de vraag. ^) IVeiin wij ook iets omtrent zijn karakter? 

Brouwer had zijne gebreken zonder eenigen den minsten twijfel, maar 
daaronder waren er welke men gekenmerkt heeft met het woord: y^défaui^^ van 
r,qualüés^*i minder goede uitingen van overigens uitnemende eigenschappen. 

Hij was rond en open van karakter, maakte van zijn hart geen moordkuil, 
zei precies waar het op stond. Zoowel tegenover zijne ondergeschikten, als 
tegenover zijne superieuren, de Bewindhebbers, Dit is de algemeene indruk, 
welke men uit zijn brieven en uit zijn daden krijgt. Dat hij in zijn jongere 
jaren misschien wel eens een vleierij zich gunde tegenover zijn chef*), staat 
tamelgk wel op zich zelf en in elk geval, in latere tijden blijkt daarvan niets 

meer. Wèl schijnt zijn optreden tegen sommige zijner inferieuren te wenschen 

V 

1) Brouwsr bezat o. a. een huis in de Kalverstraat en vaste goederen te Pormerend (Virkooprej^ier 
van hmtMem in kit Weeskamer^Archiif U AnuUrdam)» 

9) Ik Tolg hier Van Tkoostbnbukg db Brutn, Hervormde kerk^ blds. 13, 144. 
> Deel IV (1726), bldz. 293, naar aanleiding van diens portret, waarover straks. 

4) Men kan zelf oordeelen: onze reprpducUe geeft hetzelfde portret als de plaat van Valenten. Ik dank 
baar aan de welMrillendheid van den heer E. W. Moes te Amsterdam. 

5) Zie biervóór. 

81» 



240 DE GOUVERNEUR.GENERAAL HENDRIK BROUWER. 

te hebben overgelaten (tegenover zijn chefs was hij trouwens ook niet gemak- 
kelijk) en zijn rondheid soms grofheid te zijn geworden: men durfde hem niet 
altijd te naderen. Was het zijn humeur, dat hem parten speelde, of was het 
onrechtvaardigheid? De klachten komen alleen van menschen, die zich doorhem 
verongelijkt achten én — zQ werden geuit in brieven aan Bewindhebbers, geschre- 
ven den dag vóór BROUWERS repatrieering. ^) Dat de oud-gouverneur-generaal 
Specx zich op de terugreis naar Nederland beklaagde over BROUWERS vele „spits- 
vondige'' en yisatirieke betoonde passien^' en dezen beschuldigde dat hij leugen- 
talige" dingen van hem vertelde, *) zal men gerust kunnen wijten aan de minder 
aangename stemming, waarin SPECX in die dagen zal hebben verkeerd. In 
elk geval, achterbaksch was Brouwer tegenover hem niet geweest, want 
hij had de z.g. ,,leugentalige'' berichten aan hem, SPECX, zelf medegedeeld. 

Dat Brouwer taktvol kon optreden, geheel zijn Indische loopbaan heeft 
het bewezen. Maar hem ontbrak die intrigueerlust en -kunst, die zoo dikwijls 
euphemistisch met den term handigheid wordt aangeduid. Daarvoor was zijn 
optreden te royaal, soms te heftig. 

Hem is geldzucht verweten. Zijn voorganger beschuldigde BROUWER, dat 
deze van hem meer vroeg dan hem toekwam en hem trachtte te yiblameeren en 
vercorten". Is de beschuldiging van geldzucht juist ? Dat BROUWER niet afkeerig 
was van een goed traktement, is zeker. Hij stelde financieele voorwaarden, toen 
hij over het gouverneur-generalaat werd gepolst. Maar er zal wel niemand zijn 
die hem dit euvel duidt. In dien tijd der Compagnie waren de Bewindhebbers 
niet scheutig met bezoldigingen en men moest wel zijne eischen stellen, indien 
men dit kon. En buitendien, toen hem gevraagd werd, die hooge waardigheid te 
aanvaarden, was er immers niets onredelijks in, dat hij voor zich vroeg, wat COEN 
aan bezoldiging indertijd had genoten I En als hij in 1642 door de West-Indische 
Compagnie gepolst wordt over den tocht naar Chili, is zijn antwoord, dat hij op 
het traktement minder zoude letten, dat hij dit stelde ^tot discretie'' van zijne mede- 
bewindhebberen, j^soo wanneer hij sijn commissie soude mogen hebben volbracht." 

Een niet onvermakelijk staaltje van een klein beetje egoïsme leverde Brouwer 
in het begin van zijn gouverneur-generalaat. Bij gelegenheid van het aftreden 
van Specx had deze geschenken ontvangen van een tweetal inlandsche autori- 
teiten. Volgens de op dit punt bestaande bepalingen mocht hij ze niet behouden, 
maar moest ze afstaan aan de Compagnie. Nu schrijft Brouwer aan de Be- 
windhebbers '), , dat, indien zij misschien „uit liberaliteit*' daarvan iets aan den 

1) OttuUge^even brievtn van den opperkoopman J* H. di la SalU en van Comelis dê Vlaming van Ouds» 
hpomy 4 yan, 1636. 

S) Ounitgegiven brief van Specx aan Brouwer^ 24 Maart Z633. 
I) Onuitgegeven brief 15 Dec. 1632. 



DE GOUYERNEUR-GENERAAL HENDRIK BROUWER. 241 

Gouverneur-generaal wilden j^laten toekomen'', dit hem (Brouwer) competeert, 
omdat de geschenken te Batavia waren gearriveerd y»nade resignatie van den 
heere SpECX". Aldus doende, zegt Brouwer ^de leere Pauli te volgen met zijn 
huisrecht voor te staan" ^). 

Aan het eind van zijn bestuur maakte hij dit vergrijpje wéér goed. Toen 
si/n tijd in December 1635 was gekomen, werden ook hem y, vereeringen'' toe- 
gedacht. Een der hoofden van de Chineezen te Batavia vroeg aan Van Diemen '), 
of deze Brouwer niet kon bewegen tot het aannemen van eenige geschenken : 
een gouden ketting en zijden stoffen, uit dankbaarheid voor genoten bescherming. 
Brouwer weigerde beslist, ze te aanvaarden ^om egeene redenen hoe die oocq 
mochten opgepronckt werden" : hij wist, dat het geld daarvoor gekomen was uit 
^een generale collecte" onder de y,Chineesche gemeente", en dat de hoogge- 
plaatste Chineezen op een tegengeschenk rekenden. Hij doet het denkbeeld aan 
de hand, het geld te besteden voor de fortificatie van Batavia's Westzijde, opdat 
de Chineezen er te geruster mochten wonen I 

Valentijn beschrijft aldus het portret van BROUWER : •) 

„Hij hangt in de groote vergaderzaal tot Batavia met zwarte kleederen 
met een beQe daarop, en Ponjetten op de mouwen uitgeschilderd, gelijkende veel 
eer bedienaar des Goddelijken woords, als een Oppergebieder van Indien, ten ware 
men dat aan den gouden riem om zijn middel, en aan zijn bevel-staf, merkte. 

Hij was grys van hooft, had een langen en breeden gryzen baard, was 
lang van knevels, rijzig van gestalte, redelijk gezet van lichaam, zwart van oogen 
en nog redelijk bloozende en kloek van wezen, verbeeldende in. allen deelen een 
zeer agtbaar Heer, na gissing $7 of $8 jaren, toen hij vertrok, oud " 

Leiden. 



1) Doelt Bkouwbr hier op Eirste brief aan TtmothHts, III, Xi 3, 5» V, 8?? 

i) Onuitgtgeven resalutU G, G, 6* Haden, 15 Die, 1635. 

s) Ygl. hiervóór. — Over Brouwers portretten vgl. men E. W. MoBS, lamogrt^hia Batava^ 
(Amsterdam, Frsd. Muixbr, 1897), bldc. 136 ; Frsd. Muller, Catalogus van portretten van Nederlanders 
(Amiterdam, Frsd. Muller, 1853) ^o, 756*, 757; J. F. van Someren. Beschrijvende Catalogus van 
gegraveerde portretten van Nederlanders, II (Amsterdam, F. Muller, 1890, blds. 163). 




WAARDSCHATTING VAN SCHILDERIJEN 
IN DE XVII" EEUW 



Dr. A. BREDIUS. 



2 Dec. 1669. 
i E Wed* van Salohon Verkammer te Leiden transporteert voor 
' een schuld aan Professor Allardus Uchtuannus onder meer: 

f eenig schilderwerk voor de schoorsteen van KoETS. ƒ 12. — 

J een Vanitas van FlETER Claesz y, 12, — 

't een schilderij van S. RuiJSDAEL „ 50. — 

een schilderij van S. RxTYSDAEL „ 50-— 

een bancquet van PlETER Claesz. ^ 12. — 

een lantschapje van Decker ^ 10,— 

een scheepje van Verbeeck^) „ 30. — 

een koe^'e van Pynacker -• » 12.— 

een lantschap van S. Ruvsdael „ 40.— 

een groot landschap van Wynants „ 30. — 

een snijdertje van Claes Molenaer „ 6, — 

een oudt man van BOONTJE (D. Boone) „ 25.— 

een lantschapje van de JONGE RlIYSDAEL ^ 5.— 

een Vanitas, zijnde grau, geschildert van Hals [F. Hals de Jonge] „ 3a— 



1) C0BNBI.TS Vbibbbok, Hurlemich zeescbilder, werluKun omitreeki 1690/1630, VBder na d«n 
pwrdenicbilder Pibter Vbrbeboq. 



WAARDSCHATTING VAN SCHILDERIJEN IN DE XVII* EEUW. 248 

2 Vcrschietjes van Croost / S« — 

een schilderij van eenige potten ende pannen van Phlip 

Angels w 6-— O 



Inventaris van Johan de Hoest, in 't gemeen beseten met Zal'. 
Catharina Qüestiers sijne huysvrouw, i6 Nov. 1673, Am" 

sterdam. Getaxeerd worden de schilderijen door de schilders 
DiRCK Santvoort en Gerrit Uylenborg. 

Een stuck daer Lasarus van den doot verweckt wordt door QüAST ƒ — . — 

een daar de dry Maria's te grave gaen van QüAST . . . . „ — . — 

In de Sael: 

een schildery van Berghem » ^ — 

een dito van Jan Miensz. Molen aër, daer mette kaert gespeelt wort ^ 50. — 

een dans van Molenaer „ 50. — 

een Phaëton van Fr. Dancx ^ 30.— 

een van van Lint „ 50. — 

een Hemelvaert van KiPPELS ^ 42.— 

een vrouwtje dat op de luijt speelt van QuAST ^ 6. — 

In de binnencamer : 

een Abraham's Offerande van Moyaert ƒ 28. — 

een Crucifix van MOYAERT r>i8. — 

een schilderij van Reijnier van Berchoüwer „5. — 

een rond landschapje van Jan VAN GrOYEN „ 8. — 

een stuck van Hals met een lange palt rok ^ 12.— 

een melckmeijt van Molenaer „ 20. — 

een van Hals daer met het Verkeerbort gespeelt wort. • . • „ 12. — 

een landschap van COLLAERT ^ 13. — 

Op de Camer van S<ür. Cath. Qüesties: 

een lantschap waarin een vrouw met een kan op 't hooft . , ƒ 8. — 

een trony van Jan Lievens ^ 20. — 

een Romboüt van Troyen, cleijn „ 3,_ 

5 pleyster tronyen , „ 12. 



Piot. Not. N. VAN LssuwBN, Leiden. 



244 WAARDSCHATTING VAN SCHILDERIJEN IN DE XVU- EEUW. 

een boek met kunst door Catharina Questiers Zal', [zelf] 

geteeckent ƒ 20.-- 

een geboetseerd kintje ") ^ 7.— 

1674. Amsi. Inventaris. 
een stuckje van Arent van der Neer ƒ 6.— 

Desol. boedel GuiLIELMO LOOTEN, Amsterdam 1684. 

een stuck daerin een slee ten ijs, daer een persoon agter en een 

in is door ASSELIJN f 20.— 

een daer de persoonasien demine vertoonenalsof deselvesongen 

van MOLENAER. 

een dito van een storm daerin een schip in gevaer van PORCELLIS y» 15. — 
een historie schildery daerin drie paerden en differente persoo- 

nasien van LASTMAN, getaxd ^ 150. — 

een schildery daerin ses naeckte persoonaasien van VerelsT 

(is dit PlETER VERELST of VAN DER HELST?) „ 25.— 

een lanckwerpich lantschap en een dito, met een watertie, van 
Jan van Goyen ^ 10.— 

een schildery daerin een antique gebouw met diverse ^beelden 

van Drooghsloot ƒ12 — 10 — o 

een stil waeter daerin een pont en verscheyde scheepen van 

VAN de CaPPELLE f 30.— 

een Itaeljaens stuck daerin 5 persoonasien, een bonten os en 

verder vee, van Schellincx „ 30. — 

een schilderijtje daerin eenige te voet en te paert vegtende 

van Wquwerman. „ 35.— 

een dito daerin 3 persoonagien en 3 beesten daervan 't ééne 

vertoont of 't gemolcken [wordt] van Potter „ 50. — 

een schildery daerin twee anticque persoonasien aen een schabel 

van Philips Coninck „ 10.— 

2 stuckies met beelties van Vertangen n 40. — 

een groot stuck int voorhuijs met persoonasien daerin onder 

anderen staet: Hier leijt begraven Roelandt, van QUAST .... ^ 25. — 

een doncker lantschap met geberghte vav EvERDiNGEN. . . ^ 18. — 

een Boere en Boerinne gezelschap van LuNDENS j, 20. — 

2 lantschappies over de hoogte met geboomte van ENGELS. . ^ 40. — 

>) Prot Not. C. VAN PoELBNBURGH, Amsterdam. 



t 



^ 



WAARDSCHATTING VAN SCHILDERIJEN IN DE XVU- EEUW. 245 

een geseltschappie, daerin sigh een op de leuyt spelende ver- 
toont van MOLENAER j 20. — 

een berghagtig lantschap daerin een Revier en personasien aen 

dezelve van Hackaert „ 32. — 

een donckere lugt met een Revier, van VAN DER Neer . . . ^ 16. — 

een wintertje met persoonasien van Claes Molenaer . . . „ 12. — 

In de camer met Doornicx streep: 

Ses conterfejtsels gedaen door Maes met gesneden lijsies . • ƒ 60. — 
5 — 7 Januari 1685. Getaxeerd door 

Jan Roosa en 
Anthonie van der Laen. 



I 



Desolate boedel. Invent. van Hendrick Geraerdt, 2 febr. 1685, Amsterdam. 

een lantschap van LiNGELBAG ƒ 24, — 

een dito van Jan van Go yen en een Pallas „ 6. — 

een dito van Camphuijsen „ 6.— 

een Itaeljaense Seehaven vol beelties van Mostert . . . . „ 10. — 

een Seehaven van Adam Willaerts ^ 18. — 

een Zeehaven van Reynier Zeeman „ 20. — 

een Maria met het kindeken door Abr. Blommaert . • . . y» 5. — 

een See van Pieter Mülier y, 10. — 

een lantschap van Jan Looten „ 30. — 

Invent. desol. boedel Lambert Telghuizen, Amst. 1685. 

landschap van Fred. Moucheron /31. — 10 

een bordeeltje in der nacht van Lange Reyer f 6. — 

een dito van eenige soldaeten van dito Meester „ 10. — 

noch een daerin een soldaet met een vroulie ^ 6. — 

een stuck met tobackroockende personasien en een wijnroemer 

van D. Boon ^ 7. — 

Getaxd van Jan Roosa 

Inventaris van Sr. Jan DE FOREST, 6 Dec. 1663^^ Leiden. 

de vier Evangelisten f 50. — 

een tronie van ROSIAU y, 15. — 

Oud-HoUand, 1907. 82 



SM WAARDSCHATTING VAN SdULDERIJEN IN DE XVIU EEUW. 

een tronie van ROSIAU / 8.— 

het grote stuck van ROSIAU „ 30.— 

het groote stuc van RosiAü „ 60. — 

Madaleen van RosiAU „ 8.— 

een landtschap van van DEN BUNDEL „ 4.— 

een copye naer VAN DER POEL „ 4.— 

een stuckge van RosiAU „ 6. — *) 

Inventaris 1709 van }Ks:xi& de Rode, Amsterdam. 

een lantscfaap met een beeckie van Ruisdael. ƒ 12. — 

een teekeningh verbeeldende JACOB D£ Rode van Vaillant 

met een swarte lijst „ 2. — 

een lantschap met eenige beesten van TOBIAS KRONENBURG . „ 5-~'J 

1) Prot. Not. A. Ravbn, LeidcD. 

>) , a TAN Gbuns, Amsterdam. 



NOG IETS OVER JACOB VAN GEEL 



Dr. A. BREDIUS. 



kan vermelden, dat zich in het aardige Museum te Lier bij 

Antwerpen een keurig stukje van dezen schilder bevindt, gemerkt: 

Jacob v. geel 1634. 

Het fs zeer tijn en uitvoerig geschilderd. Rechts bosch met door- 

dcht, op den voot^ond een water, links alleraardigste achtergrond 

met boerenwoningen en een bosch er achter. Het verschiet in het midden is wéér 

ELZHElMER-achtig. De boomen rechts, nog wat ouderwetach van teekening, zijn 

krachtig van kleur, met veel bruin, de voorgrond is ook bruin. In dit alles is 

echter een streven naar waarheid, een zich ontdoen van de oude manieren der 

oud-BRUEGHEL'sche school, en deze meestei verdient een even hooge plaats 

onder de rij der baanbrekers als bijv, de meer bekende Gillis i/ Honde- 

COETER. Naar mij medegedeeld werd, bezit thans Jhr. van Sypesteijn te 

's^ravenhage het in mijn artikeltje beschreven landschap, afkomstig van den 

kunstkooper DUITS. 



"248 NOG IETS OVER JACüB VAN GEEL. 

Een 1635 gedateerd landschapje, aflcomstig uit de Coll. Moll en Habich, 
bevindt zich thans bij den Heer Ckemer te Cassel. De Heer P. Haverkorn VAN 
RyS£WljK deelde mij nog mede, dat in 1893 te Rotterdam door het R. K. 
Parochiaal Armbestuur, een landschap van VAN Geel werd tentoongesteld, ter- 
wijl den Directeur van het Museum BOYMANS in 1891 een Schipbreuk (h. 1.36, 
br. 2 meter) van dezen meester te koop is aangeboden. In het Museum teLyon 
wordt mede een zeestuk aan hem toegeschreven. 



BLADWIJZER 

OVER DEN JAARGANG 1907. 



A. 

Aia 

Adïidag, Bisschop vi 

AddUon 93 

Adela, Koningin van Fraokrijlc t lo 

Adolf, Herto); van Gelre gS 

Aich (Johann Bartholomacus).. i3 

Aiuema (Leo aW 196 

Albano fAnnibaleJ I31 

Alberti (Leonardus) 115 

Albertini (Franciscus) 129 

Albertus, Aanshertog van Oos- 
tenrijk 56 

Albrecbt van Beieren, Giaaf 

van Holland) 167 

Alciatus 133 

AlfoDS VT, Koning van Portugal 315 

Allan 103 

Alten (von) 306 

Alexander VI, Paus 136 

Allatius ti6, 133 

Alva 104 

Alweins (Petrus) 35 

Ameyden (Dirck) 113, 139 

Ampzing (Samuel) 103 

AoJreas (Valcrius) 117 

Angel (Philips) 343 

Anna, Koningin van Engeland 93 

Anslo (Comelia Ciaesi.] 65 

Anslo (Reyer) 133 

Appelboom (H.) 133 

Appelman (Johan) 314 



Apperloo (Pietcr) 3 

Arend {Dr. J. P.) 1 

Aretino (Pietro) i 

Arminius (Jacobus) i 

Amold, Hertog van Gelre 

Arrigo Fiammingo i 

Arundel (Thomas Fairfax, graaf 

Asselyn <jan) 3 

Asselyn (Thomas) 1 

Auchter (Hans Bartholomacus) 

Avesnes (Guy van) 



Baeck (Joost) 

Baecken {van der) 1 

Baerie (Caspar van) 66, 1 

Baldinucci 118, 119, 1 

Balen (Matthys) 31, 34, 37, 

Balen (Sara van) 

Baltimore (George Calvaert, 

.Lord) 

Barait (Anton) 

Barberini 119, 1 

Baren (Elisabeth van der) 

Baren (Jan Anton van der) ,..14— 
Baren (Pontianus van der) ...15, 
Bartolotti (Georg August Graf) 

Bartsch 134, 136, I 

Bayersdorfer 133, 134, 145, i 

Beaiunont 3 



Bedford (Duke ofi 93 

Beeldemaker (Aariaen) 44 

Bega (Coroelis) jm 

BeBert (Pietcr) 7 

Bellori 115 

Below (von) 160 

Bembo (Pietro) laa 

Ben:hem (Nicolaes) 343 

Berchem (Wemmer van) 180 

Berchouwer (Reynier van) 343 

Berck 38 

Berckhcyde (Job) 134, 148 

Beresteyn (Zacharias van) 14;, 1C4 

Bergh (van den) ' '. ,67 

Berkhey (J. Le Francq van) 

Bemal 84, 93 

Bertali (Antonius) 10 

Bertali (Theresia) lo' 

Bertcdotti 134, 137 

Beveren (Abraham van) 44 

Bevercn (Comelia Willemsdr. 

van) ^.. 33 

Beveren (Comelis van) 37, 39, 

40, 43 

Beveren (Jacomina van) 33 

Beyerie 164 

Beyert (van) 13a 

Bic (Comelis de) 3, 6 

Bie (Erasmus de) 19 

Bie (Johannes Baptista de).... 19 

Biel (Ernst del 33 

Biel (Ernst Peter Sigismund de) I3 



1 



n 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1907. 



Biel TFranz Ludwig de) 20 

Biel CLudwig Jacob de) 22 

Biel (Maria Catharina de) 22 

Biesiim (Quiryn van) 154 

Blasy (Peter von der) 12 

Blauwbeck 236 

Blok (Dr. P. J.) 127, 220 

Bloemaert (Abraham) 245 

Bloemaert (Comelis) 123 

Blyenburg (Adriaen van) 44 

Bode (Dr. W.) 133, 150, 155 

Bodzlain (Live) 26 

Boeckhorst 171 

Boëst (Gaspar Jacob van^ ...22 — 24 

Boëst (Georg Tobias van) 23 

Boëst (Johann Stephan van) ... 23 
Boëst (Maria Anna Rosina van) 23 

Boetselaer (Erick van) 59 

Boissardus 115 

Boissonade (T. F.) 121 

Bol (Ferdinand) 74, 7^^— 7^ 

Bontecraey (Comelis Gcrritsz.) 

199» 203 

Bonciari 116 

Boone (D.) 242 

Boot (MargarethsO 42 

Borch (Gerard ter) 132, 133, 

136, 142, 143» M5 

Boreel (Willem) 225, 232, 238 

Bordes (C. J. de) 138, 146 

Borght (W. van der) 153 

Borromeo 115, 122 

Borstius (Jacobus) 44 

Bosboom (Dirck^ 7 

Bosboom (Jacob) 7 

Bosboom (Simon) i — 8, 73 

Bosscha (Petnis Paulus) 116 

Both (Pieter) 181, 184, 185, 218 

Bottari «3 

Boucholt (Kelder Heyndricx 

van) 214 

Boufkens (Clara de) 43 

Bouts(Dirck) 27—29 

Boxhomius {Marcms Suerius) ... 171 

Brandt (Cierard) 30 

Brassemary (Willen) 75 

Bredius (Dr. A.) 134, i35» M», 

i5'> 154 

Breedam (Matthys) 7 

Breenberch (Bartholomeus) 122 

Brenner (Mathias Pankraz) .... 21 

Brenner (Maria Anna) 22 

Brentano-Birckenstock 29 

Broeck (Abraham van den) ... 191 

Broek (Pieter Thomas) 238 

Brom (Dr. G.) i93 

Bronckhorst (Jan) 73» 74, 7^ 

Brouckere (Jiuiaen de) 62 

Brouwer (Geertniyd) 237, 238 

Brouwer (Gysbert) 179 

Brouwer (Hendrick) 174 — 196, 

217—241 

Brouwer (Maria) 238 

Bruckenthal (Baron von) 148 

Bruckmann 149, ^S» — "53 

Bru^hel (Pieter) 247 

Bruyn (van Oosten de) 171 



Bniyn (C. A. L. van Troosten- 

burg de) 237, 239 

Buchelius (Amoldus) 54, 193 

Buckingham (George Villiers, 

Hertog van) 95, 96 

Bundel (Willem van den) 246 

Burger van Schoorel (Dirk) 

168—170 

Burmannus (Petrus) 121 

Bumacini (Ludwig Baron) 24 

Busbecq 44 

Byler (Wouter van) 54 

Bywaert (Comelis van) 32, 33, 

38, 43 

c. 

Cabeljau (J.) 30, 40 

Cabeljau (Petrus) 200 

Caerden (Paulus van) 179, 180 

Calcar (Jan van) 122 

Callenbach (J. R.) 227 

Campen; (Jacob van) i, 4—6, 8, 

71—74, 77—79 
Camphuysen 245 

Campioen (Abedias) 214 

Canisiuis 126 

Canneel (Elysabctte) 62 

Canton (Franz) 23 

Cappelle (Jan van de) 244 

Caravaggio 143, 150 

Carleton (Dudley) 84 

Carpenter (W. Hookham) 85 

Carpentier (Roeland de) 40 

Castilleios (Tean Maurice de) ... 44 

Cavendish (Sir Charles) 85 

Cerrini (Fabritius) 19 

Chateau (Wilhelm) 13 

Christie 96 

Christiaan, Hertog van Bruns- 

wijk 87 

Chnstiaan IV, Koning van De- 
nemarken 90 

Christianelli (Johann) 11 

Christina, Koningin van Zweden 120 

Chfls (van der) 227 

Citters (Caspar van) 84 

Claesz. (Pieter) 242 

Cletser (Gratia) 84, qi 

Clement (Anneke Pietersdr.) ... 83 

Cnobbaejt (Johanna) 11 

Cnobbaert (Maria Jacoba) ...10, 11 

Cocchius (Johannes) 116 

(3ock (Frans Banningh) ... 66, 70 

Codde (Pieter) 142 

Coeck van Aelst (Pieter) 129 

Coen (Jan Pietersr.) 175 — 178, 
193, 218, 22 D, 226, 228, 232, 240 

Coesaert 135 

Colenbrander (Dr. H. T.) 218 

Colibrand (Comelis van der 

Stay) 44 

Collaert 243 

Colin (Alexander) 56 

Colyn (Tacob} 52 

Colyn de Nole (Andreas) ... 55, 56 
Colyn de Nole (Jacob) 49—5^ 



Colyn de Nde (Robert) 55, $6 

Colyn (\\^em Jacobsz.) 54 

Colyns (Johannes Baptista) n 

Conwav (Lord) 91 

Cools (Anioldus) 33, 35 

Coirfs (Elisabeth) 42 

Cools gohanna) 33r'3f^i 4» 

Cools (Margaretha) 33, 43 

Cools (Wouter) 33, 38, 43 

Cooper (Jacobus) 22$ 

Coomans (Michiel) 73 

Coomhert (Dirck Volckertz.)... 129 

Coppens (Christiaen) 59 

Corencraey (J. Jzn.) 223 

Comelissen (Wilhelm) 19 

Corput (Maria van den) 42 

Coster (Hasyna) 43 

Coster (Hennrck) 64 

Cottington (Francis) 89 

Courte (Johann Karl) 25, 26 

Coventry (Thomas) 89 

Cowper (Graaf) 84 

Coxell (Octavian) 14 

Craesbeke (Anna van) 210 

Cramer (Nicolaus) 9 

Graven (Earl) 9» 

Crayer (Casper de) 205 

Crefft (Johann EIrasmus de) ... 19 

Cremer 248 

Cristoforis (de) 15» 

Cromwell (OHver) 189 

Croos (van der) 243 

Croy 208 

Cruys (N.) iSS 

Csaki 148 

Cust (Lionêi) ! .,..., 86, 9» 

D. 

Dallaway (James) 93 

Danckerts (Justus) 7, 13^ 

Danckerts 71, yy^ 79 

Dancx (Fran^ois) 243 

Dandelot (Comelis) ^5 

Damley 9* 

Dati (Carlo) 124 

Decker (Jeremias de) y> 

Decker v 242 

Deken (Agatha) , i73 

Dekker (Jan) 84 

Defff rWiUem Jansr.) 9^ 

Dens (Jodocus) 13 

Desideria van Lombardge 9^ 

Desiderius, Koning van Lom- 

bard^'e 9^ 

Deutz (Agneta) 145> '54 

Deutz (Anthony) i5-^ 

Deutz (Balthasar) i45> "54 

Deutz (Jeronimus) 138, M5 

Devonshire (Hertog van) 93 

Diberger (Simon) 23 

Diemen (Antonio van) 220, 221, 

224, 225, 228—230, 241 

Diest (Willem van) ^5^ 

Dircksdr. (Eva) 33» 35 

Dirk II, Graaf van Holland ... 167 



r 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1907. 



m 



Doenssen (Steven) 191 

Does (Daniël van der) 58 

Dogger (Benedict) 12 

Dornfeind (Franz Joseph) 12 

Dorp (Caecilia van) 237, 238 

Dwiset (Anne Clifford, Countess 

oO 93 

Dort (Abraham van der) 92, 95 

Dou (Gerard) 197, 203 

Doublet 201 

Doude (F.) 198 

Dozy (Mr. Ch. M.) 237 

Droogenham (Ryck Pietersz. 

van) 199, 200 

Droochsloot (Joost Corneliszn.) 244 

Drossaert (Johanna) 92 

Drossaert (Susanna) 92 

Drossche (Susanna de) 92 

Du Bois (J. P. J.) 195, 231 

Duck (Jacob) 142 

Duits 247 

Du Jardin (Karel) 14?, 144^ 146 

Dunmore (Lord) 92, 93 

Du Peiresc 116, 125 

Dupuy 125 

Duyn (Gosuinus van) 37 

Duynen (van) 132 

Dyck (Anthonie van) 55, 93, 94, 

120, 204 — 210 

Dycke CF. van) 62 

Dflk (Jan van) 71 — 78, 82 

Dijk (L. C. D. van) 180, 188, 

223, 226 
Dyserinck (Johs.) 66, 68 

E. 

Ebenberger (Friedrich) 13 

Eduard III, Koning van Enge- 
land 98 

Eeze (Evert Johannesz. van der) 102 

Egge (Johann van) 23, 24 

Eisenmann (Dr. Oscar) 205, 206 

Eleonora van Engeland, Her- 
togin van Gelre 98 

Elias 238 

Elisabeth van Engeland, Ko- 
ningin van Bohemen 87 

Elsevier (Aemout) 57"-^ 

Elsevier (Bonaventura) 58 

Elsevier (Sara^ 83, 84 

Elsheimer (Adam) 247 

Emonds (Dirck) 43 

Enden; (Martinus van den) 93 

Engelen (Agatha) 67 

Engelen (Comelis) 67 

Engelen TDivera) ffj 

Engelen (CJertrudis) 67 

Engelen Qohanna) 67 

Engelen (Rcynier) 65 — 70 

Engelen (Simon) 67 

Engels (Anna) 67 

Engels (Johannes) 66—68 

Erasmus (Desiderius) 116, 123, 

126, 128, 129 

Erich (Franz Heinrich) 24 

Erich (Octavian) 24 



Ernst, Aartshertog van Oosten- 
rijk 56 

Esch (Comelia van) 42 

Ettich (Franz) 25 

£ verdingen (Allert van) 244 

Eyck (Nicolaus van) 11 

Eynde CR. van) 94 

F. 

Fabriczy 117 

Fabritius CGeorgius) 115 

Faemus (Gabriel) 122 

Fagel 93 

Faithome (William) 93 

Falmouth CLord) 93 

Faulconier Clean) 155 

Fena (G. G.) 39 

Ferdinand, Aartshertog van 

Oostenrijk 206 

Fermout (Guillaume) 199, 203 

Ferwerda 238 

Fine (Comelis de) 129 

Fitzwilliam (Graaf) 96 

Flinck CGovert) 73, 74, 78, 82 

Fockhy (Daniel) 21 

Fockhy ^Emerich) 20 

Fockhy gohann Michael) ...20, 21 

Fockhy CMaria Anna) 21 

Fockhy (Maria Catharina) ...21, 22 

Fockhy ^Maria Elisabeth) 22 

Fockhy (Maria Theresia) 21 

Fockhy CMichael) 21 

Fokke (Simon) 108 

Fokkens (Melchior) 76 

Foppens 117 

Forcella 131 

Forest CJan de) 245 

Foster 145 

Franceschini CTheresia) 10 

Fraser (S. H-) 155 

Frederik, Hertog van Holstem 44 
Frederik Hendrik, Prins van 

Oranje 84, 94 

Friedlaender (Dr. Max) 150 

Frimmel (Dr. Theod. vom) 11, 

12, 134, 135, 1475 148, 150, 153—155 

Fniehwirth (Anna Maria) 13 

Fruehwirth (Carl Joseph) 14 

Fruehwirth (Gabriël) 14 

Fruehwirth (Johannes) 13 

Fruehwirth (Regina) 14 

Fuerth (Adolf J.) 155 

Fuessli 13 

Q. 

Gailliard (J.) 62 

Galen (Jan van) 5, 72 

Galle fFrancis) 91 

Galle (Theodoor) 116 

Galway (Lord) 92 

Gamiers (Jacquem3n[itgen) 198—201 

Gaudenzi (Paganino) 123 

Gaye 122 

Geel (Jacob van) 247, 248 



Geer (Franz Ferdinand von) ... 24 
Geer (Maria Magdalena von) ... 24 

Geer (Michaël van) 26 

Geerts (Johannes) 10 

Geldenhauer (Gerardus) 129 

Geraerdt (Hendrick) 245 

Gerber (Georg.) 9 

Gerritsen (H. Ph.) 94 

Getins (van) 246 

Gevers (Petronella) 42 

Ghellen (Johannes van) 10 

Giustiniani 123 

Goelsch (Maria Rosina) 24 

Goltzius (Hubert) 115, 129 

Gompertz 68 

Gonnet (C. J.) 165 

Gouw CJ. ter) 173 

Goyen (Jan van) ...57, 58, 243-^45 

Graeff (Peter van de) 104 

Gratama (Mr. S.) 157, 164 

Gravius (Henricus) 116 

Grebber (Antonius de) 203 

Grebber (Maria de) 202 

Gregorius XIII, Paus 122, 127 

Griecken (J. van) 201 

Grimbergen (Laurens) 212 

Grimm leg 

Groeneweghen (P. van) 04 

Groot (Dr. C. Hofstede de) 

7o> 84, 134, 135» 139, 140, 

146, 148, 150, 152, 153, 155 

uronovius n5 

Groot (Hugo de) ..'.'. 194 

Grotelande (C. D. van) 198 

Grothe (J. A.) 224, 227 

Gryze (Audemarus de) 116 

Guenburg (Maria Elisabeth 

von) 21 

Guldenmont (Joost) 212 

Gysbertsdr. (Aefgen) 170 

Gysbertsz. (Jan) 179 

H. 

Habich 248 

Hackaert (Jan) 245 

Hacquard 216 

Haen (Andries de) 214 

Haes (J. J. de) 199-^02 

Hapen (Steven van der) 193 

Hainx (Heinrich voo) 26 

Haim Qohanna von) 26 

Hals (Frans) 144, 243 

Hals (Frans) de Jonge 242 

Hamilton (lames. Markies von) 86 
Hamilton (William, Hertog van) 96 

Hanfstaengl 151, 204 

Hanneman (Adriaen) 9a, 215 

Harde CFranciscus de) 10 

Harde (MTilhelm de) 10 

Harrach 134, 139, 142, 149 

Harrebomee 173 

Hasselt (van) 107 

Hasz (Maria Sophia) 84 

Hatert (Christiaen van den) 37 

Havelaar (Johan) 213 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1907. 



Heek (Ph.) 164 

HedickhuyTen (Adriana van) ... 42 
Heemskerck (Maerten van)i22, 1219 
Heeres (Mr. J. E.) 180, 222, 

224, 225, 228, 235 

Heeringa (K) 222 

Heinsius (Nicolacs) 1 1 $ — 1 1 7 , 

119, 121, 123, 124 
Heldmann 157 — 159, 161^ 163, 

164, 171 

Hellemans (Eleonora) 67 

Hellemans (Susanna) 67 

Hellenis (Jac.) 201 

Helst (Bartholomaeus van der) 

93» ^3f>y ï44, 146, 244 
Helt Stockade (Nicolaes van) 6, 

72, 78 

Hemeling (Johannes) 163 

Hemminck 136 

Hendrik V, Keizer 163 

Hendrik VIII, Koning van En- 
geland 116 

Hendrik, Prins van Wales 95 

Hendrik Julius, Hertog van 

Brunswijk 86 

Hendricksdr. (Judith) 211, 212 

Hendrix (Gillis) 93 

Henriëtte Maria v. Orleans, 
Koningin van Engeland 92, 

207, 208 

Herbers (Dirck) 213 

Herbers (Hendrickgen 

Dircksdr.) 212—214 

Herckmans (Elias) 235—237 

Hertoghe (Joost de) 205 

Herwynen (Dirck van) 38 

Henren (Adriaen van) 43 

Heumius (Justus) 227 

Heussen (Hugo van) 169 

Heyden (Johan van der) 38 

Heyden (Samuel van der) 38 

Heyn (Piet) 212 

Hidetada ^9^ 

Hülebrandts (Daniöl) 4 

Hirrenheim (Sophia Sidonia 

von) 23 

Hobart (Henry) 90 

Hodenpyl ï;» 

Hoensbroech (Graf von) 140» 

144, 152 

Hoest (Johan de) 243 

Hogheboom (J.) 212, 213 

Hohenreiter (Anna) ^3 

Holbein (Hans) ;• 94 

Holland (Henry Rich, Eari of) 96 

Hollant (Stcphanus van) 54 

Holstenius (Liïcas) - ï2I 

Holsteyn (Comelis) 74 

Hondecoeter (Gillis d') 247 

Hondius (Hendrick) 94 

Hondius (Hester) 213 

Hondius (Willem) 212 

Honthorst (Gerard van) 77^ M3 

Hooft (Pieter Comelisz.) 66, 67, 

126, 131 

Hoogendijk i34, 138, '5o 



Hoogstraten (Samuel van) 34, 

43, 203 

Houbraken (Amcrfd) 203 

Houttuyn 214 

Hoy (van) 13 

Hoye Soenens (ter) 62 

Hudson (Sir Jeffry) 9a, 93 

Huyg^ns (Constantin)... 30, 46, 7Q 

Hymans (Henri) 63 

I. 

Immerzeel 56, 134 

Ingels (Barthold) 67 

Ingels (Jan Reyniersz.) 66 

Insin^er (Mevr. de Wed.) 146 

IsabeTla, Aartshertogin van 

Oostenrijk ?6 

lyeyasoe 189 



{acoba van Beieren 168 
acobsz. (Rombout) 94 

Jacobus I, Koning van Enge- 
land 86— 9^, 195 

aenig 122 

an rv, Koning van Portugal ... 215 

ansz. (Comelis) 199 

ansz. (Hein) 4 

ansz. (Jan) 203 

^ ansdr. (Jannetje) 7 

] ansz. (Quirjrn) 104 

^ansdr. (Trijntje) 213 

ersey (Ladjr) «.. 96 

oanelli (Hieronymus) 10 

ode (Pieter de) 6 

ohannes XXII, Paus 98 

jonge (Jhr. J. K. J. de) 

174— i79i 182, 186, 191, 194, 19^, 

217, 221, 226—028 

}ordaan 44 
ordaens 132 

{ostes 164 
ouwens (Gaspar) 11 

Jovius (Paulus) W2 

Juppeck (Franz Georg) 25 

K. 

Kampoort (Jan van) 70 

Kapteyn (P. J.) i79 

Karel de Groote 97* 9^, 162 

Karel I, Koning van E^ngeland, 

89-92, 95, 189, 207, 2*d8 
Karel II, Koning van Engeland 44 

Karel, Hertog van Gelder 64 

Karel X, Koning van Zweden 44 

Karre (Petrus) "6 

Kastner (Anna Maria) 25 

Keerle (Christiaan) 13 

Keilen (J. Ph. van der) i45 

Ketel (Goert) 107 

Keun (J.) 214 

Keuitgen i59* i^'» ^^4 

Keyser (Hendrick de) 3 



Keyser (Tan Adriaensz.) 199 

Kcyer (Pieter de) 3, 4 

Keyser (Theo<lonts de) 75 

Keyser (Thomas de) .,^., c, 6, 75 
Keyser (Willem de) ...3—0, 8, 71 

Kilian 107, 171 

King (John) 86 

Kippels 243 

Kleinschmid (Johann) 25 

Kloot (M. A. van Rhede van 

der) 178, 195, 217, 221, 237 

Knackfuss 204 

Knyvett (Marie Parry, Lady)... 96 

Knyvett (Sir Thomas) 96 

Koets 242 

Kok 173 

Koninck (Philips) 244 

Kramm (Christ) i, S, 52, 56, 

Kreutzinger (Elisabth) 19 

Kronenburg 246 

Kroon (A. W.) 2, 3, 72, 73 

L. 

Laban 208, 209 

Laen (Anthonie van der) 245 

Laer (Pieter van) 143 

La Faille 84 

Lafreri 129 

Lamberts ((jrerrit) 172 

Lampfarizomb (Sigismund 

Prosper Baron vojn) 22 

Lampi (Johann Baptist) 19 

Lampsonius (Dominicus) ...122, 129 

Lanciani 129 

Langeraad (L. A. van) m 

Langermannu^ iio 

La Salie (J. H. de) 241 

Lasso (Orlando) 115 

Lastman (Pieter) 244 

Lauch (Christoph) 18, 19 

Lauro (Giovambattista) 116, 118 

Law (Emest) 86, 93 

Lazarew 92 

Leeuwen (N. van) 242 

Leeuwen (Simon van) 17' 

Le Foutere (Abraham) i99 

Le Foutere (Marv) 199, r» 

Le Foutere (Philips) 199, 200 

Le Fouiere (Sara) 199, 200 

Lehnherr (Matthias) 23 

Leibniz i57 

Lely (Sir Peter) 9» 

Lely (Mr. W. van der) 31 

Le Maire (Jacques) 235 

Le Nain ...134, 142, i43> ïS^» "55 

Lennep (Mr. J. van) 9^ 

Leo X, Paus 116, 129 

Leopold I, Keizer 15» ^^ 

Leopold Wilhelm, Aarsthertog 

van Oosterrgk 14—16 

Le Petit (Elisabeth) 36—38, 4o, 4" 

Le Petit (Jacob) 3^ 

Le Petit (Margaretha) 43 

Lesser '97 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1907. 



Lessy (Anton) 19 

Leupe (P. A.) 224, 226 

Lichtenstein <Ulrich von) 105 

Liefrinck (Comelis) 57, 58 

Lier (Tohannes van) 9 

Lier (Martia de) 10 

Lier (Volckard Adrian van) 9, 10 

Lieshout (F.^ 237 

Lievens 0^ ^..76^ 81, 82, 243 

Lindanus 121, 127 

Lingelbach (Johannes) 137, 154 245 

Lint (van) 243 

Lipsius (Justns) 115, 116, 130 

Livius (Titus) 82 

Locquet (P.) 151 

Lodewnk VII, Koning van 

Frankqjk 99 

Lodewnk IX, Koning van 

Frankrnk 99 

LodewQk Napoleon, Koning van 

Holland 7^^-78, 82 

Lodge 86—89 

Lombardus fLambertus) 122 

Loncq (Hendrick Cornelisz.) ... 212 

Longolius (Christophorus) 122 

Loon (Gerard van) 54 

Looten (Gnilielmo) 244 

Looten (Jan) .;... 245 

Louise van Medina Sidonia, 

Koningin van Portugal 215 

Lubbert, Abt van Egmond 167 

Lucasdr. (Hilletje) 238 

Lullius (Johannes) 238 

Luis (Hendrick) 23^ 

LumbroGO 123 

Lundens (Gerrit) 244 



M. 



Mackowsky i34 

Maennl (Jacob) 19 

Maes (Nicolaes) 245 

Maetsuyker (Joan) 220 

Maillv (Joannes de) " 

Mander (Karel van) 115, 118, 

129, 130 

Mansfeld (Ernst, Graaf van 87 

Manutius (Aldus) 115, «3 

Marcellus II, Paus 122 

Marck tot Everlo (van der) ... 103 

Maretus "5 

Maria de Medici, Koningin 

van Frankrijk 77 

Maria Stuart, Koningin van 

Schotland 95 

Mariette (J.) 92» 93 

Marlborough (Hertog van) 95 

Mamix (Philips) 126 

Massaniello 123 

Maurits, Prins van Oranje 188, 189 

Maximiliaan, Keizer 50 

Mayer, (Philipp Jacob) 25 

Meer (Abraham van der) 42 

Meer (Comelia van der) 42 

Meeuwen (Jacob van) 44 

Meeuwen (Johan van) 44 



Melanchthon 157 

Meldert (Jan van) 226 

Menageot fPctrus) , 22 

Merwede (Matthys van de) 136 

Metelen (Maria ter) ..„ 84 

Metsu (Gabriel)... 139, 143, 197 — 203 

Metsu (Jacques) 198, 199 

Meulen (N.) 32 

Meurs (Mr. P. A. N. S. van) 84 

Meursius 118 

Meyer (Elard Hugo) 158 

Meyssens (Cornelis) 10 

Meyssens Qohannes) 10 

Meyssens (Joseph) 10 

Miakinine 151 

Middlesex (Lionel Cranfield, 

Graaf van) 86, 87 

Miereveldt (Michiel Jansz. van) 84 

Milich fFranz) 24 

Milich (Johann Philipp) 24 

Milich (Nicolaus) 24 

Millais (Sir I. Everett) 150 

Miraeus 117 

Modeus 212 

Moens (W. J. Ch.) 92 

Moes (E. W.) 50, 68, 135, 172, 

205, 239, 241 
Molaer (Petrus E^iiestus) Graaf 

van) 16 

Molenaer (Jan Miense) ... 243 — 245 

Molenaer (Nicolaes) 242, 245 

MolenschoC (Engeltje) 32, 42 

Molhuysen (Dr. P. C.) ..« 124 

Moll 248 

Mostert 245 

Moucheron (Frederik de) 245 

Moyaert (Nicolaes) 243 

Muerschner (Johann Bemhard) 24 

Muiier (Pieter) 245 

Muller (Fred.) 241 

Muller (Mr. S.) 52 

Murbeck (Christoph) 13, 14 

Murray (C. Fairfax) 85, 87 

Murray (Patrick) 9^ 

Muyden (Anthony van) 214 

Myer (P.) 217 

Myle (Adriaen van der) 43 

Mytens (Abraham) 83, 84, 212, 21O 

Mytens (Aert) 83 

Mytens (Anneke) 211,212 

Mytens (Catharina) 213 

Mytens (Daniel) 83—96, 211, 

213, 216 

Mytens (David) 83, 94, 211, 212 

Mytens Jr. (David) 211 

Mytens (Elisabcth) 9a 

Mytens (Frederick) 211, 212 

Mytens (Hans) 83 

Mytens (Hester) 213 

Mytens (Isaac) ... 83, 93, 211— 316 
Mytens (johannes) 94, 211—213, 216 

Mytens (Maerten) 83, 84 

Mytens (Maerten Isaacsz.) 213 

Mytens (Marinus) 84 

Mytens (Susanna) 92, 94 

Mytens (Theodora) 213 



N. 

Nachod (O.) 188, 224 

Nagler 134, 136 

Nat (Elisabeth van der) 4» 

Neeffs (Jacobus) 205, 206 

Neer (Aert van der) 244, 245 

Neenng (Gillis) 39 

Negeren (Claes van) 202 

Nelson (Isabella) 43 

Netscher (Casper) 64 

Neve (Joos de) 92 

Newcastle (Elisabeth Bassett, 

Gravin van) 87 

Niceron 123 

Nicquet (Jacques) 192 

Nieulandt fAdriaen van) 108 

Nispen (Adriaen van) ...30, 37, 44 

Nispen (Karel van) 34, 36, 37 

Nole (Elisabeth Jacobs^, de) 

Nole (Jacob de) 49—56 

Nolhac 116 

Noort (Willem van) 51 

Norfolk (Hertog van) 85 

Nyenrode (Geertruya van) 53 

Nyport (Justus) 13 

O. 

Orsini (Fulvio) 121 

Os (Guilielmus van) 11 

Osorin (Johannes) 40, 47 

Otto I, Keizer 162 

Ovens (Jurriaen) 76 

Overstege (Adriaen van) 31 

Overstege (Clara van) 31 

Overstege (Comelia Vostraetsdr. 

^van) 31 

Overstege (Comelis van^ ... 30—^48 

Overstege (Elisabeth van) ... 35, 39 

Overstege (Hugo Pietersz. van) 31 
Overstege (Maria Comelisdr. 

van 35, 39 

Overstege (Maria Willemsdr. 

van) 32 

Overstege (Jacob Pietersz. van) 31 

Overstege (Jan Vostraetsz. van) 31 

Overstege (Joost van^ 39 

Overstege (Petra van) ^y 

Overstege (Pieter van) 31 

Overstege (Willem van) 32, 33 

Overvoorde (Mr. J. C.) 198, 199 

P. 

Palan (Joseph) 19 

Panagathus (Octavius) 122 

Pandelaert (Bemard) 34 

Paquot 117 

Paris (Mattheus) 97 

Passeri 118, 119 

Paulus van Middelburg 122 

Pauly 134 

Pauw (Gerard) 44 



VI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1907. 



Pein (Gaspar von) 25 

Pein (Otto Sigmund von) 25 

Pelissier (Léon) 121 

Pelser TAgniete) 237,238 

Pelser (Francois) 238 

Pembroke (Philip Herbert, Earl 

^^ 93 

Peneranda de Franchimont 

(Graaf de) 94 

Petit (Alexander) , 215 

Philips, Hertog van Bouigon- 

dië 167, 168 

Philips Jacobsz. (C.) 172 

Piccaleus (Johannes Baptista) ... 116 

Piccolomini (Graaf) 22 

Pighius (Stephanus Winandus) 115 

Pilon (Germain) 54 

Pinellus 115 

Pissct (Anna) 43 

Pit (A.) 53 

Pius IV, Paus 122 

Plantgn 121, 122 



Platen (Paul) 159 

Plunger (Joseph) 14 

Poel (Egbert van der) 246 

Poelenb^óigh (Comelis van) ... 244 

Pols 165, 167 — 169 

Pompe van Slingeland 

(Matthys) 44 

Pontanus (Johannes Isaac) 64 

Pontius (Pacificus) 116 

Pontius (Paulus) 93 

Porcellis (Johannes) 244 

Porter (Endymion) 90 

Portland (Hertog van) 85, 87 

Post (Pieter) 4, 6 

Posthius (Johannes) 115 

Potter (Dirc) 126 

Potter (Tan) 7 

Potter (Paulus) 146, 244 

Poussin (Nicolas) 119 

Pozzo (Cassiano del) 117, 123 

Primo (Joanna) ri 

Puteanus (Erycius) 115, 116 

Pyll (Martina) 44 

Pynacker (Adam) 242 

Pynas (Jacob) 57 — 59 



Quark (Anna) 12 

Suast (Pieter) 243, 244 
uellinus (Artus) 2^ 4, 6, 8, 

71—78, 8'>— 82 
Quellinus -(Johannes Erasmus)... 13 
(^estiers (Catharina) 243, 244 



Raey (Tehan^ 238 

Raey (Maria) 238 

Rafael 129 

Raven (A.) 246 

Ravesteyn (Maria van) 43 

Reael (Laurens) 193 

Reede ((}oert van) ..• 52, 53 



Reenen (Douair. van) 138, 145 

Reepmaker 338 

Rehrl (ficorg) 23 

Reidinger (Clara A|)ollonia) ... 24 
Rembrandt 57, 65, 66, 68--70, 

75> 81, 235 

Repelaer (Anthoois) 43 

Repelaer (Hugo) 33y 3^y 43 

Repelaer (Lucia) 33, 43 

Reus (G. C. Klerk de) 218, 219 

Reynst (Gerard) 190, 192, 218 

Rich (Sir C. S.) 93 

Richmond (Lodevick Stuart, 

Hertog van) 86 

Riemsdijk (Jhr. B. W. F. van) 

Rietschel (S.) 158, 160, 161, 

163, 164, 171 
Rietstap 31 

Risman (Maria van) 19 

Roch (Pieter) 214 

Rode fjacob de) 246 

Rosa (jan) 245 

Rosa (Salvator) 119, 124 

Roscius (Janus Victorius) 118 

Rosiau 245, 246 

Rossem (Marten van) 64 

Rotteveel (Leendert) 215 

Roy (Nicolaes de) 202 

Rubens (Peter Paulus) 89, 120 

Ruisdael (Jacob van) 242, 246 

Ruysdael (Salomon v.in) 242 

Ruytenburch (Willem van) 70 

Ruyven (W. van) 154 

Ryckevorsel (Th. van) 67, 75 

Rycken (Dirck) 155 

Ryckwaert (Carolus) 36 

Rycquius (Justus) 115 — 117, 122 

Ryen (Barbara van) 32 

Ryen (Johan van) 32 

Rven (Michiel van) 44 

Ryn (P. C. van) 198 

Ryp (Feiken) 170 

R\jsew\jk (F. Haverkomvan) 57, 248 



Sackville (Lwd) 86 

Sainsbury (W. Noël) 89 

Saiss (Antonia Catharina) 19 

Saiss (Jacob Ferdinand) 19 

Saiss (Sylvester) 19, 20 

Salimbene (Fra) 126 

Sanazzaro 117 

Sandrart (Joachim von) 148 

San Giovanni (Giovanni da) ... 143 

Santo (Bonaventura) 10 

Santvoort (Dirck) 243 

Saraceni (Carlo) 143 

Scaglia 206 

Scamozzi (Vincenzo) 7, 73 

Schagen (Jan van) 69 

Schagen (Willem van) 167, 168 

Schayck (Eerst van) 50 

Schayck (Goert van) 50 

Scheibier (Dr. L.) 133 



Schellincx' (Willem) 244 

Scfiellinger 237 

Scheltema (Mr. Jacobus) 31 

Schenck van Tautenburg (Fre- 

derik) 52 

Schepperus (Johannes) 116 

Schmarsow (Dr.) 129 

Schmidtlin 121 

Schnitzer (Simon) 9 

Schoenbom (Graaf) 138 

Schoenianck 197 

Schoonveld (Hans Hendrik) ... 136 

Schoon jans (Anton) 20, 26 

Schoor (Adriana) 42 

Schotel (Dr. G. D. J.) 31, 36 

Schoterbosch (W. J. van) 165 

Schottius 116, 131 

Schouman (Aart) 93 

Schouten (Willem Comelisz.) ... 235 

Schrevelius (Theodorus) 171 

Schroeder (Richard) ...158—161, 164 
Schubart von E^renbeig (Peter) 19 

Schwartzenberg (Fürst) 25 

Schwarz (Christoph) 135 

Scorel (Jan van) 51, 120 

Scitz (Carl Albert) 23 

Sello ((^org) 158, 160—164, 171 

Semenoff (P.) 151 

Sereno (Franz Calixt) 19 

Serlius 129 

Settlmayer (Maria Elisabeth) ... 23 

Seyssel (graaf L. de) 15S 

Sigonius 115 

Sirleto 121, 122 

Six 238 

Sixtus V, Paus 116 

Sioewaloff 146 

Slichtenhorst 98 

Slingelandt (Barthout van) 44 

Slingelandt (Govert van) 44 

Slingelandt (Hendrik van) 38 

Slingelandt (Simon van) 42 

Sluysken 64 

Snellen (Johan) 39 

Sohier (Constantyn) 67 

Sohm 159 

Sower (Bemard van) 84 

Somer (Paulus van) 58, 59, 

84—86, 91, 95 
Someren Qohan van) 30, 37, 40, 

42, 47 
Someren (J. F. van) 241 

Sondermayer (Benedict) 13 

Spaan (Gerard van) 174 

Specx (Jacques) 178, 188, 190, 

218 — 220, 228, 229, 240. 241 
Spieghel (Hendrick Laurensz.) 154 
Spieringh (W.) 154 

Spranckhuysen (Dionysius) 44 

Spruyt (Johan) 111 

Stackelberg (Maximilian Eras- 
mus, Baron von) 21 

StaJpert (Daniël) 1, 73, 78—80 

Staring 98 

Staveren (Roemer van) 203 

Steen (Jan) 132, 143